Kermisreizigers in Harderwijk

Kermisreizigers in Harderwijk

*******

 

`t Is lang geleden,dat onze goeie stad overstroomt werd door een schaar van reizende mensen,die,naar de wijze der zigeuners,nergens een vaste woonplaats hadden en toch overal waren ingeburgerd.

Zij aten en dronken en speelden en zongen,goten lepels,matten,stoelen,verkochten raspen en treefjes,lieten marmotjes zien of vertoonden acrobatentoeren op  de hoeken der straten,waarbij den Harderwijkers de haren ten berge rezen.

Zij hielden hun verblijf in wagens,die dikwijls een geheele straat vormde en die vooral in de buurt van de Groote Poort en van- de handwijzer- waren opgesteld.

Bijzondere vergunning van de Burgermeester en Wethouders behoefde die vlottende bevolking niet,om daar te kamperen.

De herinnering aan dat woelige leven is ons bijgebleven en menig type uit dien ongestadigen hoop staat ons nog levendig voor de geest.

Iedere Harderwijker zal begrijpen,dat een en ander plaats vond in den drukke Atjeh-tijd,toen de kazerne dikwijls te klein was,om al die manschappen te herbergen en de kelder onder het stadhuis vaak diende als gevangenis voor allerhande militairen.

Bij het groot getal herbergen,waar alles werd beproefd,het den gullen bezoekers zoo aangenaam mogelijk te maken,konden muziek en zang niet gemist worden,want ook kende men de groote betekenis van de regelen:

     Was de muziek en de zang er niet,

     ~leven had geen waarde-.

En het waren juist de kermisreizigers,die in dit opzicht in een diep gevoelde behoefte voorzagen.

Als we dan ook`s morgens voor schooltijd langs de wagens liepen,verkwikten we ons aan allerlei muziek en werden onze oren getroffen door velerlei moppen en mopjes,die thans nog bij de ouderen van dagen bekend zijn.

Hier,bij de eerste wagen,beproefde men het draaiorgel,dat lustig liet hooren de klacht van het verlaten meisje:—O.moeder,die zeeman—-,

Bij no.2 bewonderen we het schoone samenspel van viool en harmonica,waarbij enkele begaafde zangers en zangeressen uit volle borst een welluidend lied galmden;bij no.3 genooten we van den klarinet,onder dankbare begeleiding van den trom,terwijl een vrouwenstem zong:

    -Ach,maar ach,mijn lief is naar de Oost,

     Ik heb hem zien vertrekken in een blikken doos.

Terzijde van no.4 acrobateerde men;op het hoofd staan,een reuze zwaai maken,op handen lopen,alles aanschouwen we voor niets.En bovendien konden we een kijkje nemen in de inrichting van de huishouding.waren er onder de wagens,die uitmuntten,zoowel van binnen als van buiten,door groote zindelijkheid,er waren er ook bij,die deden walgen.

Ten opzichte van de bewoners maakten we dezelfde opmerking.Flink gebouwde mannen-ruig van borst en breed van schouders-leefden er naast-bleeke zusters en kranke moeders-:glundere,heldere deerns,hielden omgang met –poetjes van gratietjes-,sloofjes,gehuld in lompen.

Dat volk leefde bij de dag.Was er geen geld in kas,wat nood!in`t gastvrije Harderwijk was het genoeg te krijgen.Een ronde door de stad met het grote orgel of een paar vertoningen met honden en apen op de hoeken der straten,gaf redding uit den geldnood en een biefstukje,of een knakworstje bij de boterham deed zich na den arbeid goed smaken.Blijkbaar ging men niet gebukt onder de lasten des levens,want de grijsaard was daar even vrolijk van geest als de knaap.Of er evenwel achter de schermen wel eens bitter werd geleden?Wie zal het zeggen,maar als kinderen keken wij enkel en alleen naar wat aan de oppervlakte plaats greep.

 Onder al die typen trok een echtpaar onze aandacht,dat zich hier ook metterwoon vestigde en bij de buurtgenoten bekend stond onder de naam Door en Teunis.Die namen behoorden bij elkaar en waren niet te scheiden.Zij waren samengegroeid tot één en de verbintenis was zo sterk,dat zelf een verschikking der namen onmogelijk was.Wie zou ooit spreken van Teunis en Door?,`t was en bleef;Door en Teunis.Wie er wel aan `t hoofd van `t gezin stond,wisten we niet maar wij zagen er Door op aan,die met haar levendige oogen en smalle,trillende lippen,als van nature aangewezen scheen over Teunis te domineren,die met zijn koolrond hoofd,waarin een paar lichtblauwe oogen geplaatst waren en met zijn breeden mond overschaduwd door een zwaren knevel,niet gewend was,tegen te spreken,maar naar Door`s believen aanstonds zei:-goed wijf-of-best vrouw!Dat echtpaar leefde in voorbeeldige eensgezindheid.De vrouw zong voortreffelijk,de man streek de viool,terwijl hun zuigeling Alida,die tijdens het herberg bezoek der ouders bij iemand werd uitbesteed niets anders deed dan schreeuwen.

En nu had ge moeten hooren,wat lieflijke melodieën er vloeiden van het snaarinstrument.

En ge had de zang moeten genieten,die daar in kristalheldere toonen rolden van de lippen der zangeres!

O,neen,dat waren geen dreunen of wegwerpelijke moppen zonder zin of slot of kwetsend voor de eerbaarheid!

Wat Door en Teunis voortbrachten,dat mochten allen wel vernemen en bewaren in hun hart!

Hoor,daar opend Door haar mond en smeltend en zacht wordt haar zang voortgedragen op den adem des winds,als een lieflijke hulde aan al wat waarlijk schoon en goed is:

      -O,zie dat hutje,zoo ne-de-rig en klein,

       Waar`t lampje slechts ver-spreidt een flau-wen schijn;

       `t Is daar zoo treurig en zo woest alom

       En toch…het is een Goddelijk heiligdom.

       Stil! eene moeder bid voor haar dierbaar kind

       Wat is het le-e-ven,een stap naar`t graf,

        Wat heden bloeit,valt morgen af!-

Teunis begeleidt de zang.Hij heeft onder den indruk der tonen de oogen gesloten.Werktuigelijk glijdt de strijkstok over de snaren en als Door bij het einde van haar lied een traan uit haar ogen pinkt,strijkt Teunis nog door,herhalend,als een zacht wegstervende nagalm,de melodie van de laatste regel:

      Wat heden bloeit,valt morgen af-.

Door en Teunis zijn vertrokken.Ze konden het,evenals hun reisgenoten,bij de wisseling van omstandigheden,hier niet uithouden.Bij minder volk verdwenen er meer herbergen en met deze ook de reden,waarom de kermisreizigers zich hier vestigen.

 Door is later nog eenige malen in de stad geweest,zij was niet meer de flinke,vrolijke vrouw van voorheen;haar rimpelig gelaat vertoonde maar al te duidelijke de sporen van afmatting en ellende,die haar, in haar ongestadig leven ,niet waren gespaard.

Wel had ze,toen we haar ontmoetten,in haar tweeden man een uitnemend echtvriend gevonden,maar nog altijd voelde zij den angelsteek der smarten,haar toegebracht door den dood van Teunis,die in den IJssel verdronk.Zij vertelde ons omstandig de droevige gebeurtenis.

Maar plotseling barstte de goede vrouw in luid snikken uiten met een gedurig onderbroken stem gaf zij uiting aan de slotsom van hare levenservaring:

-Wat heden bloeit,valt morgen af-.

XXXXXXXX

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *