Het Noord – einde der Veluwe onder Oosterwolde.

 

 

Het Noord-einde der Veluwe

Onder Oosterwolde.

 

Geene streek van Gelderland is zoo weinig bekend en beschreven als het Noord-einde der Veluwe, dat onder de gemeente Doornspijk behoort en een gelijkbeenigen driehoek vormt, die door de Zuiderzee afgebakend wordt. Eenige aanteekeningen, zoowel de kleding als de plaatselijke beschrijving van deze streek betreffende, zullen den lezer niet onwelkom zijn.

De bewoners van Ooosterwolde verschillen in kleeding met die der overige Veluwe- bewoners, en om er eene schets van te geven, voegen wij hier de onderstaande beschrijving tusschen:

“De vrouwen dragen hoofdhuldsels van rood bont katoen met breede gladde lagettenstrook, welke tipmuts genoemd worden; over deze een zilveren oorijzer met groote opstaande krullen, en over hetzelve eene trek- of ronde muts; om den hals dragen zij eenige snoeren bloedkoralen met een gouden slot bevestigd, en daarover een rood geruit halsdoekje toegeknoopt; hare verdere kleeding bestaat uit een sergie borstrok, waarover eerst een bonten chitsen kroplap, en dan een bruin sergie jak ( zonder schoot of mantel) met korte mouwen, ( door hen mouwen genaamd), welke mouwen met een bruin gestreept lintje om den hals omboord en voor den borst met hetzelfde lint toegestrikt is; een blaauwen of zwarten ( eigen gereiden) rok; terwijl nu nog een blaauwe linnen ( vlessens) schorteldoek, met een teerlingstukje bovenaan en van achteren met een zilveren haak gesloten, benevens schoenen, die laag en van groote zilveren gespen voorzien zijn, hare kleeding uitmaken. De kleeding der mannen is niet vreemd; het eigenaardige derzelve bestaat in de kleur van de voering der donker bruine buizen, hetwelk gewoonlijk van ligtblaauw saai en met een donkerblaauw pluizen randje omzoomd is.”

PR9568, 11/1/08, 11:24 AM,  8C, 4664x3654 (1325+2603), 100%, Basis 01, 1/240 s, R29.1, G3.2, B0.5

 

Aan der noorderkant sluit hier de Kamper Landwering ( den Noordwendingen dijk) aan, aan wier binnenzijde men eenige kleine woningen, benevens een schoolgebouw aantreft, waarin onlangs weder een schoolmeester, door het ambt Doornspijk, is aangesteld. Hier begint de groote Woldweg, welke de gemeente in eene zuidelijke rigting doorsnijdt. Het  eerste voorwerp, dat het oog aan de westzijde van dien weg ontmoet, is een groote waterkolk, welke eenmaal bij eene doorbraak, door de zeevloeden veroorzaakt, ontstaan is; deze kolk is gedeeltelijk door den dijk omringd. Vervolgens eenige kleine woningen, de watermolen van het Noordermerk aan de Molenvliet, en tegenover dezen, aan den oostkant, een nieuw gebouw in den vorm eener kerk, waarvan het dak met een klein torentje en eene bel voorzien is, hetwelk voor godsdienstige oefening en catechesatiën gebruikt wordt; daarna ontwaart met eene deftige boerenwoning op eene terp gelegen, in wier omtrek men eenig boomgewas ontwaart.

Wij zetten onzen weg over bovengenoemde Grooten Woldweg voort waar zich ten oosten nog twee boerenwoningen vertoonen; eenige honderd passen verder ontdekt men op deze schier onafzienbare vlakte de beide Eendenkooijen, de eenige nog overgeblevene in den geheelen omtrek van Elburg, welke zich ten oosten en ten westen aan het oog opdoen. Na nog eene boerenwoning, aan het godshuis Feijthenhof behoorende, voorbij gegaan te zijn, komt men aan de turfveenen, de Stouwe genaamd, welke aan beide zijden van den weg gelegen  zijn. Het is hier een veenachtig landschap, hetwelk geene andere afwisseling oplevert dan eenige rietgaten en waterplassen, terwijl men bij het turfgraven nog gedurig eiken-, elzen en dennen boomstammen opdelft, welke rondom verbrand en met dikke korsten van kolen bedekt zijn ( als overblijfsels uit het zoogenaamde steenentijdvak, toen het gebruik der metalen gereedschappen nog niet algemeen bekend was, en de boomen aldus met behulp van steenen wiggen en van vuur geveld werden.) Eene zoodanige steenen wigge werd nog onlangs uit eenen elzen stam gehaald en is bewaard geworden. Ook in het jaar 1815 vond men hier tusschen den Woldweg en den Dijk, op eene diepte van vijf voet, onder de veenen op de zandlaag, een gaaf en ongeschonden graauwkleurig kruikje, behoorende tot de serie der Jacoba- kannetjes uit de XII of XIII eeuw.

Ook werd deze omstreeks dienzelfden tijd alhier een vonds gedaan, welke voor deze gemeente ( eertijds Thor- spiel genaamd) van het hoogste belang is, namelijk op 5 ½ voet diep onder den grond werd aan de Wangen, bij de Geldersche Gracht, een klein geelkleurig steenen beeldje, van omtrent 15N. duimen, opgedolven, hetwelk naar alle waarschijnlijkheid den God Thor voorstelt, zijnde een mannenbeeld, gekleed in een lang gewaad, om den hals een neerslaanden kraag en om het lijf eene magtgordel hebbende, het hoofd gedekt met eene hoog gepunte kroon. Hetzelve is door den eigenaar Labots voor dertien guldens verkocht.

De Veenen heeft de generaal Daendels, omtrent het jaar 1802 laten vergraven, ten tijde dat hij, als loon zijner verdiensten, eene eervolle rust genoot; bij deze onderneming echter, waaraan hij veel ten koste legde, heeft hij groote sommen geld verloren.

Verder nadert men het kerkhof, met de fundamenten en puinhoopen der onlangs gesloopte Sint Nikolaas- kerk, in het middelpunt der gemeente. Op een stuk land, het Kerkensmalle genaamd, en onmiddellijk aan dit kerkhof grenzende, vindt men nog een grooten steen van fijn korrelig graniet, waarin een rond gat van drie nedl. Duimen middellijn en vier duimen diepte aanwezig is, welken steen algemeen voor eenen keltischen molensteen gehouden wordt. In 1834 werd de pastorij, die in de nabijheid en ten oosten der kerk stond, afgebroken, en naar den Zandweg overgebragt, zoodat thans nog slechts drie huizen in derzelver omtrek gevonden worden, als: een Feijthenhofs erve, eene kosterswoning, tevens herberg, en een voormalig gasthuis. Verder stond de kerk ten minste een half uur van de bewoonde buurten verwijderd, en te midden van lage veengronden, zoodat men wegens ongerief van het gouvernement de toestemming verkregen heeft om dezelve af te breken, en naar de meest bevolkte buurt, den Zandweg, te verplaatsen. Dit nieuwe kerkje is een langwerpig vierkant; de buitenmuren zijn met platte pilasters en vier puntboog- vensterramen voorzien; de voorgevel is gekroond met een torentje en eene hooge spits, eene groote deur is in het midden, naast welke ter regter- en linker zijde een puntboog venster; de kerk is met een houten verwulfzel overdekt; in dezelve bewaart men een merkwaardigen grafsteen, welke uit de gesloopte St. Nikolaas kerk herwaarts is overgebragt. Op 7 September 1845, St. Regina dag, is dezelve ingewijd, door Ds. Montijn van Oldebroek.

Na niet veel wandelens over een verhoogd kerkpad, en verscheidene vondertjes langs den Grooten Woldweg, rietlanden en veenachtig weiland, bragt ons de Winterdijk langs de Wao- kolk, eene belangrijke plaats, welke het landvolk met angstige bezorgdheid voorbij gaat; hier ziet men eene bevestiging van den vermoedelijk heidenschen oorsprong van het bijgeloof, waar toch een geest van vroegere dagen als over zijn eigen graf nog altijd blijft rondzweven. Wondere verhalen worden omtrent deze kolk opgedischt.

Na onderscheidene kronkelingen en wendingen in den weg, bereikt men eene meer lagchende streek. Men treedt eene laan van populieren binnen, terwijl men regts en links van den weg eenige boerenwoningen op terpen gebouwd, ontwaart, wier stijve bloemtuintjes door digtbegroeide en met zorg glad geschorende doornen heggen van den weg zijn afgescheiden.

GL%20gemeente%20Elburg%20in%20ca_%201870%20kaart%20J_%20Kuijper%20[1024x768]

De toren van het nabij gelegene Elburg en ettelijke tusschen het geboomte verscholen woningen zijn in het zuidwesten duidelijk zigtbaar, terwijl aan de oostzijde het oog aangenaam verrast wordt, door eenen bebouwden grond en welig houtgewas, waar tusschen het uitgestrekte landgoed Morren van den Heer Raedt van Oldenbarneveld verscholen ligt; verder bereiken wij eene deftige boerenwoning, den Hof ter Eket ( hofstreek), aan welke geschiedkundige bijzonderheden verbonden zijn. In het jaar 1228, namelijk, liet graaf Gerart openlijk afkondigen, hoe hij eenige vrijheid hadde vergunt, zoo aan de inboorlingen der Veluwe als aan alle vreemdelingen, die zich aldaar wilden nederzetten, mits dat zij na dood derzelver aan hem zouden leveren den Keurmeed. Deze Keurmeedige lieden nu moesten zoodanig pand afleveren aan den hof ter Eket, alwaar ook jaarlijks op St. Marten in den winter, moesten afgedragen worden de tienden der bebouwde gronden van Opper- Eket en de tijnsen der woningen. Bijna honderd jaren later, en wel in 1323, verkocht Reinald, zoon des Greven van Gelre, aan den Bannerheer Jans Baer zijnen hofhoorige luden ( bomines proprii), die het Opper- Eket bewoonden, zestig morgen Henschemunde land, gelegen, tusschen der Eket en Hollanderbroek voor honderd merc brabandsch als erfelijk tijnsgoed, elken jaer op St. Martens dach, elke hoeve, naardat zij loopt, om één marc brabandsch te betalen, behoudens de Roeteijnden ( novale tienden) in dezen Hof, aan den richter van Elburch te betalen.

Voorts werd bepaald, dat hij, die van dit land iets verkocht of kocht, twaalf penningen moest betalen tot eenen handwissel. En eindelijk schonk Reinald allen, die dit land bewonen zouden, al de vestenissen en de rechten, welke den ingezetenen van Hollanderbroek waren toegekend. Zestig jaren later, in 1383, ontsloeg Frederik, graaf van Meurs en heer van Baer, zijne keurmeedige en hoorige lieden in den hof te Eket, die hem en zijne voorvaderen in den gemelden hof plagten te hooren; hetzij zij woonden in het land van Gelre, het sticht van Utrecht, te Kampen, Zwolle, Harderwijk, Elborch, Doornspijk, Oosterwolde, Oldebroek en Loenssen, of waar dezelve mogten wonen en in den Hoef te Eket plagten te hooren, tegen eene geldelijke vergoeding, uit en van hunne keurmeedsche regten en echten, met vrijlating, dat de voorsz. Lieden zich na dien tijd konden wenden en keeren, aan welke heeren en heerschappen zij zouden verkiezen.

De heeren van Baer, wier heerlijkheid of bannerije gelegen was tusschen Doesburg en den Geldersche IJssel, stonden te allen tijde in hoog aanzien bij de Geldersche vorsten; dezelve waren ook in de hoogste betrekkingen geplaatst, en reeds in het jaar 1280 wordt melding gemaakt van eenen heer van Baer, die het huis van den heer Hendrik van Doorenweerd met branden en stroopen had verwoest.

Verder ontmoetten wij het buitenverblijf de Ganzenberg, en betraden voorts het gebied van Elburg ( de Vrijheid), waar vroeger het Leprozenhuis met den Tempel stond, welk gebouw voorzien was van twee zalen, de eene de zieken- en de andere de gezondenzaal genoemd, over welk godshuis twee probatoers van Melazarie werden aangesteld, die over hetzelve het bestuur hadden. Van hier brengt ons de weg over de Groote Vrijheid en den nieuwen Woldweg naar Elburg.

De naamsafleiding dezer gemeente is niet ver te zoeken, daar dezelve de oostelijke wouden van het kasteel Nijenbeek en Elburg aanduidt, waarvan niet alleen in de benamingen der onderscheidene Woldwegen, ( P. Cluverius, Fol. 52.)In de meeste Veenen vindt men boomen onder de grond, ja in eenige streken geheele boschaadjen. Vele dorpen zijn naar die oude boschaadjen genoemd, uitgaande in hout, wout, holt, wold) maar ook in de overblijfselen van boomstammen, welke nog in groote menigte in de turf veenen gevonden worden, de bewijzen aanwezig zijn.

G.H.W.

Oorkonde

6 December 1323.

 

    Wi Reynaut zoen sgrauwen van Gelre doen cont allen luden, die desen brief solen sien oft horen lesen, dat wi hebben vercoft ende vercopen mit desen jheghenwordichen brieue Jans van Baer sinen horaftichen luden (1),die woenhaftisch sien bi der Elborch ende opper Eket, tsestich marghen lants, die ghelegen sien tusschen der Eket ende onse Hollanderbroec (2), voer hondert marc ouder brabans, die ghenge ende gheve sien in onsen lande, die si ons al hebben betaelt, ende geuen den voerghenoemden luden ende horen erfgenamen die voerghenoemde tsestich margen, dat onse henghemunde (3) was, te besitten voer een erflic tynsgoet, elkes jaers op seent Martiens dach in den winter, elke hove nadat si loept, om ene merc brabans, aen goeden payment, dat genghe ende gheve is, te betalen onsen richter ter Elburg, behoudenisse al ons roetyende,(4) Zo wat mens seyet. Voert so wi van desen lande yet vercoept, oft coept, die en sal niet meer gheuen dan twelef penninghe tot enen hantwissel.(5) Voert so gheue wi Reinaut voerghenoemt dien voerghenoemde tsestich marghen lants ende den luden, hem allen die op dat lant woenen, alle die vestenisse ende dat recht, dat wi gegheven, bescreven ende gezeghelt hebben onsen Hollanderbroec (6) ende den luden die daerop wonen. Voert zo loue wi Reinaut voerghenoemt, voer ons ende onse erfgenamen, alle dese voerscreven vorwarden dien voerghenoemden luden ende horen erfgenamen stede ende vaste te houden. In oerconde van desen so heb wi onsen zeghel(7) gehangen an desen brieue. Gegheuen ende gesciet tot Rozendale, int jaer ons Heren dusent drie hondert seuentiene, des dincendages na sente Remeis dage.

Naar den oorspronkelijken perkamenten brief, voorzien van een uithangend zegel in geel was, berustende in het archief van den huize Bronkhorst.

  1.  dat is, hoorige lieden, hominus proprii. Zij woonden bij Elburg en de opper Eket, behoorende alzo tot den hof ter Eket, onder welke naam nog een boeren erf nabij Elburg, doch thans onder Doornspijk gelegen, bekend is.
  2.  De naam van Eektermarkt, zijnde eene der vier afdeelingen van den polder Oosterwolde, zoude ligtelijk doen neigen, om deze voor de hier in tijns uitgegevene 60 morgen lands te doen houden, zoo niet de omschrijving ghelegen tusschen der Eket ende onze Hollanderbroek ( d.i. het Oldebroek) het meer waarschijnlijk maakte, dat men er de tegenwoordige overdijksche broeklanden onder te verstaan hebbe, en dit waarschijnlijke wordt bijna zekerheid, wanneer men bedenkt, dat deze overdijksche broeklanden steeds onder de gemeente Oldebroek behoord hebben, en dat juist het landregt van het Oldebroek, aan het slot van dezen zelfden brief, door Reinald ook voor de geërfden dier 60 morgen verbindend verklaard wordt.
  3.  Behalve ter dezer plaatse, kwam mij dit woord in oorspronkelijke brieven driemaal voor, namelijk: in den landbrief van het Oldebroek van den 24 Junij 1320, in de uitgifte van het Goor aan de stad Elburg van den 21 Mei 1336, beiden uitgegeven in den Codix Diplom. Achter van Spann, Inleiding, deel IV, en in den landbrief van het Nieuwbroek van den 25 April 1328, dien wij naar tijdsorde mededeelen. Op de eerste plaats leest men:  wi, dat si unse henghemunde, daer si oer naest ghelegen is, gebrucken mogen in oere weyde oers tuerfs te grauen, oer lemes te steken, oers heyden to meyen, sonder enich bicronesche also langhe tent die henghemude blijft ligghen to eenre gemente; en op de tweede: wij Reynaut greue van Gelren ende van Zutphen doen cont – dat wy ghegeven hebben en gheven – onzen poertren van der Elborch – een stuc lants, dat onze henghemunde was, dat gheheyten is dat Ghoer mit dyen vrede ende graue dy daer omme ghaet, – ook leert mij eene aanteekening van den hoogleeraar Bondam, dat van een stuk lands, in het jaar 1328 door graaf Reinald aan de geërfden van Aperlo in gebruik gegeven, gezegd wordt, dat het henghemude was. Eindelijk komt dit woord in oude rekeningen en tijnsboeken voor, waar, van verkochte of op andere wijze uitgegevene gedeelten der tot des graven domeinen behoorende woeste gronden op de Veluwe, de rede is. Het schijnt mij alzo, met het latergebruikelijke heerenveld van gelijke beteekenis te zijn. Misschien is de uitgang mund verbasterd van het Hoogduitsche Mundat, Munitat, beteekende locus vel districtus a jurisdictione civili ordinaria exemptus, en gevormd uit het latijnsche immunitas ( barb. Emunitas). Zoo staat in het Chron. Laurishamense p.107: ex qau ad quercum inter Grafschapht et munitat; ook werden mij door wijlen den hooggel. Heer Ten Broecke Hoekstra uit den Coden M.S. Ruffacensis deze woorden medegedeeld: hic notantur redditus et possessiones episcopi in districtu Rubiacensi, quae vulgariter dicitur die Mundat.
  4. dat is, tiend van nieuw ontgonnen landen, anders novale tiend genoemd. Elders vindt men ratiend, raattiend, raaitiend en roedentiend, allen hetzelfde beetekenende, en afgeleid van roden ( sax. Raden), bij Kiliaan vertaald door exstripare, eradicare, waarvan nog ons uitroeijen. Zoo vindt men in een verdrag tusschen de graven van Gelre en van Kleef van den jare 1266, uitgegeven bij bondam, t.a. pl. Afd. III. No.142, dat beiden het Rijkswald evellere nec eradicare, quod vulgariter roden dicitur, zeu colere et ad novalia redigere de jure non debent.
  5. Zoo werd in het gemeen geheeten, hetgeen, wanneer tijnsgoederen, door verkoop, splitsing of deeling, uit de eene hand in de andere overgingen, aan den tijnsheer, als erkentenis van zijn dominium directum, betaald werd.
  6. Thans het Oldebroek.
  7. Dit is Reinalds klein- of geheimzegel, zoo als hij gebruikte, terwijl hij, bij zijns vaders leven, het bewind in handen had, vertoonde enkel een wapenschildje, waarop een klimmende leeuw met blokjes, en het volledige omschrift + Secretvm . Reinalde . Primogeniti . Comitis . Ghelrie. Het wordt ook gevonden aan den brief van den 22 Maart 1321.

Isaak A. Nijhoff 1830.

hendrik van grietjen

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in H.G. Haasloop Werner..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *