Naar de Hunenschansch

 

Geldersch lustoord,`t rijkst aan zegen

Van`t gezegend Vaderland

Sporen dragend allerwegen

Van des Scheppers milde hand……….

S.J.van den Bergh.

 

`t Was op den eersten mooie dag in den Meimaand.Een nevelig duister als in den winter bedekte weer het veld.Welk een groote  verscheidenheid in kleur van groen,teer en fijn.`t Fluisterde van verjonging,van nieuw leven,van een herboren worden der natuur.

Berg op,berg af ging`t;steeds aan weerszijde het bos.Zoo snelde het voort.Nu gaat alles in filmvlucht.De echoput voorbij,den mooien weg al maar volgend tot het bosch ophoudt en de heide,de Veluwsche heide zich weer ontrolt met haar bruin en geel.Heel in de verte liepen de herten,tusschen de boomen speurde het oog een vlug voortschietend konijn, over den weg wiekte een zwart glanzende kraai.En boven de boomen golfde de horizon en dan plotseling bij de kromming van den weg een prachtbeeld.Aan den horizon teekende zich een kerktorentje,een paar huiskens,een molen,heel hoog en heel ver,dat is Garderen.

Garderen,waar Joannes Anastasius Veluanus,de Hervormer der Veluwe,gepreekt en de Inquisitie ervaren heeft.Garderen,maar het dorp zinkt voor onze oogen weg als de weg zich kromt en daar voor ons oprijzen een hooge duinrug en eenige oude,nu naar jong groen hunkerende boomen.

Hoe dichter we naderen,hoe meer die paar boomen ons boeien.

We weten het wel,er zijn er geweest voor wie ze een teleurstelling waren,maar ze behouden voor ons hun aantrekkingkracht;dat is de Hunenschans waar de heks verbleef,werwaarts Perrol met de roode hand heen wilde en dan……

Welk een verrassing als tusschen de grillige begroeide Hunenschans wordt doorgereden en westwaarts het Uddelermeer zich vertoonde.En toch……

We kunnen`t begrijpen,dat menigeen zich teleurgesteld gevoelt,want groots is die kleine waterplas niet,waar in de zomer het wuivend waaiende riet fluisterd van`t verleden.Juist dat verleden maakt de gedeelde Hunenschans-wallen zoo belangrijk.Doet de oer-oude beukenboomen nog fluisteren van hetgeen eens was.

Acht en een halve eeuw terug is de heibegroeide Huneschans reeds verbrokkeld toen de weg waarop we nu reden aangelegd.Toe men minder gevoelig voor hetgeen eens was,de oude beuk,waaronder Vorsten hebben neergezeten en die één was met de omgeving,heeft weggerukt.Men moet het Uddelermeer en de Hunenschans zien omgeven met de beelden uit het verleden.

Toen de schans als versterking eener Saksische burcht heeft gediend en naar Prof.Holwerda`s meening hier stond in den tijd van 600-1100 na Chr.

Die oude burcht,omgrenst door een hoefijzervormige wal,werd beschermd door twee rijen palissaden,met een zeven meter tusschenruimte,terwijl weer een diepe gracht het geheel omgaf.

En op de ruïnes en om de burcht heeft de legende en de mystiek zich geworpen en zij weefde ons de verhalen die Oltmans ons doet in”de Schaapherder”.

Eeuwenlang werden in het Uddelermeer de schapen gewasschen en toen daarbij in 1804 het zingende Brandje Lubbers,naar van der Veen ons verteld,die als Koningin van het lentefeest werd vereerd,jammerlijk met Jacob Geerlings in de “onpeilbare”dieptewegzonk,toen:

“Stond de jeugd,gelijk versteend,

Geen mensch,die zuchte of sprak,

Tot eind`lijk uit een ieders oog,

Een stroom van tranen brak…..

Nu hing er de rust,straks als het zomert,komen de bezoekers,nu geen gelach,geen gestoei,nu waarde het verleden hier rond en komen de beelden uit de grijze oudheid.

“In dat grondeloos”meer,dat bij peiling nauwelijks 2.5 meter mat,ligt naar de sage vermeldt,een lusthof verzonken,waarin men het gouden kalf aanbad.Op stille zomeravonden,als de kudde zich legerde op en om de schans en den schapen zich onder den boom uitstrekte,dan hoorde hij klokgelui en psalmgezang.

Het kwam op uit het water,maar gezien heeft hij het nooit.

Daar waarde in den nacht de heks op heur bezem,door`t luchtruim en als`t in de keuken verteld werd,dan klepperde de deur en hoorde men het suizen over`t dak.

Gevreesde Heidens vierden hier evenals elders hun orgiën,hun drink en slempgelagen en ……………

De Huneschans en het Uddelermeer-zij vertelden ons fluisterend van dat weleer.

Straks komen de gasten-de stilte verdwijnt;

De beelden vervagen,het meertje zwijgt;

En de oude boomen,zij schudden hun kruinen,

Om`t gewoelen gesoei,`t gelach aan hun voet.

“de Standaard”

***************************

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *