Naar de buurschappen Hunnen en Zoelstraat, tusschen Putten en Nijkerk.

 

 

 

Wandeling

Naar de buurschappen Hunnen en Zoelstraat, tusschen

Putten en Nijkerk.

 

Van Kapitein Haasloop Werner.

 

Het volgende stukje meenen wij bijzonder den lezer aan te mogen bevelen.

Vooreerst: Om het rijke gebied van geschiedkundige oudheid hier reeds gevonden.

Ten tweede: Opdat er meer bepaald onderzoek door eenig oudheidkundige te dier plaatse geschiede.

Ten derde: Omdat dit stukje ons zeer geschikt voorkomt tot de grondstof voor eene romantische – historische ontwikkeling, waartoe wij gaarne de bladen van den volgenden Volk – Almanak openen zullen, tot premie stellende een compleet exemplaar van den Gelderschen Volks – Almanak.

Ten laatste: opdat men, ook op andere plaatsen, oude namen van erven, grondstukken, enz. in betrekking tot de geschiedenis brenge en met den oudheidkundigen voorraad, op die plaats aangetroffen, vergelijke.

 

Wij zaten op eenen schoonen morgen in een der voorvertrekken van het logement te Putten, zamen te overleggen, of wij den straatweg op Nijkerk zouden vervolgen, dan of wij eerst het gehucht Hunnen en Zoelstraat, met de nabijgelegene Veldverschansingen zouden gaan bezigtigen. Een der aanwezigen, van ons voornemen hoorende, sprak het ongunstige vonnis uit, dat de Ridderwal en de omliggende versterkingen behoorden tot die merkwaardigheden, welke men zien moet, om toestemmend te kunnen antwoorden op de vraag, of men die gezien heeft, maar dat zij overigens weinig te beteekenen hadden. Wij waren echter met dit doel, en niet geheel onvoorbereid op reis gegaan; hadden bij dezen en genen, welke die streken kenden, inlichtingen bekomen en zoo verlieten wij nog vóór den middag het logement. Na een uur wandelens in eene noordelijke rigting op den weg naar Voorthuizen (In 1009 werd een godshuis, behoorende tot de kerk te Voorthuizen, gesticht uit de bezittingen van Meinwerks moeder, welke Diederik bij den Eltenberg arglistig had laten ombrengen, waarbij ook Putten met zijne aanhoorigheden genoemd wordt. Hoe anders moet het er hier uitgezien hebben, toen de hofstede de Ridder de verzamelplaats was der ridders met hunne knechten en knapen, rossen en allerlei geharnaste mannen; en de Maalmannen in zich vereenigde, of misschien eene verzamelplaats was van al wat vrij was en regt op het dragen van wapenen had. Immers de ligging dezer beide plaatsen, juist tegen over den wal en als het ware daardoor gedekt, wijst op eene bijzondere betrekking van den Ridderwal, tot de Ridder en Malenstein. Toen was hier een schouwtooneel zoo woest, als nu dat oord stil en vreedzaam ligt. Dat breken van lanzen in spiegelgevechten, dat nederzitten bij den schuimenden beker om wapenfeiten te bespreken, dat rijden en rossen heen en weder, dat telkens toestroomen van andere doolende ridders, om mede deel te nemen aan stroop- en veldtogten, hoe zal het deze schoone landstreek, die thans niet dan vrede ademt, een woelig aanzien hebben gegeven. Achter den wal lagen zij veilig.) bevonden wij ons in de buurschap Hunnen, daar ook grafheuvelen gevonden en meermalen scherven van urnen ontdekt worden. Wij waren ten noordwesten gevorderd tot bij den Malenstein en bij de Ridder, thans twee bouwmans – woningen in een zeer schilderachtig landelijk oord.

Hier rijst een toren, dáár, een rietendak omhoog,

Terwijl van lieverlee gehuchten, dorpen, steden

Voor ’t uitgebreid gezigt zich aan de kim verbreden,

En overal de rook, wien half de zon beschijnt,

Eerst als een zuil verrijst, dan als een wolk verdwijnt.

Feith.

    Het is de Ridderwal, die zich hier nog in zijnen oorspronkelijken vorm vertoont en eenige gelijkenis heeft met eene halve vierkante Redoute, gediend hebbende als Retranchement van een legerkamp, vóór welks frontlijn, op een behoorlijken afstand, nog eene Vierkante Redoute gelegen is, die men de Kruishaar noemt; eenigzins verwijderd van deze is een ronde heuvel opgeworpen.

Kruishaarderberg Nijkerk

Terwijl in de noordelijke rigting, tusschen de Kruishaar en den Allermolen, eene Ronde Redoute ligt, de Rendelerberg of Malenpoll genaamd.

Deze gedetacheerde veldwerken ter verdediging aldaar opgeworpen, boden, uit een krijgskundig oogpunt beschouwd, genoegzaam wederstand, om aan hulptroepen den tijd tot aanrukken te verschaffen, terwijl de genoemde hoogtens tot vooruitgestelde posten bestemd waren.

Wanneer men de natuur kon verdacht houden van zoo natuurlijk gestemd te zijn, zoude men zegge kunnen: dat de vlakte, welke wij betraden, opzettelijk aldaar lag uitgestrekt, ten behoeve der volkeren, om er hunne geschillen te beslechten.

Wat de Ridderwal betreft, deze zoude hare benaming verkregen hebben naar de ridders, welke in het begin der XVde eeuw, met Gelderland tegen Holland en Utrecht verbonden, hier gelegerd geweest zijn.

De bestaande frontlijn, welke in eene rigting van het zuid- oosten naar het noord- westen ligt, heeft eene lengte van 500 en eene hoogte van zeven el; zij is aan beide uiteinden regthoekig afgerond en men ziet duidelijk, dat zij hier opgeworpen is, om den vijand van Amersfoort te kunnen gadeslaan. De binnenruimte is thans bouwland, terwijl de buitenomtrek met hout bepoot is.

Bij gelegenheid van het omzetten van den grond daartoe vond men, voor eenige jaren, in den grond, vijftien looden kogels, ter grootte van een stuiter ( dubbelhaaks kaliber) benevens eenige gebakken steenen kogels van drie Amsterdamsche duimen middellijn, zoo als men destijds gewoon was uit donderbussen met donderkruid te schieten. ( De eerste kanonnen waren zeer onvolmaakt en onvoldoende en barsten of sprongen bij het eerste schot; zij werden uit hout, ijzer en lood vervaardigd, ja zelfs gebruikte Gustaaf Adolf nog kanonnen van leder gemaakt. Naderhand vervaardigde men dezelve van bladijzer door ijzeren hoepels omsloten, tot dat men eindelijk, onder de regering van Karel V,( 1516 – 1555) de kunst verstond, om dezelve te gieten en te boren. Van het oogenblik dat men bussen, dat is, kanonnen begon te gebruiken, begon men het poeder met den naam van buspoeder of buskruit te bestempelen.)

schietbuis of bus

    De Kruishaar, eene vierkante redoute, zoude zijn naam verkregen hebben naar de Hoogte ( Haer of Harec, gewijd bosch), op welke dezelve is aangelegd en waarop vroeger een kruis, als grensscheiding van het gebied van Nieuwkerk, gevonden werd, welke grenssteenen allen uit kruisen bestonden, blijkens den giftbrief van hertog Reinald van het jaar 1413. Voor deze meening echter bestaat geen ander gezag.

Deze vierkante redoute heeft 106 ellen lengte aan iedere zijde, en aan den zuidelijken regthoek eene hoogte van twaalf ellen.

Eenige licht over deze plaats, moge de volgende geschiedenis, in deze omstreken plaats gevonden, verbreiden.

In het jaar 1407, de heer van Arkel zich onmagtig vindende, om zijne landen te beschermen, droeg deze al zijn regt over dezelve op, aan den hertog van Gelre, Reinald IV, en deze overdragt was de grond van eene geweldige verbittering tusschen de Gelderschen en de Hollanders, welke in dadelijkheden ontaardde. Men trof echter een bestand voor drie jaren, die zoodra niet verstreken waren, of de Hollanders zonden eenige welbemande schepen op de Zuiderzee, om de scheepvaart en visscherij tegen die van Harderwijk en Elburg te beschermen. Graaf Willem verleende toen gelijktijdig aan de ingezetenen van Amersfoort eenige voordeelen en vrijheden, waarvoor deze hem toestonden, om uit hunne stad de aangrenzende Veluwe naar welgevallen af te loopen, brand te stichten en de omliggende plaatsen te verontrusten. De Amersfoorters moesten dit eerlang ontgelden en ofschoon er tusschen hen en de Gelderschen een verdrag was gesloten, ontzagen deze laatsten zich niet de Kamp en voorstad te overmeesteren en meer dan twintig huizen in den brand te steken. Met april 1412 liep dit bestand ten einde en nu werd, van stonden aan en gedurende het grootste gedeelte van het jaar, de Veluwe door de Hollanders, die steeds eene aanzienlijke krijgsmagt te Amersfoort onderhielden, in bestendige onrust gehouden. Om aan het branden en blaken perk te stellen, zond de hertog den jeugdigen Willem van Arkel, maarschalk van Gelre en Gulich, te velde, die, op last van zijnen oom en hertog, de schans Hoevelaken, op de grenzen der Veluwe, een uur van Amersfoort gelegen, met eene sterke magt innam, van het noodigen verzorgde en daarbij nog eene andere sterkte opwierp, opdat beide vesten elkander wederkeerig mogten beschermen. Maar de heeren van Kuilenburg en van Vianen en Arnold van Leijenburg trokken op, aan het hoofd der hunnen, in vereeniging met de Amersfoortsche burgers, verdreven de bezetting, staken de brand in het slot en spoedden zich, stouter door den voorspoed hunner wapenen, naar Nijkerk, van waar zij met een aanzienlijken buit en een aantal gevangenen, naar Amersfoort wederkeerden.

Tegelijk hielden de Hollanders met hunne welbemande baardsen en roeischuiten de Zuiderzee zoodanig onveilig, dat die van Harderwijk en Elburg hunne scheepvaart moesten staken.

Acht jaren later wordt er nogmaals van groote krijgstoerustingen in dienzelfden omtrek gewaagd, doordien destijds ook den Gelderschen gemengd waren in de hevige onlusten, tusschen Jacoba en haren oom Jan van Beijeren ontstaan. De bisschop Frederik van Blankenheim, bijgestaan door heer Willem van Brederode, heer Jan, burggraaf van Montfoort, heer Philips van Leiden, heer Jan van Heemstede en Benthuizen en daarbij nog alle Hoekschen, die uit Holland verdreven waren, kondigden den hertog Jan van Beijeren den oorlog aan.

Terwijl nu de bisschop met dezen oorlog tegen Holland onledig was, verbond zich hertog Reinald van Gelre en grave van Zutphen met hertog Jan van Beijeren tegen de steden Utrecht en Amersfoort, waarbij hertog Jan beloofde Amersfoort aan Gelre te zullen hechten, indien hij meester dier stad werd; en hierop ontzeide ook hertog Reinald den bisschop de vriendschap, welk voorbeeld ook nog door hertog Adolf van den Berg, heer Diederik van Meurs, heer Diederiks broeder, Otto, bisschop van Trier, den bisschop van Munster en heer Herbert van Kuilenburg gevolgd werd. Den 17den mei 1420, namen hierop de vijandelijkheden eenen aanvang en hertog Reinald verontrustte het sticht door dadelijkheden achtervolgd. Ondertusschen werd door den heer Jakob van Gaasbeek en Abcoude, kort te voren, door hertog Jan gewonnen, uit zijne stad Wijk, het sticht in onrust gehouden en daarbij Amerongen, Doorn en Zeist in kolen gelegd, en Reinald bragt te Nijkerk, Barneveld en elders langs de grenzen een aantal krijgsvolk, nevens mondvoorraad en oorlogsbehoeften, als tot eene groote toerusting, te zamen. Nevens donderbussen, bussteenen, donderkruid en pijlen, weerden boter en kaas van Lobede; – stokvisch van Zutphen in groote hoeveelheid aangevoerd; ook ontbrak het niet aan wijn, bier en andere verkwikkingen.

Om de donderbussen en bussteenen door het zand van Arnhem naar de legerplaats voor Amersfoort te vervoeren, werden vier groote eiken houten, denkelijk als rollen, gebezigd.

De stad Arnhem leverde tot dezen togt, 45 glaviën (lansen) en 300 (IIIc.) wapentuers.

Bij den schrik, welken dit een en ander in Amersfoort verspreidde, viel het niet moeijelijk den omtrek dier plaats plat te branden, en, wat door het vuur gespaard werd buit te maken.

De aankomst van bisschoppelijk krijgsvolk deed de Gelderschen echter spoedig wijken. – Maar den 30sten juni viel eene meer belangrijke schermutseling voor, in welke zij de bovenhand schijnen gehouden te hebben en 47 gevangenen wonen. – Intusschen werd niets ondernomen, wat tot eenige beslissing kon leiden. Ook niet in de volgende maand, toen de hertog zich andermaal, nu door Munstersche, Keulsche en Guliksche krijgsbende versterkt, vóór Amersfoort neersloeg.

veldslag middeleeuwen

De bisschop van Munster zelf bevond zich mede in het leger, en de meer dan gewone toerustingen deden weder eenig belangrijk wapenfeit verwachten, maar het schijnt ( zoo als de legers van die tijd een Babel van meest verschillende volken en tongen leverden), dat in het, uit zoo veelsoortige bestanddeelen samengestelde leger, verdeelheid heerschte; althans na twee dagen brak men reeds weder op en trok de bisschop naar zijne staten, de hertog Reinald naar Rozendael terug, terwijl voor het einde der maand juli ook de Guliksche ruiters weder over de Maas waren.

In het volgende jaar kwamen de Utrechtschen geduchte wraak nemen over den geleden hoon. In juni plunderden of verbrandden zij Barneveld, Nijkerk, Putten, Ede en omliggende dorpen, en in october stelde de bisschop Frederik van Blankenheim zelf, in een wagen of draagkoets gevoerd, zich aan het hoofd van een leger van 6000 gewapende voetknechten en 500 ruiters; drong door, langs Renkum en Wageningen, tot Velp en den omtrek van het vorstelijke slot, verbrandende en een aanzienlijken buit met zich voerende.

De Gelderschen, onder aanvoering van Gijsbert Piek, van Gaasbeek, Egmond en Kuijlenburg deden nog in dezelfde maand even verwoestende invallen in het sticht, waarbij Amerongen, Houten, en wat verder aan die zijde in het voorgaande jaar der vernieling ontkomen was, in de asch werd gelegd; ook overvielen zij in november uit eene hinderlaag de ingezetenen van Rhenen, van welke eenigen gedood, anderen gevangen genomen werden, maar die van Utrecht namen Wageningen in, waar Hendrik van Homoet met 100 man in hunne handen viel, waarna zij die plaats aan plundering prijs gaven en verbrandden.

Deze vierkante eenzaam gelegen redoute, de Kruishaar, mag misschien reeds vroeger aangelegd geweest zijn, om tot eene veldverschansing te dienen, terwijl naderhand, bij den grooteren toevloed van ridders en Maalmannen, (De ingezetenen, of liever geërfden, van verschillende kerspels op de Veluwe, worden met dezen naam onderscheiden; men vindt daar ook loschmalen, malengeregten, malenvelden. Buiten de Veluwe, in de gedeelten tusschen de Rijn en de Maas, gelijk ook in het Zutphensche kwartier, komen deze benamingen niet voor. Het schijnt dus, dat men het moet afleiden van en verklaren uit den bijzonderen toestand der Veluwe in vroegere eeuwen. Nu is het bekend, dat nagenoeg dit gansche gewest oudtijds een villa was, waar de graaf al de regten, aan den grondeigendom verknocht, uitoefende. Daar had hij aan verschillende oorden zijne curtoe of hoven, waar zijne eigenhoorigen, hetzij in verspreide, hetzij in tot gehuchten ( maneria ) vereenigde casae wonend eigenhoorigen, een gedeelte van den opbrengst der heerengoederen, die zij bebouwden, moesten afleveren, waar zij hunne schattingen betaalden, wegens overtreding der hofregten beboet werden, hun graan op den molen bragten, hunne gruit haalden, enz, enz.

   In den aanvang der XIV eeuw, misschien reeds vroeger, werden hier veel eigenhoorigen gevrijd. Zelden echter traden zij dadelijk in den stand der vrijen, zij werden laten, of malmannen genoemd.    I.A. Nijhoff. ). De Ridderwal tot eenen veel grootere verschansing bestemd was, maar niet voltooid werd. Op deze gedachte kwam ik, toen ik het keurig geteekende kaartje van den heer Haasloop Werner beschouwde. Misschien stamt de ronde heuvel de Renselerberg of Malenpoll uit veel oudere tijden en bevat in zijnen donkeren schoot nog wel eenigen lang bewaarde oudheid. Genoeg; deze grensstreek van twee magtige provinciën mag misschien van ouds eene grens geweest zijn tusschen volksstammen, die elkander vijandig waren. Zoo was er dan wel geene plaats meer geschikt tot eene tooneel des oorlogs, en het verblijdt ons, dat de heer Werner Haasloop eene menigte kleine bijzonderheden heeft vermeld, die te zamen genomen eenen juisten blik verleenen in de vroegere in de vroegere geschiedenis van dit oord.

O.G.H.

    Van hunnen gemeenen naam malmannen nu, afkomstig welligt van het Saksische maal, ( lex, judicium, ook in het middeleeuwsch latijn mallum), dat gerigt, hetwelk door den graaf of zijne ambtman, veelal onder het lommer van eenen breedgetakten boom, op den voorhof van het kasteel der curtis plagt gehouden te worden, waar allen moesten te zamen komen en waaruit later het dagelijksch- en laag – gerigt ontstond, is misschien door zamentrekking het woord malen ontstaan, zoodat men thans onder de malen te verstaan heeft, de gevrijde eigenhoorigen, die, gelijk zij vroeger hoorig waren, nu ook nog aan diezelfde curtis hunnen verschuldigden cijns moesten komen voldoen, niet alleen voor de, van de hoorigheid ontslagen en in cijnsgoederen veranderde hoeven, welke zij bezaten, maar ook voor dat gedeelte der villa, hetwelk hun tot gemeen gebruik als malenveld afgestaan werd, en welligt, bij de uitbreiding van den landbouw, tot welken hun verbeterde toestand hen gereedelijk aanmoedigde, tot het weiden van schapen, het steken van plaggen en diergelijke einden vereischt werd.

Geldersche Volks – Almanak 1847.

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in H.G. Haasloop Werner..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *