Naar Holland

Een schetsje uit het arbeidersleven

**************

Het  werk in het houtbosch was zoo goed als afgelopen.

Van`s morgens vroeg,nog voor de opkomst der zon,tot`s avonds,als de schemering viel,had wijd in`t rond geklonken,het dof geklop der boekhamers.

In koortsigen haast waren met forsche bijlslagen geveld de laatste stammen.

Mannen,vrouwen,jongens en meisjes,allen verrichten,opgewekt en onder invloed van den werkijver,vlug,vlug hun taak.

Er was spoed bij het werk.

Immers het warme zomerweer en de zachte regenbuitjes hadden in enkele dagen,als met een tooverslag,volop in`t blad gezet de voor kort nog dorre twijgen.Nog vloog de schors van het sappige hout.Dat drong naar spoed.

Maar ook Holland riep weldra om werkkrachten.Om werkkrachten in den hooibouw.Holland riep en de Veluwsche arbeiders maakten zich op om gehoor te geven aan die roepstemmen.Ouder gewoonte.

Zie ze daar heen trekken naar de lage polders en droogmakerijen,naar de dijken en waarden van de waterrijke streken benoorde het Y—de zonen der hooge,drooge Veluwe.Kloeke, jonge gezellen,werkkerels met door arbeid gestaalde spieren.Arbeid spreekt uit hun gelaat.Van arbeid getuigen hunne grove handen.

Elke inspanning van zwaren arbeid is hun genot en ontspanning als van ingehouden kracht.

Vrolijk en vol blijden moed nemen ze op den zichtboom en werpen den blauwlinnen zak over breede schouder.Voor hen is de reis een aangename afwisseling in het eentonige,alledaagsch bedrijf,een welkome gelegenheid om in enkele weken,met een aardig sommetje als buit te vermeerderen de zuur verdiende en daarom zorgvuldig bewaarde spaarpenningen.

Holland riep en ook ouderen van jaren,vaders vaak van talrijk gezin moeten zich tot den tocht gereed maken.Zij moeten,gedwongen door den strijd om het bestaan.Zij kunnen thuis wel,o,zoo moeielijk gemist worden want nu zal allerlei arbeid in den hof en op het veld-nu zullen alle zorgen voor het vee mannenkracht eischen van vrouwen en kinderhanden!-Ze moeten-.

Ze scheiden o,zoo node van die vrouwen en kinderen die ook zij liefhebben,liefhebben met een zelfde grote liefde als gij,die niet behoefd te gaan,maar die rustig in de kring uwer familie uwe dagen slijten kunt.

Zes weken,soms nog langer,van huis!

Ach-ze hadden zoo gehoopt,het vorige jaar-dat het nu voor het laatst zou zijn geweest,maar als de winter voorbij ging met schrale verdiensten,het voorjaar weder aan kwamen het hooigeld voor`t koetje-de pacht voor`t onmisbaar stukje land of de huur voor de kleine woning nog gevonden moet worden-dan zal Holland hun die ook nu weer geven.

En nu trekken ze heen.Verre van die hun lief zijn.Ze gaan leiden een leven van harden,uitputtende arbeid in de brandende zon-een leven van ontbering.

Ze gaan naar Holland.

Ook in de arbeiderswoning van Jansen bracht de postbode den brief uit Holland.Hij werd weder verwacht en hoe zwaar het hem ook valt,hij moet gaan.Zaterdag reeds en hoe spoedig is die dag aangebroken.Er is nog zooveel dat gedaan moet dient te worden voor zijn vertrek,nog zooveel af te spreken.

Dan heeft hij dit nog even te zeggen,dan moet hij zijn vrouw dat nog herinneren en als hij dan zijn kleine jongen op de knie neemt,dan is`t hem een wonder,dat je zooveel van zoo`n klein ding houden kunt.

De arbeid wil niet meer vlotten.Zenuwachtig drentelt hij heen en weer,druk en toch niets verrichtend.`s Middags als hij zijn bleeke stille vrouw aanziet,neen,dan smaakt hem het eten niet,ofschoon zij dezen dag met bijzondere zorg het melkmoes heeft klaargemaakt.`t Is of hij een brok in de keel heeft.En in de namiddag,hij kan er maar niet toe komen het een en ander in gereedheid te brengen,maar toch,het begint tijd te worden,het moet.Terwijl hij dan nog eens het gereedschap aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpt en met vaardige hand de zeis toomt,is zij bezig den blauwlinnen reiszak in te pakken.

Eerst de noodige kleedingstukken en het ondergoed,dan een potje boter,immers hij zal al den tijd op brood alleen leven en is in al wat het tijdelijke en lichamelijke betreft voorzien,dan ook wordt door har,de zorgzame,het hoogere en meerdere niet vergeten,zijn kerkboek.

`s Morgens en `s avonds zullen zij lezen,een zelfde hoofdstuk uit de schrift.Liefelijke gedachte,voorwaar!

Hij ginds,zij hier levend een pooze een zelfde leven des geloofs,oefenende eenzelfde gemeenschap met den Heere.

Vergeet ook gij vrouwen niet,wanneer uw mannen heengaan,vergeet ook gij niet hun mede te geven op de reize het Woord des Heeren,een lamp voor den voet,een licht op het pad.

Eindelijk is alles gereed en als man en vrouw zich schikken om de tafel,dan neemt hij zijn pet af en samen buigen ze eerwaardig het hoofd,hij bid.In eenvoudige,ongekunstelde woorden,zooals ze opwellen uit het harte,smeekt hij`s Heeren zegen op den arbeid,beveelt hij zich en de zijne in de hoede en trouwe bescherming zijns Gods.

Daar nadert van verre op`t smalle pad door de heide met loomen tred zijn reisgenoot.

Nog even gaat hij naar het wiegje,waarin de kleinste jongske,al kraaiend,met de kleine mollige vuistjes tracht te pakken de bloote voetjes.En hij buigt zich over de kleine,die de handjes spelend hem toesteekt,hem met groote kijkoogjes aanstaart en stil pinkt hij weg een traan uit het oog.`t Was toch immers zijn jongen,zijn kind!Dan nog eenmaal slaat hij zijn arm om zijn bleke vrouwtje,die`t gelaat tot hem opheffend,hem staart in de diepblauwe trouwe oogen,een blik vol reine diep voelende liefde en ook hier is:

Liefde-lavende dauw in der brandende hitte des levens,

Liefde-de geurendste bloem,welke de bane versiert,

Liefde-een edelgesteente,dat blik en harte betoovert,

Liefde op der liefde gelaat-dat is een hemel op aard.

De zichtboom wordt gestoken door de koorden van den reiszak waaraan de breedgeranden hoed en de klompen bengelen en die met een lichten zwaai op den rug wordt geworpen.

Nog een kort vaarwel en sprakeloos wandelen beide mannen stadswaarts.Nu en dan omziende en als bij een zwenking van den weg zij uit het oog verdwijnen,dan gaat ook de vrouw met den kleinen naar binnen.Ze is alleen en ze voelt zich zoo eenzaam en verlaten alsof alleen zij is op de wereld.Weldra roept echter het werk haar uit haar gepeinzen terug.Ze is zich bewust welk een zware taak op haar schouders rust.Wat een arbeid van`s morgens tot `s avonds!

En hij,`s morgens drie uur staat hij reeds daar op`t eindeloos groene veld.In langzame,schuivende tred voortgaande,maathoudend met zijn gezel.Geen ander geluid verbreekt de diepe stilte dan`t scherend snijden van de blinkende zeis door`t hooge gras of`t klankvol strijken van`t streeksel langs de snede,links,rechts!En zoo maar steeds verder tusschen de twee sloten,die in de wijde verte schijnen saam te vloeien,doch welke samenvloeing bij elken stap zich tevens verplaatst,zwad om zwad rijend.Geen brandende zonnehitte,door`t minste koeltje niet geluwd,vertraagt zijn gang.

Eerst als`t avondduister invalt wordt het werk gestaakt en de lange wandeling naar de slaapstede ondernomen,waar hij aankomt als de boer en zijn gezin zich reeds lang ter ruste hebben begeven.Vóór ook hij zal kunnen rusten wordt het gereedschap opgezocht en de zeis gescherpt voor den volgende dag.En kon hij dan maar aanstonds slapen in`t leger van hooi of op de harde planken,maar dan juist vermenigvuldigen zich de gedachten die den slaap verre houden van zijn oogen.

Dan neemt hij zich voor,stellig en vast,hij zal arbeiden,liever eens zoo hard,maar wat ook gebeurde,hij gaat niet meer naar Holland!

XXXXXXXXX

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *