Mr. Johan Schrassert – Harderwijk als Hanse-Stad.

Harderwijker Courant, 25-02-1931.

 

Mr. Johan Schrassert

Harderwijk als Hanse-Stad.

wapen

 

Bewerkt naar gegevens uit:

  1. Hardervicum Antiquum ofte Beschrijvinge

Der Stadt Harderwyck door mr. Johan Schrassert,

Raad en secretaris derzelver Stadt.

Gedrukt bij Jan Rampen,

Stads-drucker 1730.

  1. Geldersse geschiedenissen ’t Arnhem bij

Jacob van Biesen gewoontelijken Drucker

Van den Ed. Hove van Gelderland 1654,

Door Arend van Slichtenhorst, Reght-geleerde.

( De cijfers verwijzen naar de overeenkomstige

Bladz. Van Schrassert.)

 

  1. Harderwijk, de oudste en in rang de tweede stad van de Veluwe, had reeds een geschiedenis achter zich, toen zij van den zevenden vorst van Gelre, graaf Otto van Nassau hare stadsrechten ontving en van muren en poorten werd voorzien.
  2. Zulks kan men opmaken uit den oudsten brief in het Archief der stad, voorzien met het zegel van voornoemden graaf Otto, genaamd met den krommen of paardevoet, en gedateerd den eersten van Zomermaand van het jaar 1231, waarin gesproken wordt van “Stadt en borgers van Harderwyck, van Jaar- en Weeckmerckten ende van Zutphensche vrijheid” met beding dat “alhier geene hofhoorige ofte dienstbaare luyden mogten Borgers werden; dat zij water-tol als van te voren solden geven en des Graven peerden een nagt á drie in de Stadt vertoevende met hoy ende stro voor niet bezorgen.”

Genoemde graaf Otto heeft de stad stellig een goed hart toegedragen, daar hij haar onder alle heeft uitverkoren om vereerd te worden met het Stamwapen van Nassau, zijnde een gouden leeuw in een blauw veld, bezet met veertien gouden blokjes ( turven?)Harderwijk

Voor dien tijd vertoonde het stadszegel een koggeschip waaruit blijkt, dat Harderwijk reeds lang te voren een plaats van “neeringhe”is geweest en haar inwoners de zee bevoeren eer zij het poorttrecht verwierven.

koggezegel harderwijk

 

Hoogst waarschijnlijk bezaten zij toen reeds een zeker burgerrecht, evenals die van Elburg,

  1. dat in 1368 – 1370 en 1376 onder de Hanse-steden werd gesteld, ofschoon het eerst onder hertog Willem van Gulick door Arent te Boecop in 1395 met een gracht werd omringd. Muren, grachten en poorten behoorden tot de kenmerken en voorrechten van een stad.

Vermoedelijk zullen zich in den beginne op deze plek boeren, jagers en visschers hebben gevestigd, wegens de gunstige ligging tusschen de hooge en wildrijke Veluwe en de vischrijke wateren, die toegang gaven tot het Flevo-meer, dat door het Vlie tusschen Friesland en Holland in verbinding stond met de Noordzee.

Door hevige westerstormen breidden deze wateren zich uit, waardoor de Zuiderzee haar tegenwoordige gedaante kreeg.

Schrassert vermoedt, dat de naam Harderwijk ontstaan is wijck voor de harders of herders, ofschoon hij toegeeft, dat ook andere gissingen bestaan. Wat hieromtrent de waarheid zij, zeker is, dat uit deze visschers, jagers en boeren zich de stad Harderwijk ontwikkelde, wier bewoners zich al spoedig bezig hielden met handel en ambacht. Haar kooplieden, voerlieden en vrachtvaarders strekten hun tochten steeds verder uit. Hun schepen, beloerd door zeeroovers en strandjutters ploegden de golven van Noordzee en Oostzee, terwijl de verbindingwegen met Arnhem en andere plaatsen steeds drukker werden bereden. En al ging het ook langs mulle zandwegen met diepe wagensporen, waarin de Geldersche karren hobbelden, men kende geen andere en was al tevreden, als men slechts bewaard bleef van overlast door gespuis, dat het land onveilig maakte.

En toen omstreeks 1231 Harderwijk zijn reeds genoemde stadsrechten verwierf, was het stellig al een volkrijke plaats, wier bewoners zich met succes toelegden op alles, wat hun welvaart kon bevorderen. In vele oorkonden wordt daarvan gewaagd. Ook weet men daaruit dat hout, laken, wol, koren, visch en bier de voornaamste handelsartikelen waren.

De bewoners van Harderwijk hadden er dan ook het grootste belang bij, dat deze zoo veilig mogelijk vervoerd konden worden. En toen krachtige regeeringen zeldzaam werden en de veiligheid te land en ter zee, steeds meer te wenschen overliet, doordat zeeroovers en roofridders het handelsverkeer ernstig bemoeilijkten, grepen ook de Harderwijkers gaarne een gelegenheid aan om zich te verbinden met een macht, die in staat was het eigendomsrecht te doen eerbiedigen. Die macht vonden zij in het jaar 1285 in het Hanse-verbond, waarvan de koopstad Lubeck het centrum vormde en waartoe o.a. vele Oostzee-steden, maar ook andere als Keulen, Nijmegen en Zwolle behoorden.

Alle leden verbonden zich om elkaar tegen roof bij te staan door de handelswegen te beveiligen. Alle leden genoten van de lusten daaraan verbonden, maar deelden natuurlijk ook de lasten, die naar draagkracht werden omgeslagen.

  1. Zoo vindt men opgetekend, dat nog in 1591 Elburg werd aangesproken voor 480 daalders, maar Harderwijk voor 1200. Zelfs in het jaar 1615 zond laatstgenoemde stad nog afgevaardigden naar den landdag te Lubeck, toen Gelderland nog voor 1000 gld. Werd aangeslagen, waarvan Harderwijk toen 117 moest opbrengen.

Behalve de hier boven genoemde, had de stad nog relaties met Denemarken, Zweden, Noorwegen en Engeland. Er bestaat o.a. nog een handvest uit

  1. het jaar 1376 van Waldamar, koning van Denemarken omtrent kwesties over koopmanschap, rechtzaken, vestiging, belasting, visscherij, privilegiën enz. waarin gesproken wordt over de steden “ahn der Suyder Zehe” met name Kampen, Deventer, Utrecht, Zwolle, Hasselt, Groningen, Zierikzee, Brielle, Middelburg, Arnemuiden, Harderwijk, Zutphen, Elburg, Stavoren, Dordrecht en Amsterdam.

Men ziet, dat, “ahn der Suyder Zehe” wel wat ruim genomen werd.

  1. Verder bevat het archief van Harderwijk nog een brief uit het jaar 1370 van Haakon, koning van Noorwegen en Zweden, waarin hij de Hanse-steden opwekthanzepaard gewichtje tot het bereizen zijner landen, zullende al het mogelijke doen om ze te gerieven.
  2. In een handvest van Eduard, koning van Engeland leest men, dat die van Harderwijk binnen zijn rijk voor eens anders misdrijf of schulden niet mogen vastgehouden worden. Een dergelijk privilegie schonk de Grietman van Franekeradeel hen in het jaar 1323. Tot de belemmeringen van den handel behoorden ook de vele tollen. De overheid der stad was tot groote opofferingen bereid om daaraan te ontkomen. Zelfs de privilegiën van graaf Otto II in 1231 en die van Reinoud in 1348 waarbij een jaarlijksche en wekelijksche markt wordt verleend, vermeldden nog nadrukkelijk, dat watertol verschuldigd is.
  3. In 1372 werd de stad hiervan vrijgesteld door hertog van Gulick, met de belofte, dat zijn zoon, zoo haast hij mondig werd, zulk zoude bevestigen, wat echter niet is geschied. In 1423 gelastte hertog Arnold, dat zijn tollenaren in Gelderland de Harderwijkers vrij van tol zouden laten passeeren. In het volgende jaar werd dat recht bevestigd, doordat hij zijn ambtenaren te Lobith, Nijmegen, Tiel en Zalt Bommel beval de kooplieden van Harderwijk vrij te laten van den oude tol tot wederopzeggings toe. Een en
  4. ander werd bekroond in 1435 toen genoemde vorst de ingezetenen dezer stad door geheel Gelderland, zoowel te water als te land ttolvrij verklaard, althans voor zoo ver het vervoer van eigen goederen betrof en tegen betaling van 3300 Rijnsche goudguldens.

Wij kunnen aannemen, dat de stad met eenigen trots de verworven rechten, die ze heusch niet voor niemendal verkreeg, als kostbare zaken na-ijverig verdedigde, zoo ze werden betwist.

Uit het Privilegie-boeck der stad blijkt verder, dat ook buiten het hertogdom voorrechten en tolvrijdom werd genoten o.a. te Doetichem, Emmerick, Amsterdam en Monnickendam, alsook in Overijsel en Groningen.

Maar genoeg om te doen zien dat de macht en invloed van Harderwijk zich in den Hansetijd uitstrekte tot ver buiten zijn muren en poorten en zijn handel en nering oorzaak waren van grooten bloei.

Daarom is het in zekere zin opmerkelijk, dat de stad niet kon bogen op havans, waaraan pakhuizen en kranen. Op haar oudste afbeeldingen komen twee houten bruggen voor, die in zee uitstaken en waaraan ligplaats kon worden gezocht.

Hanze_IsingsKoggeschipKampen

Dikwijls moesten de paarden tot den buik de zee in, om aldus te laden en te lossen. De pakhuizen waren overal in de stad verspreid en vele wonongen waren zoodanig gebouwd, dat de voorhuizen veel ruimte met een verdieping bevatten. Aan enkele zeer oude huizen kan men zulks nog opmerken. Alleen de Donkerstrate scheen hierop een uitzondering te maken. Zij gaf een indruk van deftigheid en leek op sommige deelen van Hanse-steden als Hamburg en Lubeck.

Hanze_hijskraan

Laat ons nu eens nagaan hoe het oude Harderwijk in den tijd van zijn grootsten bloei er kan hebben uitgezien. Zeker was de stad grooter dan thans. Zoo wijst Schrassert er op, dat buiten de Luttekepoort de Nicolaas-kerk stond en de weg er heen de Kerkstraat werd genoemd. Deze kerk moet zeer groot zijn geweest en is waarschijnlijk gesticht in het begin der 13de eeuw, door brand verwoest in 1415, waarna de overblijfselen zijn afgebroken om te dienen voor den bouw der Mariën- of Vrouwenkerk. Deze nog voor een deel bestaande kerk, kwam na de reformatie aan de Protestanten en werd bekroond door een grooten toren zonder spits. Sommigen meenen, dat deze spits niet werd afgewerkt wegens gebrek aan middelen. Het is echter ook wel mogelijk, dat men daarvoor een bedoeling heeft gehad, de bedoeling n.l. om ’s nachts op het plat van dien toren een vuur te doen branden, waardoor hij als baken in den nacht voor den zeeman kon dienen. Vele torens zonder spits hebben op deze wijze als vuurtorens gediend. Ook ten opzichte der kloosters was de stad niet misdeeld. Zij telde er drie voor mannen en vier voor vrouwen, die door schenkingen ten slotte meer dan een derde der geheele stad tot haar bezit konden rekenen.

Grote-kerk1

  1. Schrassert zegt er van: “ ende gy sult in de Stadt qualick een Huys en in de Vryheid nauwlicx een Stuck lands vinden, dat met de eene of andere last niet beswaart is tot het branden van kaarsen, doen van Beevaarden, de een of andere dienst op een altaar ofte tot yts anders”.

Van het Augustijner-Nonnenklooster bij de Korenmarkt waarover doorgaans een Abt werd gesteld uit het Klooster te Windesheim bij Zwolle, waarvan het een dochter was, wordt gezegd, dat het buiten het Schependom, dus buiten het rechtsgebied der stad, in de “ Arce-Meken sou beseten hebben over de hondert Mergenlants”. Dat de Grauwe Zusteren stond, waar later de Munt werd gevonden.

Het meest begiftigde klooster, bekend als “ de Broeren” wat dat der Franciskaner Minderbroeder, ’t werd door de vrome Eleonore, gemalin van Reynoud II opgericht tegenover het stadhuis. In later tijden is het door brand vernield. Slichtenhorst zegt er van, dat “d’ aengeleehen merckt van zijn afbreuk is verbetert”.

    Ten slotte dient nog genoemd te worden het Johanniter-Klooster in ’s Heeren-Loo op een uur afstand der stad gelegen en gesticht in 1403, wier monniken Malthezer ridders waren. Het Klooster werd ook wel St. Jans-daal genoemd, daar het aan Johannes den Dooper was gewijd. Soms namen zijn bewoners hun verblijf in de stad in het St. Jans-Dal tegenover het Catherine-Klooster.

Hier boven zagen wij reeds, dat de markt niet zoo groot was als thans door het Broeren-Klooster, zij was nog meer verkleind, door de Waag, bij den ingang van de Bruggestraat gelegen.

De bewoners van het Frater- of Broederhuis, gesticht in 1441, hielden zich in het bijzonder bezig met onderwijs en onderscheidden zich als broeders der Gemeenen levens door vromen levenswandel, waarop de stichter hunner orde, Geert Groote van Deventer, zeer den nadruk had gelegd, al legden zij geen eigenlijke kloosterbeloften af.

Deze broederschap heeft zich verdienstelijk voor de stad gemaakt en kwam daarbij tot hoog aanzien. Het Fraterhuis groeide daarbij uit tot de zoogenaamde “ stadsscoele”, later als Veluwsche of Latijnsche school bekend. Van welke beteekenis deze school was, blijkt uit het feit, dat bij den grooten brand, die in 1503 Harderwijk voor het grootste deel verwoestte, 350 inwonende latijnsche leerlingen zijn verbrand.

  1. Een plakkaat van het jaar 1540 vermeldt, welke wetenschappen alhier van ouds werden onderwezen en welke vrijheden den scholieren waren vergund.

Ook vernemen wij er uit, dat er in genoemd jaar reeds een drukkerij binnen de veste is geweest, toen de eenigste van geheel Gelderland.

Een parel van hooge waarde in haar stedekroon ontving de stad, toen de Munt binnen haar wallen werd gevestigd. In 1282 had Reynoud van Nassau van Keizer Rudolf het recht verkregen van keizerlijke munt te slaan binnen Arnhem, welk recht door Rudolfs nazaat, Adolf van Nassau werd bevestigd onder toevoeging dat hij de “muntwinckel” van Arnhem naar Roermond of Harderwijk mocht overbrengen. Willem van Gulick, hertog van Gelre en graaf van Zutphen gaf hieraan gevolg en verplaatste in 1379 de Munt naar Harderwijk.

215amuntwerkplaats

Het geld hier geslagen vertoont het wapen der stad en had een zeer goeden naam wegens gehalte en gewicht, zoodat het overal werd aanvaard.

Dat de stad het feit hooglijk waardeerde, blijkt uit een vierregelijk gedichtje, waarin zij na den grooten brand van zich zelve zegt:

“ Wat deerlijck ongeval en vuiyr van weinig uiyrhen”

“ Heeft mij tot asch gemaakt en tot ee Zeboïm?”

“ ‘k Ben frayer als voorheen mijn school zal immer duiyren”

“ Mijn afslag en mijn Munt; mijn schade is maar schim.”

 

    Daarmee bedoelende: “als ik mijn school, mijn vischafslag en mijn Munt maar mag behouden, dan komt de rest wel terecht”.

Het verwondert daarom wel een weinig, dat slechts een nietig straatje als de Muntsteeg het feit vereeuwigt”.

Ten slotte nog iets over haar rechtspraak als bewijs van haar aanzien. Schrassert zegt ervan:

Niet alleen het recht om Gecommiteerden te zenden naar Lands-en Quartiersvergaderingen, Camer van finantie, uitzending der verponding enz. wat de stad met vele andere gemeen had, maar wat van hooger waarde

  1. was, “ zy heeft van onverdenckelyke tijden gehad, geoefent en gehandhaaft het Hoge Gebod, uit kragte van ’t welcke haaren Raad met de gemeinte maacken haare Wetten en Willekeuren sonder den Vorst of syne Raden daarvoor te versoecken.”

    Hare jurisdictie strekte zich uit zoowel over civiele als crimineele zaken tot het “Hoog hals gerigt”toe en “sonder Appel”, wat slechts de aanzienlijkste steden bezaten. Er werd dus gerecht met Roeden en Brandmerken, met strop en zwaard, vuur en water “ ofte op eenige andere wijze na verdienst van de misdaad, ende sulks op plaetse van olds daartoe beraemt.” ( Galgenberg en Markt.) Harderwijk placht dan ook voorzien te zijn van een “ bequamen Scherprechter.”

    Uit een en ander blijkt dus wel, dat Harderwijk in de 14de en 15de eeuw, dus in den bloeitijd van het Hande-Verbond, een stad van beteekenis was, die door een uitgebreiden handel relaties onderhield met vreemde landen en vorsten, een stad, die ook op geestelijk en wetenschappelijk terrein licht uitstraalde en wier bewoners zich verheugden in groote welvaart en prat mochten gaan op vele voorrechten, dikwijls met groote opofferingen verworven.

Na tot dusver meer of min uitvoerig te hebben stil gestaan bij de stad, zooals zij zich naar buiten onder allerlei verhoudingen openbaarde, dienen wij thans eens het licht te laten vallen op haar voorkomen en het leven harer burgers, waartoe natuurlijk ook de inwoners van Hierden en Tonsel behoorden, die wel eens als grasborgers werden onderscheiden wederom onder de leiding van Schrassert en Slichtenhorst.

Na de verwerving der stedelijke rechten was versterking der stad tegen vijandelijke troepen een onderwerp van aanhoudende zorg der vroedschap. Groote uitgaven heeft zij zich daarvoor getroost, gesteund door vorst en gewest. Zoowel van zee-als van landzijde werd hard gewerkt om muren, grachten, wallen en poorten te versterken en waar noodig, te voorzien van rondeelen, bastions en blokhuizen.

738px-Het_oude_Blokhuis,_reproductie_uit_boek_-_Harderwijk_-_20100963_-_RCE

Deze laatste zijn versterkingen met dikke muren, en woongelegenheid voor soldaten.

  1. De stad telde er twee, het Wester-Blockhuys, waarschijnlijk gebouwd door Reinoud van Gelder omstreeks 1310, en het Ooster-Blockhuis, gebouwd in 1539 met bewilliging van den Magistraat door Willem van Cleve, hertog van Gelre, “ter saacke” van een oploop en misnoegen tusschen de stedelijke overheid en de Borgerye.

Zooals men ziet ook toen boterde het niet altijd tusschen overheid en bevolking.

Genoemde blokhuizen stonden steeds onder een vertrouwd bevelhebber of Drost.

In de muren, die de stad omringden, bevonden zich poorten, waarvan de namen nog voortleven in de straten, die er heen leidden. De Vischpoort is de eenigste, die nog bestaat. Bij deze poort strekte zich de Lage brug in zee uit als ligplaats voor de visschersvaartuigen, die er hun visch losten, die werd afgeslagen op de Vischmarkt, waaraan de Korenmarkt grensde. Op de laatste staat  thans een twaalfklassig schoolgebouw. De brug aan de Bruggepoort werd de Hooge brug genoemd als los- en laadplaats voor vrachtschepen in gebruik.

De poorten werden ’s avonds door den poortwachter gesloten. Smeepoort en Luttekepoort werden beide geflankeerd door twee torens, die zeer tot verfraaiïng bijdroegen.

Uit de namen van vele straaten is nu nog op te maken, waar smeden, wollewevers, volders, schoenmakers, brouwers enz. hebben gewoond. Men scheen toen niet zoo bang voor concurrentie te zijn. Ieder was opgenomen in zijn eigen vereeniging, gilden geheeten en meestal naar een heilige genoemd. Deze gilden hadden hun eigen vrijheden en wetten en dikwijls een eigen altaar in de kerk. Zoo telde de Mariën- of Vrouwenkercke 20 altaren, zeer fraai en met rijke inkomsten begiftigd.

Het voornaamste gilde was dat van St. Joris, gesticht omstreeks 1461, waartoe behoorden schippers, kooplieden, scheepstimmerlieden en in ’t algemeen de gegoeden, die geen handwerk beoefenden. Bij meer dan een gelegenheid gaf het groote bedragen in geld ten algemeenen nutte, zoo in 1639 voor het maken van een steiger 400 gld. en in 1650 voor het graven van de haven, waardoor de stad in zware schulden raakte, 6000 gld.

De belangen van elk gilde waren toevertrouwd aan de gildemeesters. De Groote dag was die van het gilde feest; groote hoeveelheden gildebier werden dan gedronken. Nauwkeurig werd toegezien op den arbeid van de leden van het gilde. Daarvoor moesten de waardijns en staalmeesters zorgen. Geen stuk laken werd verkocht of het was eerst gekeurd en van het zegel voorzien. Harderwijksch laken had een goeden klank onder koopers.

De onderscheiding in leerlingen, gezellen en meesters, het maken van een meesterstuk en de keuring daarvan werkte mede tot veredeling van het ambacht.

Toch zal de beunhazery ook in Harderwijk niet onbekend zijn geweest. Langzamerhand kregen de gilden ook invloed op de stadsregeering. Al hadden in de meeste steden uit dien tijd de gewone burgers daarop weinig invloed, daar zij berustte bij de vroedsten en de gegoedsten, onderscheiden in Burgemeisters, Schepenen en Raad, die zich gewoonlijk zelf aanvulden en daarvoor liefst hun vriendjes en

  1. familie gebruikten, toch deelt Schrassert mede, dat in het jaar 1490, toen de stad in finantiële moeilijkheden verkeerde, voor het eerst uit de gilden Gemeensluyden werden gekozen.

Om aan den drang der burgerij te voldoen, die meer invloed in geldzaken eischte, hebben Schepenen “ 24 goede mannen”, uit de elf bestaande gilden tot den Raad toegelaten, daarbij belovende buiten hen geen krijg te zullen aanvangen, de inkomsten der stad niet te zullen bezwaren of te vervreemden, nog eenige nieuwe “ Ongelden” over de burgerij in te voeren. Naderhand is het getal 24 tot 12

  1. teruggebracht, “ welcke jaarlyks na Pauli bij Schepenen werden genomineert uyt een dubbel getal door de Gildemeesters der gequalificeerde Gildens aan de Magistraat gepraesenteert”.

Waar welvaart heerscht besyaat neiging tot weelde en gaat men gasterijen en slempen op een wijze, die “ der luyden staet en neeringh veeltijds te boven gaen”.

De overheid vond, dat zij daarop moest toezien en stelde daarom een keur in, die het gebruik van spijs en drank regelde op hoogtijden bij geestelijk en wereldlijke overheid, alsook bij particulieren. Nu het mocht ook wel, want het liep bij bruiloften, kraam- en rouwmaaltijden wel een weinig de spuigaten uit.

Uit de bescheiden in het archief blijkt, dat ook de armenzorg niet werd verwaarloosd. Wekelijksche en jaarlijksche uitkeeringen van voedsel, brand en kleeding waren nauwkeurig omschreven. Zelf werden beurzen gesticht om arme scholieren in hun studie te steunen.

Haar godsdienstzin toonde de burgerij door het stichten en begiftigen van kloosters en altaren. Het Kercke-boek is hiervan vol.

In het Geertruiden-Gasthuys, dat al reeds in 1336 wordt genoemd, vond de arme “reysende man” zijn nachtrust en “ gerack”. Uit vromen zin was er nog een fraai kerkje aan verbonden benevens een weem of woning voor een priester of zieckentrooster. Ook leest men in het reeds genoemde Kercke-boek van het H. Geest-gasthuis, door Evert van Wedechem of Wenkum in 1555 in het leven geroepen. Hij stelde daarvoor zijn nieuw steenen huis in de “ Hoge-straete”en uitkomende in de “Merckt-straete”, beschikbaar. Tot ondersteuning van gebrekkigen diende het Jurriens-Godshuis door de zeevarende luyden van Harderwijk in 1344 gesticht na consent van den bisschop.

Tollen speelden, zooals we reeds zagen een belangrijke rol in het leven der menschen in die dagen. Elke stad had ze en tolvrijheid was een groot voorrecht. Vooral bier leende zich zeer gewillig voor tolheffing. ’t Werd hier, maar vooral door de Noorsche volken, veel gedronken, zoodat Slichtenhorst van hen zegt:

“ Sy speelen all den nacht en queelen op de bank”

“Nabootsende de Wijn door Gruyt en peeredrank.”

  1. De Gruyt, zoo werd de belasting op het bier genoemd, kwam in 1399 voor 6 jaar aan den Raad van Harderwijk voor 390 ponden per jaar ( een oud schild op 3 ponden berekend.) En in 1418 verpachtte Reynoud van Gulick hen gedurende 18 jaar de Gruyt voor 410 ponden ’s jaars. Ook particulieren pachten meer dan eens de tollen. Zoo leest men, dat Geerhart van Tellicht en Herbert Koeck hier de weggelden pachtten.

Wat men er onder verstond bleek uit het volgende tarief.

“ Wechgelt voor een peert, os of koe….1 halve stuiver.”

“Wechgeld voor een verken of schaap….een oortjen.”

“Wechgelt voor een Arnhemsche kar…. Een doyt.”

“Wechgelt voor een Overijsselsche kar van Doetichem en Doeschburg….een stuyver.”

“Voor elk peert in de wagen comende van Utrecht, Amersfoort ende Wageningen…1 halve      stuyver.”

    Als besluit nog iets over de visscherij op de Zuiderzee, die meermalen aanleiding gaf tot fellen strijd met vreemde visschers, die soms de visch wegvingen tot onder den rook der stad. Toen Harderwijk echter het stapelrecht en de afslag van visch verkreeg, gevangen tusschen Muyden en Kampen, stonden haar visschers rechten sterker, maar ’t gaf aanleiding tot een strijd met die van Naarden, die in het voordeel van Harderwijk werd beslist.

1402_koggeschip

Ook tegen de elementen had het oude Harderwijk te kampen. Zoo woedde in 1367 een hevige storm, die torens, molens en boomen omwierp en vele Harderwijker schuiten met haar bemanningen liet verzinken. En het leed van den oorlog, bleef de stad evenmin gespaard zooals, in 1373, toen de graaf van Bloys haar tijdens de twisten in het hertogdom veroverde, plunderde en de “boeren koeteu” uitmoordde. Nog wist zij zich van dit alles te herstellen, tot haar in 1503 de grootste ramp trof, de noodlottige brand, die haar binnen eenige uren tot een puinhoop maakte en honderden menschenlevens kostte. Dat deze brand binnen zoo korten tijd tot zulke vreeselijke gevolgen leidde, moet hoogst waarschijnlijk worden toegeschreven aan de volgende omstandigheden: krachtige wind – groote droogte – vele houten woningen met rieten daken – hooibergen in de stad – weinig water – nauwe straten en geen brandweer.

Wel verrees de stad weder als een fenix uit de asch en had zij goeden moed, zooals uit het reeds aangehaalde versje naar voren komt, maar haar bloeitijd was ermee afgesloten. Het ging haar als het Hanse-Verbond, waarvan zij eenige eeuwen een voornaam lid was geweest. Beider macht en invloed begonnen te tanen. Beide hadden de stroom van den tijd tegen zich. De dagen dat Harderwijker koggen en Geldersche quacken en kraecken voldoende waren voor de koopmanschap ter zee, waren voorbij. De handel eischte vaatuigen van grootere afmetingen en diepgang, waaraan de zee aan de Geldersch kust niet kon voldoen.

Nimmer gaven de kloeke burgers de strijd op, aldus een exempel gevende aan het nageslacht van volhouden en niet desepereeren, het nageslacht, dat heden uit genegenheid op feestelijke wijze wil herdenken het 700-jarig bestaan van zijn stad en met trots terug ziet op het groote verleden, den ondernemingsgeest en den burgerzin zijner vaderen in de Hansetijd, den tijd van den grootsten bloei van Harderwijk.

22 Februari 1931.                                        H.

   

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *