Noey Roest volgt een spoor hoofdstuk 5

 

 

Hoofdstuk 5

Noey Roest volgt een spoor

De volgende morgen trok Gosen Zeegers in de Kleine Oosterwijk de deur achter zich dicht en lachte de nieuwe dag tegen.

Het begon licht te worden achter de toren van het Agnietenklosster. Vurige strepen flitsten langs de lucht, werden breder en zetten de hele oosterhemel in een paarse gloed. Gosen stak een hand uit naar al die kleuren bij wijze van groet. Het zou een mooie dag worden. Een vrije dag voor hem.

Wanneer er gisteren niets gebeurd was, zou hij nu met zijn vader in de schuit op de Zuiderzee dobberen. Nu werd hij om negen uur op de balie in het rechtshuis verwacht om voor de schepenen te verschijnen, die de rechtdag hielden over Noey Roest.

Daarom was hij zo vroeg de straat op gegaan. Hij had een plannetje gemaakt en dat wilde hij eerst ten uitvoer brengen. Gosen Zeegers was op weg naar Vrouwe Van Wijnbergen in de Donkerstraat. Hij volgde de stadsmuur, die aan deze zijde de zee afsloot en daarna langs de stadsgracht om de zee heenliep.

Hé, wat was dat?

Verstond hij het wel goed?

Voorzichtig zette hij de voet neer, bleef staan en luisterde. Vast!

Toen was hij ook al bij de muur en werkte hij zich omhoog naar het platvorm van het rondeel, vanwaar hij een blik op de stadsgracht kon werpen. Dat deden zij als jongens wel vaker. Het was leuk om zo van boven af over de klokslag, ook geheten het schependom van Harderwijk, te kijken.

Maar nu was het hem om iets anders te doen. Waar zat die vogel toch? Daar rgens in het riet moest het zijn. Hoor, daar had je het weer.

Er dansten vrolijke lichtjes in zijn ogen, hoe kon die vogel dat toch in vredesnaam weten? Maar hij zong het en duidelijk ook.

“De Jezuïet, de Jezuïet,

Hij is hier niet, hij is hier niet niet niet.”

“Ha, karrekiet, rietlijster. En dat is hij ook niet. Ik zag hem vannacht door het smokkelgat in de muur verdwijnen. Hij werd gewoon de stad uitgesmokkeld. Heb jij er misschien iets van gemerkt, toen vader hem door de stadsgracht roeide? Nee, hij komt niet weer, hoor. Dergelijk gespuis kunnen wij in Harderwijk missen als kiespijn.”

Gosen liet zich weer omlaag zakken en ging verder. Onder het lopen floot hij een deuntje, een nieuw deuntje:

“De Juzuïet, de Jezuïet,

Hij is hier niet, Hij is hier hier hier niet.”Jammer, dat hij dit niet aan zijn makkers kon vertellen. Er zou anders een nieuw straatlied door Harderwijk dreunen. Maar het moest verzwegen blijven, die geheimzinnige verdwijning. Stel je voor, dat er iets uitlekte. Je zou de hele Jezuïetentroep op je dak krijgen en er nog wat bij ook.

Hij stak het Kerkplein over en gleed de Wehmestraat in. Zo kwam hij in de Donkerstraat voor het huis van Meneer Hademan van Wijnbergen uit.

De voordeur liet hij voor wat die was. Jongens lieten daar niet de klopper op vallen, tenzij stiekem in de schemeravond. De met snijwerk versierde deur was voor de voornamen en hoogedelen. Als Gosen hier vis bracht, dan kwam hij aan de deur in de steeg. Nu ook. Fenne van Tellicht, de maarte, zag hem komen.

“Vandaag geen vis, visser.”

“Heb ik ook niet, Fenne van Telgt. Zeg, is Panda ook ergens?”

“Panda? Wat moet jij met Panda? Jullie hebt het gisteren al erg genoeg gemaakt.”

“Ik toch zeker niet?”

“Wat dacht jij dan? Jij hebt gevochten en je weet, dat dat verboden is op de Broeren, in het wijnhuis en het stadhuis. Ik verwacht dat ze jou wel een poosje in de stok zullen sluiten. Of misschien zetten ze je aan de schandpaal, dan kan heel Harderwijk je zien. Panda! Hé Panda!”

Haar woorden klonken scherp, maar haar ogen lachten.

Even later hoorden ze de sloffende stappen van de neger in de gang naderen.

“Maa – aarte, maa – aart – e, Panda heeft gebroken oren van vele schreeuwen van maa – aart – e . O, jongeman visser Gosen, groot vechthoofd, zal eenmaal blanke stammen leiden naar strijd.”

De ogen van Gosen lachten Panda vrolijk toe. Zij voelden zich tot elkaar aangetrokken, al hadden ze een verschillende huidskleur. Altijd was er een grapje tussen hen als Gosen vis kwam brengen. Maar ditmaal had hij wat anders aan het hoofd.

“Luister, Panda. Die jongen gisteren gooide jouw meesteres met vuil. Maar dat was op jouw gemunt. Hij zit nu in ’t hondegat en moet straks voor de schepenbank verschijnen. Kun jij je meesteres niet vragen of zij de schepenen wil verzoeken, hem de straf kwijt te schelden? Ik denk, dat Noey het zo maar heeft gedaan, zonder er bij na te denken, en zo maar die rote ui heeft gegooid, omdat, nou ja, omdat hij die net in de hand had. Het was zijn bedoeling niet om Vrouwe Van Wijnbergen met vuil te werpen.

De dienstmaagd en de negerjongen keken hem verbaasd aan. Wat was dit voor een verzoek? Nimmer hadden ze zoiets gehoord. Wat straf verdiend had, moest straf hebben, zo was het de regel in Harderwijk.

Fenne ging vlak voor Gosen staan en keek hem scherp aan. “Waar heb je het over? Wat bedoel je daarmee? Waarom neem jij het op voor die belediger van onze goede vrouwe?”

“O, dat doe ik niet, Fenne. Maar ik dacht zo, Noey krijgt straks een flinke straf van heren schepenen. Heer Wolf van Ommeren heeft hem op heterdaad betrapt. En het was zo erg niet, eerlijk niet. Ja, het was wel erg natuurlijk, omdat hij de vrouwe raakte. Maar zo had hij het niet bedoeld. Wanneer de vrouwe een goed woordje voor hem wil spreken, komt hij er misschien met een schrobbering af. Ik hoorde het mijn vader zeggen, gisteravond, dat er grote gevaren dreigen en wij moeten niet met allerlei ruzietjes onze krachten verdoen, maar samen als één man de gevaren het hoofd bieden. Wanneer Noey een harder straf krijgt, zal hij ons allen gaan haten en zijn vader precies zo. Ik ken ze. En ze mogen best weten, dat wij hen geen kwaad hart toedragen, ook al gaan zij bij de pastoor ter biecht.”

“Nou, jij bent me er eentje,”lachte Fenne.

In haar hart hield ze van deze vissersjongen, die het zo maar opnam voor een andere, die niet zo bijster goed bekend stond in Harderwijk. Ze begreep, dat er meer in Gosen stak dan ze had gedacht.

“Panda, ga en zeg de vrouw dat de vechter van de keien haar wil spreken.”

Het hele gezicht van Panda lachte, toen hij zich naar de gang begaf om de vrouwe te waarschuwen. Het duurde maar even of hij was weer terug.

“Massie wacht op visjongen.”

Gosen volgde hem door de hoge gang. Zijn hart klopte luid, want hij was nog nimmer in zo’n rijke omgeving geweest. Zij waren maar doodgewone vissers en die werden niet bij de rijkelui in de salon gelaten. Overal om hem heen zag hij blinkend marmer, rijk versierde deurposten en koperen luchters tegen de zoldering. Kleurige kleden lagen voor alle deuren.

Panda opende een deur.

“Hier wachten. Massie komen zo.”

Daar stond Gosen Zeegers, alleen in het vorstelijk gemeubelde vertrek. Hij voelde zich een beetje vreemd te moede en frommelde maar wat met zijn muts, die hij in de hand had genomen.

Nooit had hij geweten, dat er zulke prachtige meubels waren. Stoelen groot en zwaar en met prachtig houtsnijwerk, tapijten op de vloer,even kleurig als de avondlucht bij zonsondergang, dacht hij. En dan die machtige kaarsenkronen boven hem, van kristal, vonkelend waar je ook keek.

Hij hoorde geritsel van zijde bij een deur en wende het hoofd om. Daar stond Vrouwe Van Wijnbergen, gekleed in een gewaad van hemelsblauw, een witte kap op het hoofd, een fijn bewerkte gouden keten om de hals.

“Zo, jongeman en wat geeft ons de eer op dit vroege morgenuur?”

Zij sprak vriendelijk en dat stelde Gosen meteen op zijn gemak.

“O vrouwe, ik lag vannacht te denken op mijn legerstede en toen dacht ik aan Noey Roest, die in het hondegat werd gestopt, omdat hij U met vuil had geworpen. Maar hij had het op Panda gemunt. Dat was ook slecht, ik weet het wel. Maar mijn vader zei, dat het land  in nood is en dat wij allen eensgezind moeten zijn tegen de vijand, die zich gereed maakt, ons aan te vallen. Noey zal wel bijster boos zijn, op mij ook. Maar dat is niet erg, hoewel het mooier zou zijn wanneer het niet zo was. Daarom wilde ik de vrouwe vragen of zij heren schepenen niet kan verzoeken, Noey geen straf te geven, zodat er bij hem geen wrok blijft zitten.”

De woorden waren bijna hartstochtelijk gekomen, er lag een diepe klank in zijn stem, die indruk op de rouwe maakte. Zij had de jongen eerst wat verwonderd aangekeken, maar toen het tot haar doordrong, wát hij precies bedoelde, kwam er een blij licht in haar ogen.

Gosen zag een glimlach op haar gezicht verschijnen. Dat gaf hem moed.

“Knaap,”zei mevrouw Van Wijnbergen, “Panda noemde jou “de vechter van de keien, ben jij die rakker waar heel Harderwijk van spreekt?”

Gosen schrok.

Wist vrouwe Van Wijnbergen daar ook al van? Dan was het zaak om op te passen, anders viel zijn hele mooie plan nog in duigen. Hij stond daar maar wat met zijn muts te frommelen.

“Ik weet niet, vrouwe, dat men in de stad van Harderwijk over mij spreekt,”antwoordde hij, heelonderdanig. “Maar het is zo, ik ga wel vaak op de vuist. Als ik een jongen zie, die niet eerlijk is of gemeen doet, nou ja, dan ben ik daar zo mee bezig, voor ik het zelf weet. En daar kan ik niets aan doen.”

Hij kreeg een goedkeurend knikje. Mevrouw Van Wijnbergen mocht deze jongen uit het volk wel, die zo open en eerlijk sprak.

“Nu, pas dan maar op, dat de roedendragers je niet te pakken krijgen. Ik heb van je gehoord, ook over dat van gisteren. Ik dank je wel, dat je het voor mijn goede naam hebt opgenomen. En ga nu maar. En weet je, ik zal jouw verzoek aan heren schepen doen overbrengen. Het zal wel in orde komen.”

Gosen verdween en door zijn hoofd tolde weer het liedje van de Jezuïet.

Ondertussen was Andrys Roest, de roededrager, met een kan water en een brok brood de trap van het stadhuis afgedaald naar het hondegat om een ontbijt aan zijn zoon te brengen. Hij had vandaag dienst. Er lag een verbeten trek op zijn gezicht en woede brandde in zijn ogen.

Het kwam prachtig uit, dat juist hij dienst had op de dag van de schepenbank. Nu kreeg Noey een smakelijk gebakken vis bij zijn ontbijt, die zijn vader van huis had meegenomen.”Kon jij dat vissersjong niet debaas?”gromde hij, toen hij bij Noey in het kerkergat stond. “Wat moet ik nu tegen heren schepenen zeggen? Stom van je om naar Vrouwe Van Wijnbergen of haar zwarte knecht te gooien en te schelden?”

Noey zij geen woord terug. Hij had een vreselijke honger. Sinds gistermiddag had hij niet gegeten. Hij greep zijn vader bijna het voedsel uit de hand en werkte het gulzig naar binnen. Andrys Roest vertrok meteen weer. Hij kon hier niet te lang blijven, omdat hij de kamer van de schepenen nog in orde moest brengen.

Noey dacht na over de woorden van zijn vader,toen de deur achter deze weer was dichtgevallen.

“Te negen voor de schepenbank en ik kan niets voor je doen.”

Noey was woedend, op Gosen Zeegers, op Panda, op de hele wereld eigenlijk. Hij had een ellendige nacht doorgemaakt, met overal piepende ratten om hem heen. Wanneer die Gosen er niet was geweest, zou er niets aan de hand zijn. Die moest ook altijd roet in het eten gooien. En hij was bij de jongens getapt. Waarom hij, Noey, niet? O, hij zou hem wie weet niet wat kunnen doen.

De heren zaten in hun zwarte tabbaarden om de grote tafel geschaard: Hademan van Wijnbergen, Reinier Wolf, Herman van Oldenbarneveldt, Lucas van Hoecklum, Werner van Groll, Jan Cranenburgh, de jongste schepen, en Wolf van Ommeren. De schepenbank telde zeven leden.

Heer Wolf van Ommeren zat aan het hoofd van de grote tafel. “Noey Roest diene binnen te komen,”zei hij.

De roedendrager verliet de rechtszaal om zijn zoon te halen. Gosen Zeegers had plaats genomen opeen stoel, die Andrys Roest hem met een snauw had gewezen. Hij vond het machtig interessant. Zoiets maakte je niet elke dag mee. Een jongen mocht nu eenmaal niet in de schepenzaal komen wanneer hem dat niet opgedragen was. Wat zagen de heren er toch allemaal deftig uit.

Hij popelde van ongeduld. Mijnheer Van Wijnbergen had hem vriendelijk en met een glimlachje om de mond toegeknikt. Misschien kwam het wel  voor elkaar en kon hij straks met Noey naar buiten wandelen. Dan zou hij tegen hem zeggen, dat zij vrienden moesten zijn, dat hij niet boos op hem was, maar dat het zo fijn was om goed te doen en vriendelijk te zijn voor elkander en iedereen, omdat de Heere God dat zo wilde.

Andrys Roest keerde met zijn zoon terug en bracht hem vóór de schepentafel.

De heren keken naar hem met strenge gezichten. Hij zag het wel en begreep, dat hij van hen niet veel goeds had te verwachten. Het maakte hem op dit ogenblik nóg woedender. Wel, wat kon het hem ook schelen? Hij zou niet om genade smeken. Brutaal keek hij van de een naar de ander.

De roedendrager stond met een strak gezicht op zijn plaats te wachten op een bevel van de heren schepenen om in actie te komen. Een heimelijke vrees trilde door hem heen,dat hij in het openbaar zijn eigen zoon zweepslagen zou moeten geven. Dat zou waarschijnlijk de straf zijn voor dit vergrijp. En de mensen zouden te hoop lopen om er getuige van te zijn. Zij zouden er ook wel op toezien, dat hij geen slag te weinig gaf. Adrys Roest wist, dat men hem niet mocht. Andrys Roest was niet een oprechte kerel.

Buiten op de Broeren klonk rumoer van mensenstemmen. De poorters van Harderwijk liepen te hoop. Zij hadden allen het gebeurde van gisteren gehoord en allen waren nieuwsgierig naar het oordeel, dat e wijze mannen van het gerecht zouden vellen. Wie maar even kon en niet door zijn werk werd tegengehouden, was naar het rechthuis afgezakt. Ze drongen de schepenzaal binnen om getuige te zijn van de rechtspraak. Rond om de tafel stonden ze langs de wanden.

Wolf van Ommeren nam het woord.

“Gij rabauw, hoe waagdet gij het, de edele vrouwe Van Wijnbergen te affronteren en naamt gij uw hand om vuil naar haar te werpen?”

Andrys Roest was zo gaan staan, dat hij zijn zoon kon aanzien, om hem, als dat nodig was, een teken te kunnen geven. Hij trok de wenkbrauwen samen, wat betekende moest, dat Noey voorzichtig moest zijn en oppassen met wat hij zou antwoorden.

Maar deze lette daar niet op. Hij haatte dit hele stel mensen om zich heen. Het kwam niet in hem op, dat hijzelf de schuld was van alles.

“Ik wierp niet naar de vrouwe, maar naar haar gevolg,”kwam het van zijn lippen. Uitdagend keekhij naar zijn rechters.

“Gij ontkent dus niet, dat het vuil door u hand geworpen werd? Vuilwerpende handen dienden afgehouwen te worden. En daarbij, de vrouwe was het niet alleen, die uw belediging betrof. Gij hebt daarmede ook uw eigen stad geaffronteerd. Ziet hier de burgers van Harderwijk, welke genoegdoening eisen. Is in uw hart berouw, rabauw?”

Noey zag nu het hoofd van zijn vader heftig op en neer gaan. Hij kon niet weten, dat Hademan van Wijnbergen met Wolf van Ommeren gesproken had en dat de woorden van deze laatste bedoeld waren om hem in zijn piepzak te brengen.

De angst golfde door hem heen. Hij knikte.

“Spijt heb ik, heren van de schepenbank, en ik wil u mijn belofte geven, dat deze daad nimmermeer door mij zal geschieden.”

Het noemen van die afgehouwen hand daarstraks maakte hem doodsbang. Hij wist dat de schepenen tot zoiets in staat waren. Hadden ze niet onlangs Jannetgen Jorijs van Leyden, die van hekserij beschuldigd was, veroordeeld om onder de galg in een wijnvat verdronken te worden? Hij nam zich dan ook voor om heel erg onderdanig te zijn. Misschien viel dan de straf mee. Als hij eerst maar hiervandaan was, dan kwam later zijn kans wel. Hij had met heel wat mensen een rekening te vereffenen, met Wolf van Ommeren, met Gosen Zeegers, met al die glurende gezichten om hem heen.

“De schepen Van Wijnbergen heeft het woord.”

De koopman, wiens naam tot ver in de Oostzee bekend was en geëerd, had rustig zitten luisteren. De vrolijke lichtjes in zijn ogen waren niet weggeweest en logenstraften de strenge blik op zijn gezicht.

“Mijn vrouw werd geaffronteerd en kwam verstoord naar huis. Vanaf die dag dat Graaf Otto II in 1231 aan de stede van Harderwijk stadsrechten gaf, werd van zulk een wandaad niet gehoord. Gij spraakt van de afgehouwen hand, heer van Ommeren. Evenwel, in een lekke ton drijven op het zilte water van de Zuiderzee, het zou een onverlaat tot nadenken kunnen brengen. Doch zie, heren schepenen, een braaf burger van de stede Harderwijk, de visserszoon, sprak goede woorden en de vrouwe luisterde. Een stad wordt door vriendschap behouden, niet door tweedracht. Gosen Zeegers, de visser en Vrouwe Van Wijnbergen vraagt het mede, deze jonge booswicht vrij te laten, opdat zijn doen steeds als een slechte daad voor hem mag staan, zodat hij in ’t vervolg rechte wegen zal gaan.”

Het gonsde door de omstanders. Verbaasde blikken werden op Noey Roest en Gosen Zeegers geworpen. Wat was er aan de hand? Wat spookte er rond in het hoofd van de vechter van de keien?

“De schepenbank zal zich beraden,”merkte Wolf van Ommeren op. De heren verhieven zich van hun zetels en verlieten het vertrek.

Het duurde slechts kort of zij keerden reeds weer terug. De uitspraak van het vonnis bracht opnieuw opschudding.

“Gij, Noey Roest, die vuil werpt, zult veertien dagen lang, doch niet des zondags, de arduinen stoep voor het huis van Vrouwe Van Wijnbergen in de Donkerstraat des morgens te zeven ure schrobben en schonen. Verdwijn, gij beiden, rabauwen en laat het u gezegd zijn, dat de schepenbank niet dulden zal, dat op de Broeren gevochten wordt, en dat scheldwoorden om straf vragen.”

De mensen maakten ruimten voor de twee jongens. Noey liep voorop. Hij kon het zich niet begrijpen, maar wilde zo snel mogelijk hier vandaan zien te komen. Gosen kwam hem opzij. Zijn ogen glinsterden. Het was hem gelukt.

“Zo is het goed, Noey. Zo moet het zijn. En laten wij vrienden zijn. Waar ruzie is kan nooit vrede zijn. Het land heeft vrede nodig, vrede onder de mensen. En wij, jongens, kunnen samen machtig veel plezier hebben in deze stad.”

Ze stonden op de stoep van het stadhuis. Voor hen lag de Broeren verlaten. Achter hen hoorden zij de mensen komen, die elkaar verdrongen om de jongens te volgen. Het maakte Noey Roest woedend.

“Huichelaar,”siste hij tussen zijn tanden door. “Door jouw gemenigheid heb ik een nacht tussen de ratten moeten liggen. En jij dat wijf van Van Wijnbergen tegen mij opzetten. Ik heb jouw door. Jij de mooie jongen spelen en mij door de poorters laten uitlachen. Maar ik zal het je betaald zetten,reken daar op. Mijn dag komt ook. En pas dan op, kettergebroed.”

Hij gaf Gosen een duw, waar deze niet op verdacht was en moeite had om op de been te blijven. Noey was met een paar snelle sprongen de stoep af en holde dan naar links, de Wolleweverstraat in.

Gosen keek hem hoofdschuddend na.

Jammer toch. Het had net zo mooi kunnen zijn. Hij had Noey zelfs willen aanbieden, dat ze samen de stoep zouden schoonmaken, dan zou men Noey er niet mee plagen. Dat zou nu wel gebeuren. En Noey zou razend zijn. Jammer, echt jammer.

De woede, die door Noey heentrilde, scheen hem vleugels te geven. Als een opgeschrikte haas holde hij de stad door. Maar bij de Luttekepoortstraat werd hij tegengehouden door Hendrick Leyendekker, de poortwachter, een vriend van zijn vader.

“Hé, hoorde jij niet in ’t hondegat te zitten? Wilde jij soms de stad uitvluchten, kwajongen?”

Noey bleef hijgend staan.

“Ze lieten me vrij, Hendrick, dat vermaledijde gespuis. En Gosen Zeegers was met vechten begonnen. Maar mijn dag komt ook. Hij zal er voor boeten.”

“Kijk jij maar uit met die visser. De ketters krijgen hier steeds meer te vertellen. Je kunt niet tegen de overmacht op. Ik hou me onzijdig.”

Noey stapte de poort uit en sloeg over de brug rechtsaf langs de hof van Ricklant Engberts en volgde dan de stadsgracht. Hij wilde alleen zijn. Hier zou hij geen mensen tegenkomen.

De leeuweriken hingen boven hem in de lucht, doch hij lette er niet op. De warme stralen van de lentezon glinsterden in het water. Hij gaf er niet om. Een boos hart kon niet de vreugde smaken van het schone. Opeens bleef hij staan.

Sporen van karrewielen stonden in de zachte grond afgedrukt. Dat was op zichzelf niets ongewoons. Maar deze wel. Ze liepen recht van het water weg, rechttoe rechtaan naar het pad naar Ermel. Hier moest een tijdlang een kar hebben gestaan. Tientallen afdrukken van paardehoeven stonden op de grond getekend.

Noey fronsde de wenkbrauwen en dacht diep na. Dit was eigenaardig.

Gewerkt was er de laatste dagen niet op dit stuk land, dat was te zien. Maar die karresporen waren vers, van gisteren. Wiens land was dit?

Van Wege Elbertse.

Zijn ogen kregen opeens een felle schittering. Wege Elbertse had zijn hoeve even voorbij de weg van Selhorst. Hij was de nije lere toegedaan, dat was bekend.

Was Wege misschien vannacht iemand behulpzaam geweest met het een en ander? En wat hadden zij de stad uitgesmokkeld?

Wacht, hij zou allereerst gaan onderzoeken of Wege thuis was. Misschien kwam hij daar iets aan de weet.

Op ditzelfde ogenblik floot Gosen Zeegers in de Bruggestraat een wijsje:

“De Jezuïet, de Jezuïet,

 Hij is hier niet, hij is hier niet, niet niet.”

Einde hoofdstuk 5

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in 't Geuzenjonk van Harderwijck.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *