Jan van ’t Kleverbosch op den ouden Deventerweg

 

 

Jan van ’t Kleverbosch op den ouden Deventerweg.

Anno 185…

 

Eens wandelde Jan van ’t Kleverbosch over den oude Deventerweg. ’t Was in de maand Juli. De dag was warm geweest. Nu suisde de nachtwind door ’t gebladerte en bracht beweging in het loover, dat onder die zachte streeling trilde, als wilde het te kennen geven, dat de wind en de bladeren elkander verstaan. De klok had twaalf uur geslagen. ’t Was nacht. Het vogelenheir had reeds lang opgehouden te zingen. Nu en dan weerklonk het schril geroep van den uil, die als trouwe dienaar der duisternis zijn prooi bemachtigt, als al wat leeft, is ingesluimerd. Geen maan hield aan het firmament de wacht. Maar duizenden sterren lonkten den nachtelijken wandelaar tegen, als wilden zij hem doen verstaan, dat daarboven altoos licht is, al verkeert de aarde in doodsche donkerheid. Doch Jan verstond de taal der sterren niet. Schuw keek hij rond. Hij trachtte de duisternis te doorboren, of hij ook ergens iets mocht ontdekken, dat op zijn weg hinderlijk kon zijn.

In ’t ritselen der bladeren meende hij de nadering te vernemen van een dier gedrochtelijke wezens, waarmede zijn vruchtbare verbeelding in wondere tooverkracht bosch en veld bevolkte. Inderdaad: Jan was vervuld van zonderlinge gedachten, die hem deden verwijlen in de duistere wereld der spoken en heksen.

Had zijn vader en ook zijn grootvader hem niet menigmalen verhaald van ontmoetingen met den Kwaden Man, die op zijn beruchte paardenvoeten des nachts over eenzame wegen wandelde, om daar de argelooze reizigers aan te klampen en hen uit te noodigen tot allerlei zondige spelen? Onder Nijkerk had zijn Grootvader kaart gespeeld met dien Booze, toen deze plotseling door de ruiten het herbergje binnenkwam, waar de oude man van de reis uitrustte. Niets achterlatend dan een kwalijk riekende lucht, was de Man met de Paardenvoeten onzichtbaar weer door de kleine ruitjes verdwenen. En hier, op dezen Deventerweg geviel het boer Lauweriks, dat hij met kar en paard in een oogwenk werd opgenomen en verplaatst tot vlak voor de stad. Hier, op ’t eigen pad, had zijn oom in ’t holst van den nacht een begravenisstoet zien voorbijgaan, terwijl een stem hem toeriep: “Hanooi, hanooi, ’t is nog zeven jaar te vroeg”. Zeven jaar daarna was zijn oom ook gestorven. Ja, boven den Deventerweg had de oude Mijntje op het koord gedanst, dat van boom tot boom in alle richtingen was gespannen.

Was het dan wonder, dat bij al deze herinneringen het Jan zonderling te moede wered en zijn hart bonsde vanwege de vrees voor groote gebeurtenissen?

Jan1

Dan, terwijl hij haastig zijn weg vervolgt, wordt zijn oor getroffen door wel aangename geluiden. Andere snaren dan die, welke zooeven in trilling kwamen, komen in beweging. Een zoete lieve wals in den trant van:

“ Dat gaat naar den Bosch toe,

Zoete lieve Gerritje!

Dat gaat naar den Bosch toe,

Zoete lieve meid!”

Toovert een glimlach op zijn gelaat. Zijn oogen stralen van vreugde. De naargeestige stemming is verdreven. Verbannen zijn nu ook de schrikbeelden zijner rijke fantasie. Hij wordt onder den machtigen invloed der tonen gekneed als was. Er jubelt een lied in zijn binnenste: “ Zoete, lieve Gerritje!”

Zie, tusschen het wuivend gebladerte, links van de weg, ontwaart hij een helder schijnsel. Nieuwsgierig vervolgt hij zijn weg. Daar rijst voor zijn oog, als uit den grond verrezen, een prachtig gebouw.

De ramen der drie verdiepingen zijn helder verlicht. Beneden kan hij een blik slaan in de geopende zalen, die pralen met ongekende weelde van goud en kristal. Zilveren stemmen klinken hem in harmonieuze zangen tegen. Gelag en gekout vertolken hem de feestelijke stemming. Het is daar hoogtijd. Jongelingen en maagden zwieren er lustig rond. Zij worden het dansen niet moe. Bij al dien lichtglans, afstralend op het groen geboomte rondom, zet Jan zich neer op een bank onder de schaduw van beuken en dennen. Sprakeloos van verrukking staart hij op dat wonderschoon tooneel vóór zich. Kan dat werkelijkheid zijn? Veel heeft hij hooren verhalen van schoone landouwen en koninklijke heerlijkheid, maar wat hij nu aanschouwt, overtreft al, wat hij zich daarvan heeft voorgesteld.

Jan2

Daar nadert hem van achter de berkenhaag een lieve jonge maagd. Zij zingt. Betooverend is hare stem. Een zoet vloeiende melodie brengt hem in geestverrukking en duidelijk verstaat hij:

“ O stille nacht! Uw somber duister

Wijkt voor den lichtglans van ons feest!

Wat ons in bange dagen zorg ook kluister,

Thans juichen wij, verrukt van geest!”

De zangeres neemt plaats op ’t ander einde der bank en het hoofd wendend, bespeurt zij den eenvoudigen landbouwerszoon, die aanstalten maakt tot vertrek. Hij neemt beleefd zijn pet af, maar hem bemoedigend toeknikkend, noodigt zij hem zingend tot blijvend uit:

“ Wel Jan van ’t Kleverbosch!

Gij ziet den weidschen dos,

Gij hoort ons lied!

Deel ook in onze vreugd.

En smaak dit zoet geneugt:

Verlaat ons niet!”

Jan legt zijn schuchterheid af en de hem toegestoken hand vattend, voelt hij zich geheel op zijn gemak. Nu wil hij wel dansen en springen. Zijn mond opent zich als van zelf en flink uit de borst galmt hij het uit:

“ Dat geet naor de Bosch toe,

Zoete lieve Garretjen!

Dat geet naor de Bosch toe,

Zoete, lieve meid!”

Op dat gezang komt een stoet van heeren en dames toeschieten, die terstond een rondedans maken, waarbij Jan zich niet onbetuigd laat. Hoog gaan zijn beenen van den grond. Hij tiereliert het uit van pret. Woest en wild wordt de muziek, woest en wild wordt ook de dans. Als razenden hossen de feestvierenden voort door struik en struweel. Het wild, dat zich een schuilplaats voor den nacht heeft gekozen, vlucht naar alle zijden heen. Al verder en verder verwijderen de nachtelijke dansers en danseressen zich van het schitterende paleis. Zwak klinken de tonen. Eindelijk sterft de muziek weg. “ Hier”, fluistert een stem hem toe, “ hier, behoud dit tot eene gedachtenis!” “ Zoo vaak gij deze gouden tabaksdoos gebruikt, denk dan aan uw feest op den Deventerweg!”

“ Dank, duizendmaal dank” prevelt Jan.

Op eens komt er een gevoel over hem, of hij uit een zoete droom ontwaakt. Hij ziet om zich. Hij ziet om zich. Hij staat alleen. De nachtwind fluistert door de toppen der boomen en streelt zijn slapen. Waar is hij? Onder het licht van de lantaarn aan de Luttekepoort tast hij in zijn broekzak. Hij wil de tabaksdoos zien. Maar die is niet te vinden. Slechts een vormloos klompje uitgedroogde………koemest haalt hij tevoorschijn. Bittere teleurstelling!

Jan spoedt zich naar huis. ’t Is nacht. Van slapen komt niets meer. Heeft Jan van ’t Kleverbosch “ ze soms zien loopen?” De lezer oordeele.

Augs. 1903                                                                                                                    K.

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *