Irmin-lo

Irmin-lo

****

Een historisch Landschap

Gemeente Ermelo

Hoofdstuk 1

 

 

Hoe weinig wordt het eigenlijke Gelderland in zijn oorspronkelijke natuurschoon gekend!Het zijn niet Arnhem`s en Nijmegens omstreken,voor een aanmerkelijk door menschen handen geschapen,die U de ware gedaante van het Geldersche landschap doen kennen;neen!Daartoe moet men de wandelstaf aangrijpen en doordringen in den bosschen der midden-Veluwe.

Daar kunt ge U vermeien onder de schaduw van prachtige eiken en beuken,niet misvormd door den bijl des houthakkers.En zoo ge plaatst op een der heuvelruggen in de(Irminlosche)Ermelosche heide,b.v. op den Victoreberg,den Tonnenberg,den Poolberg,den Ullerberg of den Drieberg,die waarschijnlijk hunne namen veelal aan heidensche plechtigheden ontleend hebben,die daar eenmaal gevierd werden,verbreidt U een van de heerlijkste ver-gezichten.

Hier stuit het oog op hoog geboomte,dat een gedeelte van den horizon inneemt en met de blik op bruine heuvelen,waarlangs de schapen grazen,of op wier kruin argeloos een kudde herten dwaalt,dan weder ziet men de bodem bedekt met laag eiken hakhout,dat in het wild opslaat,terwijl uit eene eenzame stulp de blauwe rook naar den hemel opwarrelt als om U aan te toonen,dat ook hier nog menschen wonen,hoewel gij er uren kunt rondwandelen zonder iemand te ontmoeten,dan een door de zon gebruinde arme vrouw,die de grondstof voor de heidebezems zoekt of de heide voor geitenvoeder snijdt,of wel een troep kinderen die boschbeziën zoeken.

Bevond gij U in den guren wintertijd op dit terrein dan zoudt ge de sneeuw in den bosschen en valleien tot ontzagwekkende hoogte zien opgestapeld;dan zijn de kruinen der heuvelen door de winden,welke hier vrij spel hebben,ontbloot.Nergens ontmoet men in ons land zulke geweldige sneeuwjachten als in deze oorden;dan giert en huilt het in de wouden en zoudt gij U in de woeste natuur van het oude Germanië terugdenken.

Maar geheel anders,wanneer de lieve lentelucht de doode natuur doet ontwaken!Dan stijgen de leeuwerikken hoog in de lucht,de zangvogels doen zich hooren en op de dorre rank van den oude eikenstam,zit het trouwe tortelpaar.

Zijt gij oudsheidvorscher,romantisch dichter,hier vindt gij nog de grafheuvelen van Uwe Germaansche voorouders,waarop de schapen grazen,als geitjes op het graf van Hector.

Welk gevoelig hart wordt niet getroffen bij den aanblik van de Eleonora`s Pol te Staveren,waarvan de Geldersche dichter Staring zingt:

Op een eiland vond zij daar

`t Plekje door geen hoop beschenen

Waar ze in heilige eenzaamheid

Korte dagen weg ging weenen,

`t Gras dat op Leonora`s Pol

Aan den krommen oever fluistert

Zucht nog vaak de droeve na;

Van de wandelaar beluisterd

Ditmaals ook bij sterrenlicht,

Komt haar geest,met losse haren.

In een slepend weduwkleed

Herman`s grafplaats ommewaren

Knielend gaart zij`t zand bijeen,

Steeds gedachtig aan haar lijden

`tLandvolk spaa van`t veld gekeerd

Zocht de zwarte vrouw te mijden.

 

Bezoek toch dat gedenkteken der nomaden,het bekende Seuvenkamp aan den Putterdelsweg en het tweede in de Leuvenumsche heide nabij den Hierdenmolen,die ons een terugblik gunnen in een halve eeuw vóór onze tijdberekening en ons herinneren aan de zwervende stammen van jagers en herders,die een weerzin hadden om de aarde te bouwen en wiens rusteloze geest,zich aan geen geregelde levenswijze wilde gewennen.

Het koren toch dat het gewone voedsel van een beschaafd volk uitmaakt,kan alleen gewonnen worden door den geduldigen arbeid des landbouwers en in het optrekken met een talrijk leger was het koren een te omslachtigen voorraad en kon zeer traag vervoerd worden door menschen en lastdieren,waarom zij het gebruik van dierlijk voedsel voortrokken,dat hun zeer vele voordelen scheen mee te brengen.Het vee,het welk de Seuven op hunne tochten vergezelde,verschafte een zeker en toenemende hoeveelheid vleesch en melk en in het grootste gedeelte der Veluwe groeide weinig malsch gras,geschikt om het aan ruw voedsel gewende vee te verzadigen.Wanneer de voorraad rondom een legerplaats was verteerd,slachtten zij het grootste gedeelte van het vee en bewaarden het vleesch of gerookt of in de zon gedroogd en voorzagen zich van een genoegzame hoeveelheid kleine bollen van kaas of hard geworden dikke melk,welke zij ze noodig hadden,in water ontbonden.Uit paardenmelk en honing wisten zij een gistende en geestrijke drank te bereiden.De personen van denzelfden stam,onder een door hen gekozen opperhoofd,waren steeds bijeen en in dezelfde legerplaats.

De huizen waren niet dan kleine tenten van eene langwerpige gedaante,die een morsige verblijfsplaats opleverden voor de gemengde jeugd van beider kunne.Daartegen bestonden de woningen der rijken uit houten hutten van zulke grootte dat ze gevoeglijk op groote wagens konden geplaatst en door een aantal ossen getrokken:`s avonds kwamen de kudden na den ganschen dag in de omliggende weiden en bosschen geweid te hebben,onder bescherming der legerplaats.

Zoodra de voorraad van voedsel voor het vee in een streek opgegeten was,trok de stam of liever het leger van herders,naar versche weiden in geregelden marsch op.De keuze van verblijfplaatsen bepaalde zich naar het verschil der jaargetijden.

In den zomer trokken zij naar het noorden en richtten hunne tenten op in de nabijheid van een loopend water.Doch in den winter keerden zij naar het zuiden terug en dekten hunne legerplaatsen achter eene voegzame hoogte,tegen de winden.De gehechtheid van dat volk aan den grond was zoo zwak,dat deze soms door een gering toeval werd verlaten.

De legerplaats,niet de plek gronds,werd als hun geboorteplaats beschouwd.In den omtrek der legerplaats vond men zijn gezin,zijne medegezellen,zijn eigendom.altoos ingesloten.

Het herderlijke leven was een ledig leven;de tijd werd zeldzaam in enig dienstbaar of aanhoudend werk besteed.Maar deze tijdsruimte,wel verre van te worden doorleefd in de zachte genietingen eener stille samenleving ,brachten zij veelal door in beoefening der jacht.Zij munten uit in het behendig werpen hunner lansen;de lange boog werd gespannen door een sterk gespierden arm en de zware pijl naar het voorwerp gedreven met een nooit missend mikken en een onweerstaanbaar geweld.Deze pijlen waren gericht tegen de dieven der wildernissen als:de haas,de geit,het hert,de ree

 En andere soortgelijke dieren en de rijke voorraad van wild bracht veel toe tot het levensonderhoud,ja,zelfs tot de weelde van hunner legerplaats.Doch hunne tochten bepaalden zich niet tot de vernielingen der vreesachtige of onschadelijke dieren.Stoutmoedig trokken zij op tegen het schuimbekkend wild zwijn,dat zich grimmend tegen zijne vervolgers verzet.Om het te vangen,werd een kring van grooten omvang getroffen,teneinde het wild in te sluiten;de benden die de kring uitmaakten,naderden geregeld tot en algemeen middelpunt,waar de ingesloten dieren van alle kanten zich blootgesteld vonden aan de pijlen der jagers.In dien oorspronkelijken staat der herderlijke wereld handelde ieder opperhoofd,als een onafhankelijk gezagvoerder van een groot,afzonderlijk gezin.

De zwakken verlangden naar ondersteuning,de sterken naar heerschappij.

Het onmiddellijk rechtsgebied was bepaald binnen de grenzen van den eigen stam en de uitoefening van dat voorrecht was gematigd door de instelling van een volksraad.

Zoodanig moeten wij ons de levenswijze,handelingen en bedrijven der vroegere Veluwbewoners voorstellen,voor dat wij de door hen nagelaten gedenkteekenen welke hun tot legerplaatsen strekten,nader beschouwen.

Ds.J.Picardt beschrijft zodanige legerplaatsen in Drenthe voorkomende,op de volgende wijze:

Sommige van deze legerplaatsen zijn zeer groot,andere kleiner,hoewel men wel ziet dat eenige ongelijk grooter geweest zijn als zij nu zijn,sommige liggen één,twee,drie,vierduizend treden van elkander.Daar zijn er eenige die ik omgetreden heb die wel vierduizend treden in omtrek hebben,zijnde het gansche park  wederom verdeeld in 10×10 kwartieren.De binnenste perkjes zijn te samen evengroot,n.l.tweehonderd treden rondom en liggende of ze van landmeters waren afgestoken.

Te midden van de Leuvenumsche heidevlakten aan de Putterdelsweg verheft zich nu het Seuvenkamp,ter lengte van 400 meter en ter breedte van 300 meter,omringd door een aarde wal van 4 voet hoog en een sloot van 5 voet breed.

De hoeken zijn afgerond en in de binnenruimte zijn nog de sporen van kookgaten aanwezig.Aan den aarde wal sluit zich een ander aan van 400 meter lang,de Waterheul genaamd,die het leger tegen overstroomingen der beek beveiligden.

Ziedaar U de hoofdfiguur met archeologische nauwkeurigheid beschreven,terwijl men zich buitendien nog omringd ziet van tumuli,waaruit urnen en stenen gereedschappen uit den allervroegsten tijd zijn opgedolven.Ook de in den omtrek aanwezige bosschen waren eenmaal met menschen bevolkt,wier bronzen en steenen werktuigen eenen vóór Germaanschen oorsprong doen vermoeden.Men zal U ook nog de kuilen aantoonen,waarin nog in de 18de eeuw de zigeuners leefden,onder de benaming van de Kleintjeshegge onder Elspeet bekend.

Dáár is het vanouds bekende Thir,thans Drie,onder de beukenboomen (boschboom)bij den 140 voet diepen waterput,vóór het zoogenaamde Heiligen-huisken,vindt gij de openbare vergaderplaats der holtrichter en maalmannen van den ouden tijd,waar zij de boschrechten vaststelden en holtgericht hielden over het Speulderbosch evenals zulks plaats had in Vierholter en`t Elspeterbosch,onder den boschboom. De hedendaagsche boschrechten maken nog een afzonderlijke rechtstoestand uit,die aan gindsche zijde der Zuiderzee zoo weinig gekend wordt en ons nog aan vroegere tijden herinnerd.Hierdoor worden de bosschen instand gehouden,die door het afnemen der veenen en door een behoefte van een toenemende bevolking aan brandstof en bouwmateriaal en ook door verbeterde gemeenschap.eene verhoogde waarde in onze tijd bekomen en waarvan de uitdelging door het opdrogen der sprengen,een groot nadeel aan den Veluwschen landbouw zijn toegebracht.

Dichte en uitgestrekte,onaangeroerde natuurwouden bedekten voor eeuwen de Veluwe,toen nog een weinig bevolkte streek.Wellicht vormden de onderscheidene bosschen op dit gedeelte der Veluwe gelegen,een samenhangend geheel,alleen onderscheiden door de namen der aangrenzende of heilige plaatsen,als Stevenzewold en Irmin-lo,waar de Germaan zijne goden-met vrees en beven naderde-,of waar verbonden gesloten en rechtspraken gehouden werden.

Het in den giftbrief van Folkerusin,in het jaar 855 genoemde Ir-min-lo is verdwenen,zooals vele zijner medebroeders zoo zelfs,dat het niet meer mogelijk zou zijn de grenzen te bepalen,die zijne duizendjarige eiken eenmaal overschaduwden.

Men wil,dat Keizer Hendrik III van wien men verteld,dat hij in Oosterbeek geboren is,de eerste was,die de bosschen begon te ontleden;hij verdeelde die n.l.onder verscheidene van zijn baronnen en deze waren dus de eersten,die zich in deze wildernissen nederzetten,wanneer men althans de rondtrekkende volksstammen niet mederekent,die hier in ouden tijden hunne goden hebben geofferd.

Hoe dichter de landstreek oorspronkelijk nog met wouden was bedekt,des te meer werd in het belang van den toenemende akkerbouw gearbeid,om eenige gedeelten daarvan uit te roeien.

De woeste gronden van de Veluwe,later eigendom van den vorst,brachten weinig voordeel aan en zoo werd later in de veertiende eeuw door Jan Moliard,eerst lid van den domkapitel te Utrecht en kapelaan van Reinoud II,de maatregel van  verdeeling toegepast en grootere of kleinere grondstukken,hetzij aan de gezamelijke onderhoorigen van een kerspel,hetzij aan bijzondere personen verkocht,of,tegen betaling van een jaarlijksche erfpacht,afgestaan,waardoor de toestand der ingezetenen aanmerkelijk verbeterde en de grondslag tot de betrekkelijke welvaart,welke later in deze streken heerschte,werd gelegd.

Om in hunne behoefte te voorzien,hebben de menschen in de loop der eeuwen de oppervlakten gevormd.Sedert een gedeelte de uitgestrekte heidevelden in kultuur en het schraalste gedeelte met dennen bezaaid werd,is deze streek langs den Zuiderzeeschen straatweg niet meer een woestijn.De bloeiende bouwlanden en boschgronden,de tallooze verspreide woningen,die allen getuigen hier,hoe de bewoners aan den eertijds dorren grond een rijke oogst wisten te ontwoekeren en den bodem cijnsbaar te maken aan menschelijke volharding en kracht.

Verlaten wij deze bebouwde streken om meer in het nog onaangeroerde gedeelte der Veluwegronden rond te dwalen en bezoeken wij de Ermelo`sche heide of de malenvelden en sanden genoemd.Deze ligt nog geheel eenzaam tusschen de dichte wouden en onbewoonde heuvels,als om den wandelaar,die herwaarts zijne schreden wendt een terugblik te gunnen in de vervlogen eeuwen.

Hier zien we eene licht golvende,onafzienbare vlakte,eenzaam en ledig,stil en doods,overblijfselen der schepping in onveranderde eenvoudigheid,waar geen menschenhand het eerwaardig gedenkstuk van vorige eeuwen heeft aangetast.Schier niets verraad hier het aanzien van levende wezens,inzonderheid van menschen;slechts hier en daar vindt gij een hoopje heideplaggen of gij ontmoet een kar met bezemheide geladen,die langzaam door een van de diep uitgeholde sporen voortsukkeld,welke elkander in alle richtingen doorkruisen en waarvan men haast denken zou,dat zij opzettelijk zijn aangelegd om den wandelaar te doen dwalen als hij de breede veldwegen verlaat.Of gij ziet bij de Mietstee een imker.die zijn lange rij van bijenkorven komt nazien,daar midden in het veld neergezet en aan de publieke eerlijkheid overgelaten.Of gij ontmoet eene enkele kudde schapen die door het geluid der hamelbellen eene vrolijke gedachte bij U opwekken.

Einde hoofdstuk 1

XXXXXXX

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *