Irmin-lo Hoofdstuk 2

Irmin-lo

Hoofdstuk 2

Win zijn het Speulderbosch genaderd,993 bunder groot,de grens ten oosten door het buurtschap Speulde.(de buurtschap Speulde schijnt den naam aan het bosch ontleend te hebben,want het hout rondom de Engen in de buurtschap behoort aan het bosch en het was eene vergunning der maalmannen,daar huizen te mogen zetten).

Ten noordwesten ligt het merkwaardige Drie(Thri)waaronder het zoogenaamde-Heiligen-Huisken-Begrepen is.Van hier betreden wij het Speulderbosch.Eerbiedwekkend ruischen hier de boomen;hoe lieflijk is het hier te wandelen onder het hooge lommer.

Men treedt hier met zekere onverklaarbare huivering binnen;Men ademt er eene kalmte,die men nooit in de steden gesmaakt heeft en terzelfder tijd ondervindt men een zoet onbestemd weemoedig gevoel.Hier ontvangt men een indruk,die men niet beschrijven kan.

Wij bezoeken den dikken Es,den Vrattenberg met akkermaalshout,den Kattenstert met de Cingils,Esschen Drie,het Solvevak,de lange Laerakker en de hooge Dune bij Houtdorp.

Daar waar de boomen door den bijl verminkt worden en onregelmatig in het bosch opgroeien,staat de eik nu eens afgezonderd,dan weder op dichtbegroeide plekken.Tusschen deze verheft zich afwisselend de beuk met zijn ver uitgestrekte takken en bruinachtige twijgen en met vreugde begroet men het schoone lommer,dat met zorg aangekweekt en welig en krachtig opgewassen het oude verwoeste geboomte heeft vervangen en het vroegere voorkomen van bloei,stoutheid en eerwaardigheid aan het landschap teruggeeft.

Op sommige plekken is het als wandelt gij op een wel onderhouden buitenverblijf en soms liefelijk,soms ook woest,is hier de aanblik der  natuur.Midden in het bosch lopen twee wegen,welke elkaar rechthoekig doorsnijden en waarvan de eene in de richting van Houtdorp,de Nieuwe Prinsenweg genaamd wordt.Hier aan de werkelijke hoek ontmoeten wij een eerbiedwaardig gedenkstuk,bestaande in eene langwerpige vierkante uitgraving in den grond,van 10 voet lang en 8 voet breed.De tafel bevindt zich onmiddellijk aan den voet eener eeuwen oude eik,die drie voet dik en algemeen bekend is onder den naam van koningseik.zijn wormstekige stam verdeelt zich aan de kroon,weleer in drie thans in twee armen;de schors is geschonden naar  de zijde van den weg,zoo hoog als men van de grond de plek kan bereiken om de kogels uit te snijden,die bij menigten in den stam geschoten zijn,telkens na afloop eener hertenjacht.

Daar aan die Koningstafel op een zoden bank,in de schaduw van den Koningseik zat meermalen in het laatst der zeventiende eeuw,een jager van mannelijke leeftijd.

Het was Willem Hendrik van Oranje-Nassau,Willem III,Stadhouder der Nederlandsche gewesten en daarbij Koning van Groot-Brittanië en Ierland,om eene stonde uit te rusten en zich te herstellen van de vermoeienissen van de jacht,altoos zijn liefste ontspanning van staats en krijgszorgen,ter verkwikking zijner zwakke lichaamskracht,afgemat onder de rustelooze bezigheden van zijn sterken geest.De dikke stam met mos bedekt,de hooge kruingetuigen,dat hij vele jaren ouder is dan wij.Wie zegt het ons,of hij reeds niet meer dan drie eeuwen geleefd heeft!

Van het Speulderbosch,meenen wij,ofschoon niet onder die naam,reeds vroeg gewag gemaakt te vinden en wel in een charter van het jaar 855.Gelegen in de Gemeente Ermelo,strekt het zich langs Drie en Garderen uit en in het charter worden de volgende woorden gevonden-in villa thri pascus porcorum triginta quinque.

Het waren de uitgestrekte eikenbosschen,die voor de zwijnen het nodige voedsel opleverden;want het zwijn was een van de voornaamste voedingsmiddelen der Germanen en voor de Romeinen prezen zeer de gerookte schinken der Marsen.Waar elders moet dus de weide dier zwijnen gezocht worden,dan daar in een dáár gelegen bosch!En dat is het Speulderbosch!

De benaming van het Speulderbosch is waarschijnlijk afkomstig van de aldaar eertijds in menigte aanwezige klein-dennen,in Duitsland Schleis-kiefern genoemd,waarvan thans nog de nabijgelegen Uddeler turfveenen getuigen en alwaar nog dagelijks bij het baggeren eene menigte van kienstammen worden opgedolven,De spaanders van kienhout waren eertijds ten plattelande het eenigste en algemene verlichtingsmiddel der woningen zoals zulks nog in Drenthe plaats vindt.In Lijfland en Estland,waar deze gewoonte mede bestaat,worden zulke kienspaanders Speult genoemd.

De bosschen die nog in de gemeente Ermelo voorkomen,zijn het Elspeterbosch(`t Stevensewold),het Speulderbosch,het Vierholterbosch(`t quatuor foreste)en het Leuvenumschebosch,waarvan de beide eerstgenoemde nog in gemeenschap bezeten en beheerd worden;terwijl de beide laatstgenoemde ieder aan slechts éénen eigenaar toebehoren en onder bijzonder beheer staan.

Het notulenboek van het Speulderbosch begint met 1538,het mag echter belangrijk genoemd worden om de menigvuldige bepalingen,die zoowel Franksische als Saksische oorsprong verraden.

Het Speulderbosch heeft in de loop van de tijden een nieuw regelement verkregen,waarbij slechts de verdeeling in honderd en twintig deelen,de holtrichters en de maalmannen bewaard bleven;de laatste echter niet op dien voet dat men licht hunne namen van het malum zou afleiden,maar eerder van het houden van maaltijden,ofschoon deze ook niet meer op voorvaderlijke wijze plaats vinden.

De maalmannen vergaderden voor gerichtzaken onder de beuken bij Drie(Thri)en voor andere belangen in de kerk te Harderwijk.In het malenboek lezen wij op het jaar 1540:

Daar is maalrecht gehouden op Catharijnendag te Drie vóór  in het bosch bij Heiligen Huisken.Dit Huisken strekt nu tot woning van den boschwachter en vergaderkamer voor holtrigters en maalmannen.

Voorts,den 28 augustus 1641:die malen tot vier en veertig in getal tot Harderwijk in de Vrouwenkerke,maelspraak houdende,hebbende geresolveert,dat men van nu voortaan,om voor de komende onnoodige kosten en de tot meerder gemak van de meeste erfgenamen,welke drie part niet verschenen,in plaats van onder de beuken,jaarlijksch te verschijnen en te komen,van nu voortaan binnen Harderwijk in de Vrouwekerke willen vergaderen van de malespraak te houden,met conditie dat men de buitenmaelen van Ermelo en Putten bij publicatie tijdelijk daarvan sal verwittigen,blijvende nogthans onder de beuken te komen en daar te gerigte te sitten,in sacken zulks vereischende,in vorige staat bij`t oude gebruik.

Die tot holtzigter benoemd werd moest die betrekking ook aannemen.Zij waren twee in getal en werden door de meerderheid voor eenen bepaalden tijd gekozen doch waren herkiesbaar.Zij stonden aan het hoofd van het bosch,doch waren in den eigenlijke zin niet veel meer dan de uitvoerders der besluiten op de maelspraak genomen en traden bij het gerigt als openbare aanklagers op.

Zij ontvingen een derde gedeelte der boeten,de overige twee derden werden door de aanbrengers en het bosch genoten.

De kist,waarin het boschboek en de boschbijl-met een merk voorzien-gesloten was,bleef in bewaring van een der holtrigters.

Nog vermelden de notulen,dat er naar old gebruik,twee oxhoofden wijn waren gebruikt;dat er verder naar Drij bier,brood en haring was gevoerd en dat drie deelingen en vier beukeboomen de onkosten der blijde bijeenkomsten moesten goedmaken.Deze blijde bijeenkomsten duurden drie dagen;dan moest er des avonds om negen de kelder gesloten worden,opdat er dien nacht geen wijn meer gedronken zou worden.

Thans verlaten wij het Speulderbosch,dat nog zooveel meer sporen van den gulden tijd draagt en waar van de heuvelen in den omtrek met welig groeiende dennenbosschen prijken,om onder den indruk van het landschap Irmin-lo te verwijlen bij de dagen waarin de Franken hier een altaar aan Irmin hadden opgericht en deze het voorwerp was eener goddelijke vereering.

Doch werpen wij vooraf een blik op de geschiedenis der Iminsul.

De geschiedenis wijst ons niet bepaald de plaats aan,waar Irmulsen gestaan heeft.Zooveel is echter zeker,dat toen Karel de Groote in het jaar 772 met zijn leger naar Irminsul optrok,dat Irminsul niet een goden of afgodsbeeld was,dat hij vernielen en uitroeien liet,dat het ook geen gebouw en evenmin een bloote zuil kan geweest zijn,maar meer waarschijnlijk een heilig woud-Nemus sacrum-hetwelk hij liet omhakken en verwerpen.Zonder het bestaan van een Irminsul te willen betwisten,komt bij ons de verontstelling op,dat zoodanige heilige plaats,waar de Saksers hunne goden vereerden,eenen naam moest hebben,die daarvoor passende was en dan brengt ons de uitdrukking-Pervent usqur ad emensul-op de gedachte,dat de plaats aldaar Ermensul heette.

Het denkbeeld van godsvereering heeft reeds de tijdgenooten van Karel de Groote licht bewogen,om zich in de Irminsul werkelijk een godenbeeld voor te stellen,te meer nog door de heidensch godsdienst misschien wel voor de Franken een geheim bleef.

In lateren tijd heeft men de zuil in gedachten met een godenbeeld vereenigd en wat het vernuft weldra uitdacht,hetzij lomp,hetzij sierlijk,hebben de geschiedschrijvers als waarheid opgedischt en daar het in de middeleeuwen aan geen soorten van godsdienst ontbrak,zoo werd dan ook weldra een exemplaar der in het volksgeloof voortlevende Irminsul gevonden,welke thans nog in de domkerk te Hildesheim bewaard wordt;iets dat in geene deele met de verstoring der Irminsul strookt,welke gebeurtenis op historische gronden berust.

Men stelle zich echter onder de benaming van Irmin een halfgod voor,aan wien men de hoedanigheden van den krijgsgod Mars toekende zooals blijkt uit de woorden-Martem effigie columarum imitantes-,de halfgod was zoowel onder de Wesfalen,de Saksers,de Drenters als onder de Zeeuwen op het eiland Walcheren in de achtste eeuw nog het voorwerp eener goddelijke vereering.

Hoewel de geschiedenis niet vermeld,dat zulks ook op de Veluwe plaats vond,zoo geeft echter de giftbrief van Folkerus van het jaar 885 aanleiding tot de veronderstellingen dat de dienst van Irmin ook op de Veluwe niet vreemd was.Deze brief is te vinden in Bondam`s charterboek en daarbij wordt ook deze gemeente Irminlo(het bosch van Irmin)genoemd.Zeker is het dat de Chamavan tegen het einde der derde eeuw aan den rechteroever van de Rijn heen,met de Friezen als een gedeelte van het Frankische volksverbond voorkomen,vanwaar zij naar het eiland de Batavieren en verder zijn getogen.

Het is dus niet onwaarschijnlijk,dat zij,toen de macht der Romeinen in onze oorden verzwakte en deze hunne bezittingen terugtrokken,westelijker landstreken opzoekende,zich op de Veluwe een tijdlang hebben opgehouden,van waar zij gelijk ons voorkomt,het spoor van hunne naam ook in de stad Kampen achterlaten,als ook in vele namen van plaatsen die overeenkomen met ander hoogerop in Westphalen b.v.Thri,Telgt,Epe,Tongeren,Oene,Empt enz.die wij ook  in het Munstersche vinden:daaruit te verklaren,dat de voorttrekkende Saksen,de namen die zij verlaten hadden gaven aan die waar zij zich nederzetten.

Irmin-Theod heet eigenlijk het Frankische volk,daarvan komen ook bij de Franken de meeste eigen namen voor,die met Irmin samenhangen-bij de Sakser daartegen volstrekt geene-en zoo schijnt de Irminsul een oorspronkelijk Frankisch heiligdom,hetwelk echter de Saksen na den aftocht der Franken bleven vereeren.

De plaatsbenaming van Ermelo als Irmin-lo en de boschrijkheid dezer gemeente,laten met grond vermoeden dat hier,evenals de Irminsul ook het Irmin-lo een heilig woud(nemus sacrum)zal moeten betekenen,waar de vereering van de halfgod plaats zou gevonden hebben.

En daar, op last van Karel de Groote in het jaar 827 ten tijde van Harmohar VI,bisschop van Utrecht,toen de Friezen het Christelijk geloof in groote getale omhelsden,alzoo de tempels en afgodsbeelden uitgeroeid werden,zoo is het ook zeer waarschijnlijk,dat dit gedeelte van Ermelo bij Thri,toen ook in hetzelfde lot heeft gedeeld.

In den belangrijke giftbrief van Folkerus van den 7den en 10den november 855,waarbij aan het klooster van Werden volgens de Ripuarische Salische wetten goederen geschonken waren,wordt gesproken van zestig scharen-scaras-in het Ermelosche bosch.

Ofschoon onder die naam geen bosch in de gemeente meer bekend is,zou men moeten vermoeden dat hetzelve in Thri,nu drie gelegen heeft en door gemelden bisschop is uitgeroeid,die Heiligen Huisken heeft doen oprichten,op de plaats waar Irmin vereerd werd,wiens heilige vereering thans vervangen werd door een godsdienst,welke eerst nog ruw en eenvoudig,spoedig inlicht en kracht zou toenemen.

In den nacht van blinde heerschzucht,is een heillicht opgegaan,

Vrome mannen,kloek en ijvrig,brengen`t woord des vredes aan,

Jezus leer wordt hier verkondigd,bidkapel en bedehuis.

Rijzen op,waar afgodstempel neergebrijzeld was tot gruis,

En de bijl woedt in den bosschen in voorouderlijken tijd,

Aan den dienst der valsche goden,door het heidendom gewijd.

Dat de christelijke gemeente in Ermelo reeds zeer vroeg van belang moet geweest zijn,getuigt het uit een bouwkundig oogpunt merkwaardig kerkgebouw en toren,welke de Byzantijnsche bouw in de tiende tot de twaalfde eeuw verraadt,terwijl in deze kerk tevens nog eene steenen doopvont op de oorspronkelijke plaats aanwezig is.

En hiermee willen wij deze schets eindigen.Veel is er sinds dien tijd veranderd.

Het ode Irmin-lo is verdwenen en heeft plaats gemaakt voor het moderne Ermelo.Het ijzeren stoompaard doorkruist in alle richtingen de aloude Veluwe en brengt leven en welvaart aan.

Wij hebben onze lezers een blik gegund in de aloude geschiedenis van een gedeelte der Veluwe.

XXXXXXXXXX

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *