Monnikenwerk hoofdstuk 4

 

 

Hoofdstuk 4

Monnikenwerk

Er lag een glimlach over het gezicht van Everhardus Doesborgh, toen hij de klopper op de kloosterdeur liet vallen. Bang!

Het daverde door de gangen, als een oorlogskreet.

Zo, dus Rutger van Baer probeerde hem een loer te draaien. Nu, hij kon hem hebben. Maar dan zou hij de hele Jezuïetenorde er bij moeten halen om dat voor elkaar te krijgen.

Frater Adeodatus kwam sloffend naar de deur en trok die op een kier open. “O, zijt gij het. Ik was bang, weer een vreemdeling binnen te zullen moeten laten. Die monnik van daarstraks keek dwars door mij heen en vroeg van alles vóór hij nog zijn naam had genoemd. Ik vertrouw hem niet. Ik wil er mijn bruine pij onder verwedden, dat hij net zo min een minnebroeder is als de poes van de paus.”

Het gezicht van Everhardus Doesborgh was nu één brede grijns. “Waar hebt ge het eigenlijk over, frater Adeodatus?”

“Wat zegt ge? Waar ik het over heb? Over een gluiperige kattenmepper, die zich als minrebroeder heeft verkleed. Onder ons gezegd en gezwegen, er klopt iets niet. Ge zult hem in de beyert vinden. De gardiaan is bij hem.”

“Aha, een vreemdeling, die frater Adeodatus niet van alles aan zijn nieuwsgierige neus wilde hangen. Nu, dat was iets om voor de schepenbank te brengen, als wij niet onze eigen rechtspraak hier hadden. Ik ben benieuwd. Het gebeurd niet alle dagen, ordebroeders uit de vreemde te ontmoeten,”zo liet Everhardus zich horen.

“Ordebroeders zeidet ge? Als de dode kat in het straatje van Sevenhuysen. Welaan, ge zult hem zien en oordeel dan zelf.”

Frater Doesborgh had schik in het geval. Adeodatus mopperde steeds wanneer een bezoeker niets wilde loslaten.

In de beyert zaten de minrebroeders op hun zware, massieve stoelen met hoge leuningen en keken met nieuwsgierige blikken naar de monnik, die zo onverwachts bij hen was binnen komen vallen. Wat deed deze hier, zo ver buiten zijn eigen bedelgebied?

De gardiaan stelde de man aan Everhardus voor, toen deze binnenkwam.

“Frater Lodevicus, oratore van de broederschap te Leiden. Onze predicatore Everhardus Doesborgh, frater. Lodevicus is op doorreis naar Zwolle en zal hier enkele dagen vertoeven om wat bij te komen van de vermoeienissen van de reis.”

De beide pijdragers keken elkaar in de ogen. Die van Everhardus Doesborgh waren open en namen de ander op met een doordringende blik, alsof hij hem tot in de diepten van zijn ziel wilde peilen. De ogen van Lodevicus waren eveneens scherp, doch hadden wat sluws. Af en toe leek het alsof er een floers over lag, dat het vuur er achter verhulde. Dan lag er iets nietszeggends in de koude blik. Het waren de loerende ogen van een spion.

Deze mannen voelden op het eerste gezicht, dat ze tegenover een vijand zaten. De Jezuïet kwam tot het besef, dat hij in Everhardus Doesborgh een niet te onderschatten tegenstander had gevonden, voor wie hij terdege op zijn hoede zou moeten zijn.

Een snelle gedachte flitste door hem heen. Deze predikant moest onschadelijk gemaakt worden, vóór hij nog meer kwaad kon stichten en ketters maken. Hij zou morgen met Rutger van Baer overleggen. Maar hij moest hem eerst nog de inlichtingen verstrekken,die hij nodig had. Tot zolang kon hij blijven leven.

Voor het oog van de anderen leek het wel alsof zij zich tot elkander voelden aangetrokken. Everhardus nam de gast mee naar een hoek van de beyert, waar ze rustig konden praten. Hij trok een stoel bij en verzocht Lodevicus plaats te nemen. Zelf liet hij zich op een andere zakken.

“Leiden? Nu, dan hebben uw voeten u een verre tocht doen gaan. Gij waart in Utrecht. Zaagt gij Heer Frederik Schenk van Toutenburg, onze eerste aartsbisschop? Is het waar, dat de weelde van zijn paleis zo groot is?”

De Jezuïet schudde ontkennend het hoofd.

Heer Frederik is de eenvoud zelve. Neen, ik zag hem niet. Ik was bij de broeders achter de Dom. Zij spraken goede woorden over hem.”

“Een goed woord is als een verkwikkende regen in de zomer. Gij deed goed naar hier te komen. Harderwijk is een wijdvermaarde stad, al heeft zij niet de grootte van Leiden. Maar het leeft ook hier en er wordt geld verdiend. Geen gezel behoeft hier ledig te lopen. Dat is de trots van Harderwijk. En het is gezegd, dat de rijkdom der stad deze maakte tot een honingbije ende melkkoei van behoeftige vorsten.”

Er flitste een vreemd licht door de ogen van de Jezuïet. Hij verkneukelde zich, dat die druiloor van een minrebroeder zo vertruwelijk werd. Rutger van Baer had gezegd, dat hij een hrder was. Onzin, dit was een zacht eitje. Hij liet echter niets merken en deed alsof hij alles even interessant vond.

“Dan moet het de broederschap hier ook wel goed gaan.”

“Dat doet het ook, broeder Ludovicus. Doet het ook. De minrebroeders hebben vele vrienden onder het volk. En in het wild en bijster land van Veluwen vinden zij bij geen enkele hoevenaar een gesloten deur. De lieden vertrouwen ons.”

“Zeker, zeker,”kwam het vlug. “Zo is het overal, broeder Everhardus. De minrebroeders zijn wellekome, waarheen zij ook hun schreden richten. Maar zo horen zij ook veel. Waar ook, dan zijn zij het wel, die kunnen weten, hoezeer allerwegen de afval van de heilige moederkerk toeneemt. Ik mork dit zelfs in Utrecht. Eerst worden de processies minder, daarna blijft men zonder biecht, men mijdt de kerk en de monden vloeken met ketterse woorden. Dat is het, wat mij vaak bezwaart, broeder Everhardus.”

De aangesprokende begreep, dat de Jezuïet hiermee de eigenlijke aanval had ingezet. Nu was hij wel gedwongen keur te bekennen. Na zo’n omerking kon hij zich er niet met enkele nietszeggende woorden afmaken. Maar hij was er klaar voor. Iets als dit had hij verwacht. Die Wolter Hubrechtse was een kerel waar je wat aan had, ging het door hem heen. Daar kon Harderwijk nog plezier van beleven. Machtig blij was hij, dat deze hem tijdig had ingelicht. Hij zou anders rustig de uitgezette val zijn binnengetippeld.

Hij knikte en wreef met een hand over de kin.

“Broeder Ludovicus, nimmer was er een tijd waarin het woord van een priester zo zwaar woog als op de dag van heden. Hoe langer hoe meer worden er van de preekstoelen slechte dingen verkondigd. Maar wij moeten het volk tot luisteren dwingen. Daar hebt ge nu onze eerwaarde Rutger van Baer. In zijn sermoenen is hij als een beer, die van zijn jongen beroofd is. Hij herderd zijn schapen niet,doch scheldt hen uit voor stomme ganzen, die kwakkend naar het voer waggelen, enkel belust op voer, maar zelf niets wil afschuiven. Maar zo is het hier in de stede van Harderwijk toch beslist niet. Zijn taal zou meer gekuist moeten zijn. Nu lokt zijn stem de schapen niet ter kooi. Ende zij en weten niet en moeten van ons horen. Wanneer wij hen niet de waarheid zeggen, hoe zullen zij de wegen weten, die door de kerk gewezen worden? Zeker, gij speurdet de afval zelfs in Utrecht. In Harderwijk is deze eveneens.”

Het werd een schermutseling met woorden. Everhardus Doesborgh had de eerste aanval afgeslagen. De Jezuïet zou niets achter zijn woorden zoeken.

Deze liet alles terdege in zich omgaan. Hij kwam opeens tot het besef, dat deze monnik bijzonder loslippig was. Als hij het een beetje handig aanlegde, zou hij hem straks misschien nog namen gaan noemen. Het was een handige zet van Rutger van Baer om hem hierheen te sturen en speciaal naar deze predikheer.

“En de vroedschap gaat hier voor?”

Er lag een felle scherpte in die vraag. De blik, die hij op Everhardus Doesborgh wierp, was het ook. Deze voelde een tinteling van opwinding langs zijn rug gaan. Het begon nu beslist intressant te worden.

Het ontging hem niet, dat de hand van de Jezuïet langs dien pij gleed, over de plek waar hij een ponjaard verborgen had. In zijn ogen kwam ietwat verwonderde uitdrukking, die bedoeld was om de ander op een dwaalspoor te brengen.

“Neen, broeder, dat geloof ik niet. De vroedschap bemoeit zich niet met kerkelijke zaken zolang alles rustig blijft. Zij wil ook niet, dat de geestelijkheid zich met haar zaken bemoeit en ik meen, dat dat recht is. Tegen hen scheldt Rutger van Baer ook. De oudste schepen, Sweer thoe Boecop kunt ge trouw bij hem te kerke zien gaan. Rutger van Baer spreekt soms in grove woorden. Dat moet hij niet doen. Juist nu allerwege het volk in beroering komt, dienen wij wel op onze woorden te letten. Ik zou u in een huis kunnen brengen, broeder Ludovicus, bij eenvoudige huislieden, die u zouden kunnen zeggen, waar het hem hier in Harderwijk aan schort. Jawel. Misschien t’avond. Het is dan het uur van mijn wandeling onder de sterren. Wanneer gij wilt, kunt ge mij vergezelschappen.”

“Alleen, ge moet niet al te veel op zijn gesnap letten, broeder Ludovicus,”zo liet een der luisterende monniken zich horen. “Zijn mond spreekt meestal meer dan zijn brein opbrengt.”

Ook anderen kwamen naar hen toe om aan het gesprek deel te nemen of er naar te luisteren.

De Jezuïet ergerde zich daarover. Nu was het niet mogelijk, Everhardus Doesborgh verder aan de tand te voelen. Afijn, misschien kwam zijn kans op de avondlijke wandeling.

Bij de avondmaaltijd ging het luidruchtig toe. Bierkroezen stommelden over de tafels, messen flitsen over de eikenhouten bladen om het eigengebakken brood te klieven. Brood en bier werden met zuchten en smakken naar binnen gewerkt. Handen streken natte kinnen droog.

De gardiaan luisterde zwijgend naar zijn kloostergenoten, die op luide toon de dingen van de dag bespraken.

Op het gezicht van de Jezuïet kwam een trek van minachting, toen hij het toneel om hem heen opnam. Hij was het anders gewend, netter, althans volgens hem. Maar dat mocht hij niet laten merken. Hij zou deze mannen tegen zich in het harnas jagen en dat moest hij voorkomen. Hier lag zijn kans om aan inlichtingen te komen. Ook hij hakte er lustig op los. Het bevreemde hem, dat slechts enkele een kruis sloegen voor het eten. Aha, ging dat zó hier.

Hij wierp een vragende blik in de richting van de gardiaan, doch deze merkte het niet.

Een plotseling invallende gedachte deed de Jezuïet de blik naar Everhardus Doesborgh wenden. Nog net even zag hij een beweging van diens hand. Wat had deze te betekenen? Had hij het kruisteken gemaakt of was het zo maar een gebaar? Hij kreeg geen zekerheid, maar wel leek het alsof hem uit de ogen van de minrebroeders spot tegenblonk. Omwillekeurig ging zijn hand weer langs die bepaalde plek onder zijn pij.

Everhardus zag het gebaar en begreep de betekenis ervan. De Jezuïet moest een gevaarlijk heerschap zijn. Wanneer hij er de kans toe kreeg, zou hij zelf voor inquisiteur gaan spelen. Jawel, maar hij zou uit zijn doppen kijken. Zijn eigen knuisten wisten ook van wanten.

Toen de maaltijd was afgelopen, zou de Jezuïet graag direkt  naar buiten gaan met frater Doesborgh. De beleefdheid echter eiste, dat hij op zijn zetel bleef zitten, om zijn tijd te verdoen met luisteren naar het gewauwel, zo klonk dat hem in de oren, van de minrebroeders.

Tot Everhardus Doesborgh hem een teken gaf en opstond.

“Laten we gaan broeder Ludovicus, dan kunnen wij met de roep van negen onze legerstede opzoeken.”

De Broeren lag verlaten voor hen. Zwart stonden de huizen er omheen. Een klein stukje maan gaf met de sterren wat licht, wanneer jagende wolken het niet onderschepte. Schuifelend op hun sandalen verdwenen ze in de Bruggestraat. De Jezuïet voelde een elleboogstoot tegen de arm.

“Broeder Ludovicus, luister. De lieden, bij wie gij straks binnenkomt, zijn ketters. Ik zeg u dit, opdat ge weet en daarnaar uw woorden kunt kiezen.”

De Jezuïet wist nauwelijks hoe hij het had. Nadat hij bij Rutger van Baer van de stoep was gestapt, had een felle achterdocht tegen deze monnik in hem post gevat. Hij voelde deze nu wegzakken. Hij zou zich nog meer verbazen. Broeder Everhardus bleef staan voor een herenhuis.

“Hier woont de chirugijn, Mr. Willem Barbier. Hij heeft geheel gebroken met de Roomse kerk, zegt, dat de paus een nietsnut is, dat de mis mis is, de pastoors uitzuigers zijn en dat de leer van de kerk de liefde niet leert, maar de schapen in de woestijn voert. Hij spuwt op alle heiligenpoppen en noemt zich Calvinist.”

De Jezuïet liet een smalend gegrom horen. “Vermaledijde ketter. Naar de brandstapel met hem. En we zullen die hoger maken.”

Alle achterdocht ten opzichte van Everhardus Doesborgh was bij hem verdwenen. Wanneer deze de nije lere was toegedaan, zou hij niet een vriend verraden.

Nee, maar de Jezuïet wist niet, dat wat Everhardus van Willem Barbier had gezegd, algemeen bekend was en dat deze daar zelf openlijk voor uitkwam. Hij zou het overal hebben kunnen horen.

Everhardus Doesborgh kreeg de Jezuïet, zich noemende pater Ludovicus, aan het lijntje.

Donker was het hier. De maan bleef achter de hoge gevels. Verderop brandde een lantaarn voor de taveerne Int Leersken. Soms brak een smalle streep licht door een kier tussen de luiken naar buiten. Onder hen stroomde de beek de Sijpel naar zee. Men had deze overdekt, om geen ongelukken te krijgen.

Everhardus Doesburgh had nog meer namen kunnen noemen van mensen in de Bruggestraat, tientallen poorters, die niet meer bij Rutger van Baer ter kerke gingen. Hij zou bijna huis aan huis kunnen gaan.

Er trok een brede grijns over het gelaat van Everhardus Doesborgh, die echter in de duisternis niet gezien werd. Eén naam was voldoende geweest om de Jezuïet op een dwaalspoor te brengen.

Uit de taveerne Int Leersken en het veerhuis Het Wapen Van Amsterdam klonk geroezemoes van stemmen. Heel Harderwijk was benieuwd naar tijdingen die van overzee kwamen. De terugkeer van de inquisitie was ook een der onderwerpen van gesprek.

De twee wandelaars zwenkten af door het Heer Aeltsstraetjen, staken de Hoogstraat recht over en volgden de Lage Brugstraat ( nu Pasenstraat) naar de Ossenmarkt. Toen zij deze waren overgestoken, lag de Kleine Oosterwijk voor hen.

Het ogenblik van de overval naderde en Everhardus Doesborgh begon langzamer te lopen. Hij was op zijn hoede, om op het juiste moment in actie te kunnen komen. Scherp tuurde hij door de duisternis voor hem, maar nergens was een teken van leven te bespeuren. De dakranden staken scherp af tegen de lucht, maar beneden lag de straat in een vale mist gehuld.

“Zo, broeder Ludovicus, nog enkele schreden en een deur zal zich achter ons sluiten.”

Hij sprak op luide toon, om door mogelijke luisteraars gehoord te kunnen worden. De vrienden moesten niet de verkeerde persoon aangrijpen. Zo konden zij weten, aan welke kant van de Jezuïet hij zich bevond. Enkele stappen nog….

Twee schaduwen maakten zich los uit de nacht en opeens was er een gevecht gaande in de Kleine Oosterwijk.

“Uw geldbuidels,”werd er gegromd.

Het werd zo gezegd om de Jezuïet te misleiden. Deze voelde zich door sterke handen aangegrepen. Een gegrom welde uit zijn keel.

“Minrebroeders hebben geen buidels, rabauwen,”snauwde hij en zijn vuist schoot uit om zijn aanvallers af te weren. Naast zich hoorde hij Everhardus een kreet slaken en tot de aanval overgaan.

Een hand verdween in de pij en sloot zich om de greep van de ponjaard. Het gelukte hem echter niet, het wapen uit de schede te trekken. De handen van Everhardus Doesborgh knelden hem in een ijzeren greep. Hij voelde, hoe hij achterover werd gedrukt, verplaatste een voet om het evenwicht te bewaren, maar een stoot van Henrick Hase deed hem tegen de grond gaan.

Ergens ging een deur open. Er werd geroepen.

“Snel,”gromde een der aanvallers.

De Jezuïet wilde van zich af bijten, toen een hand zijn gezicht raakte. Hij begreep de bedoeling verkeerd en voor hij zijn vergissing bemerkte, werd hem een prop lappen in de mond geduwd. Het volgende ogenblik werd hij door drie paar sterke handen in een doorgang tussen twee huizen gesleurd.

Er naderden snelle stappen.

De Jezuïet probeerde om hulp te roepen, maar er kwam nauwelijks geluid uit zijn keel. Hij wilde met de voeten zijn belagers van zich trappen, maar een van hen was daarop gaan zitten. Hij was machteloos.

De schreden gingen voorbij.

“Vreemd, ik dacht, dat ik om hulp hoorde roepen,”hoorde hij iemand zeggen.”

“Krolse katten, Wullem,”kwam het antwoord. “Het Klein Oosterwijk ligt verlaten in de nacht. We moeten ons vergist hebben. Ik keer terug naar Marijken.”

Een wilde woede laaide in de Jezuïet op, toen hij hoorde, dat de mannen zich weer verwijderden. Wat was hier aan de hand? Men had om de geldbuidel geroepen. Zeker, die had hij, en goed gevuld ook. Maar was het de mannen daarom wel begonnen? Waarom namen ze hem deze dan niet af? Maar wat was het dan? Had die minrebroeder de verrader gespeeld? Waar was hij gebleven? En waarom moesten ze precies hem hebben? En Waarom hadden de klauwen van een van zijn aanvallers zijn hand weggetrokken van zijn wapen?

Hoe wisten ze, dat hij een wapen bij zich droeg?

Opeens voelde hij, dat een hand in zijn pij verdween en het wapen weggriste. Een koude woede trilde door hem heen. Er was slechts één persoon, die van het bestaan van het wapen wist, of dat kon vermoeden. Everhardus Doesborgh, predikheer van de minrebroeders.

Een verwensing welde op uit zijn keel, maar het gelukte hem niet, deze tot uiting te brengen. Moordlust brandde in zijn ogen, toen hij besefte, dat hij, de slimme spion van de koning van Spanje, zich door doodgewone lompe monnik had laten misleiden. Nauwelijks was hij met zijn werk begonnen of hij was al buiten gevecht gesteld.

De mannen spraken op fluisterende toon. Hij luisterde scherp of hij niet de stem van de minrebroeder kon herkennen. Het lukte hem niet. De raadsels stapelden zich vor hem op.

In de nauwe doorgang was het aardedonker. Door de overstekende dakranden van de huizen kon hij zelfs niets van de sterrelucht zien. Zodoende was het hem ook niet mogelijk, de vorm van de mannenhoofden te zien, die zich over hem heenbogen. Hij herkende niemand.

Een koord werd om zijn pij en benen geslagen en stevig vastgeknoopt. De handeen werden langs zijn lichaam gestrekt en daar gehouden. Ook deze werden vastgesnoerd. Hoe hij ook moeite deed om zich te verzetten, het was alles tevergeefs. De handen die nog bezig waren, waren gespierde handen, wier greep geen ogenblik verslapte.

Een storm van gedachten golfden door hem heen. Hij meende nu met zekerheid te weten, wat men met hem van plan was. Hij was hier niet gewenst in Harderwijk. O zeker, dat had hijzelf ook wel begrepen. Daarom had hij zich in het habijt van de minrebroeders gestoken. Maar wat zou er nu verder met hem gebeuren?

Toen voelde hij zich onzeker worden.

Niemand was van zijn komst in Harderwijk op de hoogte, niemand dan Rutger van Baer en Andrys Roest, de roedendrager, dien Van Baer hem had aanbevolen. Hij had de pastoor in vertrouwenmoeten nemen, dat sprak vanzelf. Hij wist ook,dat deze een trouwe zoon van de moederkerk was. Hij had tevoren zijn informaties heel goed genomen.

Jawel, maar ergens klopte iets niet.

Hij had Everhardus Doesborgh nooit eerder gezien. Vandaag ontmoette hij hem voor het eerst. Deze kon dus met het doel van zijn komst niet op de hoogte zijn geweest. Toen hij het klooster op de Broeren naderde, had hij een monnik uit de poort zien komen en ergens in de stad verdwijnen. Nu hij zich dat weer herinnerde, wist hij, dat het Everhardus van Doesborgh moest zijn geweest. Zeker, maar dat verklaarde niets. Of…….

Een plotselinge verbijstering kwam er in zijn ogen. Dat kon niet mogelijk zijn. Was het de pastoor, die de verrader had gespeeld? Of de roedendrager?

Nee, Rutger van Baer kon het niet zijn geweest. Hij en Everhardus Doesborgh waren gezworen vijanden. Of kon het allemaal komedie zijn geweest? Het was om stapelrazend te worden.

“Heilige moeder Gods,”kreunde het in hem, “help mij, dat ik de hand mag leggen op de man, die mij dit geleverd heeft. De duurste waskaarsen zal ik voor u branden. Kom mij te hulp, opdat ik zijn huichelachtig gelaat op de brandstapel kan zien verschrompelen.”

Een van zijn aanvallers begon te spreken.

“Ik geloof dat hij wat zeggen wil. Nu, laat hem nog maar een poosje zijn mond houden. Niemand is benieuwd naar zijn gebazel.”

Hij kreeg een blinddoek voor de ogen, werd omhoog gesleurd en toen slingerde een der mannen hem over zijn schouder en schuifelde terug naar de straat.

“Naar het verlaten huis bij de Grote Poort,”hoorde hij een der mannen zeggen en daarop zette zich een vreemde stoet in beweging in de richting van de zoutketen, de wijk van de minderen, de arbeidende stand.

Nimmer tevoren waszoiets in de Kleine Oosterwijk te zien geweest. Een optocht zonder toeschouwers.

Toen ze het einde van de straat hadden bereikt, wendde Wolter Hubrechtse zich met zijn last om, om nogmaals de Kleine Oosterwijk geheel af te lopen. De Jezuïet moest zo in de veronderstelling worden gebracht, dat hij ergens heen werd gebracht, ver van de plaats waar de overval had plaatsgevonden.

Ze lieten niets aan het toeval over. De Jezuïet moest in de veronderstelling gebracht worden, dat hij hiervandaan werd gebracht en dat zijn verdwijning in een andere hoek van Harderwijk was geschied. Mocht er ooit eens navraag worden gedaan, dan zou men een verkeerd spoor volgen.

Henrick Hase stiet een deur open en toen waren er opeens nieuwe stemmen.

“Zo, is het gelukt?”

“Het kon niet beter. Everhardus Doesborgh ging er als de wind vandoor. Misschien wilde hij hulp halen. Nu, die zal te laat komen. Hij zal verbaasd zijn.”

Gerrit Zeegers hield een kaars omhoog en liet hetlicht over een der gezichten voor hem schijnen. Hij reeg een knipoogje van de minrebroeder.

“Volg me.”

Een deur ging open. De Jezuïet werd een trap afgezeuld naar een vochtig riekend keldervertrek.

De visser trok aan een haak een brok steen uit de muur en een windstoot floepte naar binnen. Onder zich hoorden zij het zeewater klotsen.

“Zo, ik duik omlaag. Laat de lading voorzichtig zakken. Harderwijk houdt niet van gluiperige spionnen.”

De visser liet zich door de opening zakken. “Klaar.”

De Jezuïet, alias broeder Ludovicus, was niet meer in Harderwijk en evenmin had hij vaste grond onder de voeten. Languit lag hij in een wiebelende roeiboot, dol van woede, omdat hij in de val was gelopen.

Gerrit Zeegers haakte de ketting los waarmee de boot was vastgemaakt en verdween met zijn vrachtje op de Zuiderzee. Langzaam bewoog de boot zich over het dansende water in de richting van het bastion met het blokhuis. Gerrit durfde niet snel te roeien, bang, dat de riemslagen vanaf de muur van het blokhuis gehoord zouden kunnen worden. Het was altijd mogelijk, dat daar wachtposten over de zee tuurden. De drost, Ot van Sande, was een vriend van Rutger van Baer en zou het dus van deze Jezuïet ook zijn. Ze mochten daar niets van merken.

Toen hij de brug naderde, die van het bolwerk naar de oostlanden voerde, trok hij de riemen in en liet hij zich door de wind en he opkomend getij drijven. Er volgden enkele spannende ogenblikken, want een al te ijverige lansknecht zou nieuwsgierig kunnen worden wanneer hij iets op het water zag drijven.

De maan verdween achter een donkere wolk en de visser haalde opgelucht adem. Onopgemerkt gleed de boot onder de brug door. Precies zo ging het bij de Grote – en de Luttekepoort.

Het dak van het melaatsenhuis, tussen Engesteegje en de hoge Sypel, stak als een vierkante massa tegen de lucht af. Uit een der ramen viel een bleek schijnsel naar buiten, het enige teken, dat ergens nog mensen bezig waren.

De boot stootte tegen de wal. Gerrit Zeegers richtte zich op en liet zijn blikken langs de oever gaan. Een schaduw maakte zich los uit de nacht. Hij wierp de ketting op de kant.

Het pak Jezuïet werd op de wal geschoven. Zeegers sprong er achteraan en hielp Wege Elbertse om de last op de kar te tillen en onder een dikke laag stro te verbergen.

“Tot zo ver ging alles goed, Wege,”fluisterde Zeegers. “Nu komt jou taak. Breng hem veilig naar de Harskamp. En je weet niets. Je bent alleen maar voerman, die een vracht af moet leveren. Het zal wel een wat eendelijke tocht worden door de nacht, maar als je eenmaal de karreweg bereikt hebt, kun je rustig wat gaan dutte. Het paard vindt zijn weg wel. Drink niet te veel in de Aanstoot te Otterlo. En morgen zal er in Harderwijk misschien over een mirakuleuze verdwijning gesproken worden. Vaart wel, Wege.”

Einde hoofdstuk 4

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in 't Geuzenjonk van Harderwijck.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *