Matroos Roest.

 

1851.

Matroos Roest.

wachtschip

 

_  Een matroos, die voor den krijgsraad moest worden gebragt, werd aan boord van het wachtschip de Maas gevangen gehouden. Die gevangenis evenwel scheen hem niet te bevallen, zoodat hij op ontvlugten bedacht was.

Daartoe deed hij gisteren nacht eene welgeslaagde poging. Hij wist, zonder opgemerkt te worden, met zijn mes een gat in het dek zijner hut te snijden, waardoor hij zich in den kuil van het schip liet afzakken; aldaar behouden aangekomen, begaf hij zich naar de hut van een der klerken van de administratie, trok de daar liggende uniform van adelborst aan, wierp zich een mantel om en wandelde zeer op zijn gemak van boord, zonder dat men van zijne vlugt iets bemerkte. De aangewende pogingen om hem op te sporen zijn vruchteloos geweest. Deze matroos is Roest genaamd; na zijne vlugt vond men in de hut, waarin hij gevangen had gezeten, het mes, waarmede hij het dek had doorgesneden, alsmede een versje van den volgenden letterlijken inhoud,

Heeren als je Roest wil houwen

Dan moet je ijzere hutte bouwen

Want een hut of gat van houdt

Is toch nu of nooit vertrouwd.

Hier is het mes, hier is het gat,

Morgen ben ik uit de stadt,

Overste! Of je kijkt of ziet,

Morgen vindt je Roest toch niet.

hendrik van grietjen

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *