Nunspeet, geschreven in het jaar 1902

 

Overveluws Weekblad  1929.

 

Nunspeet.

Door wijlen Meester DROST

Geschreven in het jaar 1902.

 

Zooals allen bekend is, behoort de streek die wij bewonen tot dat deel des Lands, dat reeds in oude tijden den naam van Vaal-ouwe dat is “schrale grond” droeg, in tegenstelling van Bat – ouwe d.i. beste grond.

Reeds ten tijde der Batavieren waren de Vier wouden hier op de Veluwe bekend, en wie onzer kent niet het Vierhouterbosch even als het Elspeeteer en Gortelsche, die als overblijfselen dier vroegere natuurwouden ons nog heden tot stille bewondering stemmen.

Ons dorp is een deel der gemeente Ermelo en schijnt reeds sedert eeuwen eenigermate aan het dorp van dien naam ondergeschikt te zijn geweest. Vóór de invoering van het Christendom werd dáár de Germaansche godheid Irmin vereerd, als beschermster van den landbouw, de nijverheid, enz. Het wapen van Ermelo hier voor het gemeentehuis geeft er ons eene voorstelling van. In later tijden schijnt het overwicht der geestelijkheid zich zelfs over Harderwijk te hebben uitgestrekt.

Ten minste lag tot voor korte jaren op de kerk te Harderwijk een uitgang van een dertiendehalf, te voldoen op St. Maarten aan de Moederkerk te Ermelo; welke belasting naar ik meen, nu is uitgekocht. Ook zijn in Hulsthorst nog verscheidene boerderijen, die jaarlijks één of meer spinten rogge aan die kerk moeten voldoen.

Wat den naam Nunspeet aangaat, er zijn schrijvers, die Elspeet en Nunspeet meenen te moeten afleiden van Oud en Nieuw speet of spitten, ontginnen, zoodat Elspeet dat van ouderen datum zou zijn dan ons dorp, terwijl zij Doornspijk afleiden van Thor, den dondergod, die ook bij de Germanen vereerd werd.

kerk 1

Wat de oudheid van de plaats onzer inwoning betreft, die laat zich slechts bij gissing bepalen. Wagenaar spreekt in zijne Gesch. Der Nederl. Van den vrede van Nunspeet, maar het jaartal is mij ontschoten. (januari 1481. redactie) De kerk was, evenals het vroeger daarnaast staande klooster, aan Maria gewijd, waaraan ook het Onze Lieve Vrouwen – wegje, het huidige spoorpad, zijn naam ontleent. Deze kerk met den vroeger 140 voet hoogen toren, waren in allen gevalle Christelijke stichtingen, misschien uit de 11de eeuw. De toren was van onderen aan 3 zijden open, van een gewelf voorzien, zoodat men er des noods onder schuilen kon. Of men hier wel veel gebruik van zal gemaakt hebben, betwijfel ik, daar de nabijheid van het knekelhuis wel wat griezelig zal geweest zijn. De toegang naar boven was een steenen trap met ingang in de kerk. Later is de toren van onderen dicht gemetseld, het gewelf weggebleven en een buiten en kerkdeur gemaakt. De steenen trap werd om bouwvalligheid afgesloten en een houten trap voerde naar den zolder. Verder moest men met ladders naar boven klimmen, waar men een eenvoudig, maar degelijk uurwerk vond. Dáár boven hingen 2 klokken, waarvan de grootste op 2000 KG. Geschat werd. Volgens de overlevering waren ze hier op den klokkenberg gegoten. Een ladder hooger was men aan het begin van het leien dak en had daar door 2 luiken N. en W. waarts een schoon uitzicht. Klom men langs de donker staande ladders tot het bovenste luik in de spits, dan werd men door een prachtig vergezicht rijkelijk beloond. Zelden heb ik echter dames aangetroffen die den moed hadden, zoover te volgen.

Het schip der kerk was zeer eenvoudig: gladde muren, een blauw geschilderd plafont en pannen dak. Het koor was in 1540 aangebouwd. Het had veel dikker muren, van buiten met gemetselde beeren om het gewelf te dragen en was met leien bedekt. In de muren van binnen nissen gemetseld, die tot banken waren ingericht. Kerkbanken werden vroeger hokken genoemd. Een dezer banken was met het wapen der familie Van Heeckerens versierd, wier heerlijkheid Bijssel aan den Spijkerweg lag. De predikstoel stond aan de O.zijde en de vloer van het doophek was belegd met zerken waaronder het stof verschillende predikanten rustte.

Tot het jaar 1829 diende de kerk met den omringenden grond tot begraafplaats. Aan den Z.W.-buitenhoek der kerk bij den toren was het knekelhuis en aan de N.O.-zijde vond men het “Verloren Kerkhof”. Daar moesten zelfmoordenaars, onbekende drenkelingen enz. begraven worden; zeker nog een overblijfsel uit den roomschen tijd. Toch was bij den aanleg van de tegenwoordige begraafplaats op de Ganzekamp het vooroordeel nog zóó sterk, dat ook dáár nog een hoek voor dergelijken dooden afgezonderd werd. Toen bij de toeneming der bevolking het kerkhof te klein werd bevonden, is ook deze ruimte voor gewone graven in gebruik genomen, zonder dat de openbare meening er door gekrenkt werd.

Allengs kwam er in de kerk behoefte aan plaatsen. Men maakte aan den torenkant eene galerij voor 60 personen, doch in 1838 was eene vergrooting noodig, die dan ook door het maken van een uitzet aan de noordzijde plaats vond, waardoor er in de kerk plaats kwam voor ruim 900 personen.

kerk 2

Het land dat wij nog kennen onder den naam van Wheme (de heim) was evenals de Papenkamp eene bezitting tot onderhoud der geestelijkheid; van daar nog “tienderij”.

De pastorie was een oud, somber gebouw, met een hoog ketelvormig dak, midden in den tuin gelegen. In 1860 is die afgebroken en door de tegenwoordige vervangen.

De school met woning stond midden in het oude dorp en behoorde aan de kerk. Het schoolvertrek was ongeveer 6 M. lang en 5 M. breed, met eene lage zoldering en grooten schoorsteen. De laagste klasse zat op bankjes zonder lessenaar, zoodat het gebruik van leien dan ook moeilijk was. Voor de twee hoogere klassen waren schrijftafels, enkele voorzien van kastjes met kleppen, andere alleen eene doorloopende plank onder de lessenaar, om het schrijfbord te kunnen bergen. Dit schrijfbord was een langwerpige doos met schuifdeksel en handvat, voor de boeken en schrijfbenoodigdheden.

Vóór het front der klasse hingen 2 zwarte borden terwijl één met notenbalken en eenige landkaartjes een liefhebberij van den meester waren. Toen mijn vader in 1806 werd aangesteld, vond hij in een der hoeken een grooten lessenaar, waarin zijne voorgangers getroond hadden. De plak en het schandbord met de ezelsooren waren ook nog aanwezig. Eer hij evenwel zijn werk begon, waren deze voorwerpen naar den grooten zolder verhuisd.

Tegelijk met zijne aanstelling tot onderwijzer ontving hij ook de benoeming van Koster, waartoe behoorde: Klokluider, Opwinder van het uurwerk, Schoonhouder der kerk, Lichtopsteker als er kaarsjeswerk was, Voorzanger en Lezer, ook van eene preek bij ontsteltenis van den predikant, Doodgraver en Lijkbezorger, Aflezer van publicaties ( kerkespraken) ook van voorgenomen huwelijken, enz. De woning was zeer eenvoudig maar voor dien tijd goed, met een flink achterhuis of deel en een vruchtbaren tuin. Na den vreeselijken storm uit het Z.W. in Nov.1836, die geen enkel gebouw onbeschadigd liet, werd de school afgekeurd en een nieuwe gebouwd, die wat ruimer en beter ingericht was. Op 2 Januari ’38 werd deze zonder eenige feestelijkheden in gebruik genomen. Afscheiding in lokalen kende men toen nog niet en evenmin werd er aan gedacht om den meester hulp te verschaffen. Vóór het jaar 1840 kwamen dikwijls nog jongens tot 18-jarigen leeftijds des winters de school bezoeken. Bij zulk eene drukte werd van de hulp der vlugste leerlingen gebruik gemaakt, daar een ondermeester te veel kostte. Als ik u herinner dat de ouders van ieder kind 5 en 10 cts. Per week moesten betalen, wat voor den daglooner dikwijls ondoenlijk was, kan men nagaan hoe er alles bijgehaald moest worden, om een eenvoudig burgerbestaan te hebben.

Van 1842 – 45 had ik het voorecht onder de leiding te zijn van een flink onderwijzer te Terwolde en na mijne terugkomst verving ik de vreemde hulp, eerst als kweekeling en nadat ik in 1846 acte had verkregen als onderwijzer van den 4en rang, mocht ik als ondermeester optreden. Om u nu een denkbeeld te geven welke eene lucratieve betrekking dit in die dagen was, wil ik u eens laten hooren wat mijn werk was: Ten 8 uur ’s morgens in de school om de boterhammen voor de arme kinderen gereed te maken, de gangen te vegen, stof af te nemen, borden aan te schrijven en een en ander gereed te leggen. Mijn vader zorgde nog al veel voor het vermaken der pennen, want stalen pennen waren te duur! Van 9-11 ¾ uur en van 1-3 ½ uur onderwijs geven. Om 12 uur het uurwerk opwinden en luiden. En daar we nu een paar vaste kweekelingen hadden, moesten die ’s avonds les hebben. Op vrijdagavond moest de school geveegd worden en ’s winters zorgen voor de brandstof en het aanleggen van de kachels.

En de belooning? Kost, inwoning en bewasschen 25 per jaar. En dat bleef mijn loon tot ik op 22-jarigen leeftijd mijn hoofdacte toen 2de rang verkreeg; toen ontving ik 40 gulden. Het hoofd der school kon evenwel niet meer doen, daar de opbrengst der schoolgelden met de winst op de schoolbehoeften nooit tot de som van f 500 is gekomen. Doch genoeg hiervan; de behoeften waren toen ook niet zoo groot. Wij schoolmeesterskinderen liepen in de week met pilo broek en buis en klompen aan; mijne zuster droeg een zwart mutsje met veer zooals de andere meisjes. Op de najaarsmarkt te Elburg werd evenwel door de meeste dorpelingen een koetje gekocht, dat na slachting zelden hooger dan 11 à 12 cts. per pond kwam. En de boeren brachten dikwijls, als ze van de Deventer paardenmarkt kwamen Vandáár heerlijk rundvet mee tegen 15cts. per pond. Wittebrood werd veel minder gebruikt dan thans; eigengebakken roggebrood en roggestoete en vooral aardappelen waren dagelijksch voedsel. In mijne kindsheid kende men in de boerenwoningen geen ander middel tot verlichting dan een hanglampje met katoenen of biezen pit gevoed door eigen verbouwde reuf- of raapolie. Kaarsen kende men alleen voor de kerk en enkelen voor een lantaren. Natuurlijk waren dit vetkaarsen. Als men op het dorp eens visite had, daar Dominé of Dokter met hunne juffers ook kwamen, dan werd er eene kaars van de 6 soms van de 4 gebrand. Engelsche lampen, spaarlampen en eindelijk Moderateurs volgden bij de burgers en men hoorde of las van gaslicht.

En ziet daar komt op eens de petroleum, die spoedig tot in de geringste woning eene betere en veel goedkoopere verlichting brengt. De patentolie steeg in de winter vaak tot 60 cts. per liter en gaf dan dikwijls nog slecht licht.

Wat ons dorp zelf betreft, het strekte zich in 1833 niet verder uit dan van de pastorie tot den Elspeeterweg en telde een 30tal gebouwen, slechts enkele met pannen gedekt. Recht tegenover de school stond een blok van 8 woningen, strooien dak, ramen met kleine ruitjes in lood gevat en halve luiken. Als buurkind drentelde ik gedurig dwars over, trok aan het riempje en de deur ging open. De ondervinding had mij spoedig geleerd, dat de vloer te diep lag voor mijn kinderbeentjes. Daarom ging ik op den drempel liggen en werkte mij zoo naar binnen. Bij het leggen van de straat was de weg opgehoogd en lagen die oude huizen in de diepte.

In het voorjaar van 1834 bleef het lang koud; de wind wilde den N.O. hoek maar niet uit. Mijn vader, die een tuinman in zijn hart was, zei op zekeren vrijdagavond: “O ik wou dat morgenochtend de wind eens om was!” Zijn wensch werd gelukkig niet vervuld. ’s Morgens half 6 zag het werkvolk, dat aan de toren nieuwe wijzerborden maakte, rook opstijgen uit het dak van eene dier woningen. Fluks trokken ze de brandklok en al wie wakker was snelde toe om de oude menschen en kinderen uit bed te grijpen en te redden, wat nog gered kon worden. De N.O.wind dreef den vuurgloed over der dorpereng en kon daar gelukkig geen kwaad doen. Daar alles op herbouw verzekerd was, werd het gansche blok door een hier wonenden aannemer spoedig weer opgebouwd.

Weer was het een Zaterdag, toen men in de vroegte was begonnen de pannen te leggen. Omstreeks half 10 had men de zuidzijde bijna dicht, toen men gekraak hoorde. IJlings vluchtten de werklieden van het dak en daar stort het grootste deel van de lange rij in één. Te verwonderen is het dat het werkvolk er zoo afkwam; slechts één jongen die uit nieuwsgierigheid stond te kijken, kreeg een schram langs het hoofd. De aannemer riep tot zijne vrouw die op het geraas kwam toeloopen: “Nou, Garritjen, doar leit de boel!”

En toen eenige maanden later alles onder beter toezicht herbouwd was, blufte hij nog: “Nou, ik heb er toch nog 600 gl. an verdiend!”

In mei 1843 werden weer eenige oude gebouwen door brand vernield en door nieuwe vervangen. En op 6 juni 1855 ontstond er brand in den stal van de Roskam, die door een Z.O. wind aangeblazen, in 2 uren tijds kerk en toren in de asch legde en een 30tal gezinnen dakloos maakte.

Brand 6 juni 1855 Nunspeet

Welk een treurigen aanblik ons dorp toen gaf, waag ik niet te schetsen.

 

Zoover mijn geheugen reikt, hadden we op het dorp 2 logementen: de Roskam en de Vos. Dit laatste is na de brand van 1855 niet herbouwd; het stond in den tuin naast Walvaart. Dit logement was tevens boerderij, terwijl mij nog heugt dat in den tuin een gebouw stond voorzien van alles wat tot eene bierbrouwerij behoort. De brouwer had zijn schaapjes op het droge en leefde rustig. Het Nunspeeter bier moet vroeger een goeden naam gehad hebben.

Ook had men nog eene herberg voor den reizenden man, die na het leggen, van den Zuider Zeeschen straatweg zich in druk bezoek mocht verheugen. Toen men den waard eens vroeg: “Wel Bart! Waar bergt gij toch al uwe gasten?” antwoordde hij: “Dan leg ik wat stroo op den grond en dan mar bie Bart in de rie!”

Doch dit doet mij denken dat we buiten het dorp nog eene herberg hadden, die van ouds her wijd en zijt bekend was, n.l. Het Hul. Een flink boerenhuis met een grooten lindeboom er voor, aan de overzij van den weg een groote schuur, waarin bij gelegenheid van een paardenmarkt te Zwolle soms meer dan 100 paarden konden gestald worden. Koning Willem I heeft bij zijn eerste rondreis door Nederland onder dien lindeboom een eenvoudig ontbijt gebruikt.

pesion de Valk Nunspeet

Nu iets over de verschillende takken van nijverheid. In de Kallekuur had men een kamer van het pension “de Valk” eene linnenweverij. De gebr. Christoffel en Gabriël van Gaffers hadden 2 weefgetouwen staan. Ook hun broer Jan beoefende dat vak. Men kon hem vinden aan de O. zijde van de huidige begraafplaats, waar hij vóór zijn huwelijk op eene strook zoomgrond zijn nestje had getimmerd. Huisvertrek, slaapkamer, weverij, geitenstal en kippenhok bevonden zich in eene ruimte, die doorboven de noodige netten en kooien voor het vinkenvangen inhield.

Deze weverijen hadden nog al wat te doen, al leverden ze dan ook geen ruim bestaan, daar het werk te langzaam ging. In dien tijd toch verbouwde ieder zooveel vlas, dat men zijn “eigen gereid” linnen had. Had men vlas geplukt en was het gereed ter braking, dan werden de buurmeisjes verzocht met hare braakmachines en de dorpers trokken ’s morgens bij tijds naar het “Hardeweegje” d.i. de weg tusschen G.van Olst en de molen, “de Hoop”.

Misschien heeft iemand wel eens gedacht: waarom heeft die sloot daar zulk een inham in de haag? Welnu dat is de oude braakhoek van het dorp. Als het braken was geschied, moest het vlasgehekeld worden en was dan tot spinnen gereed. Het spinnenwiel vond men in bijna iedere woning, vooral ook om van wol zijn “eigen sajet” te spinnen. Ik herinner mij nog, dat mijn moeder en zuster er ook zeer goed mee terecht konden. Boerinnen die veel te spinnen hadden, verzochten dikwijls kennissen, die dan met hare wielen kwamen. Dit was dan een feestelijke dag en ’s avonds kwamen goede vrienden om de meisjes huiswaarts te geleiden. Sommigen houden deze visites of spinningen nog in eere, maar sinds het katoen en graslinnen algemeen burgerrecht verkregen hebben, heeft de vlasteelt hier bijna geheel opgehouden.

Nog eene andere industrie bestond hier van oude tijden. Ieder kent het Kuiperpad, dat van de straatweg naar den Brinkersweg voert. Het huis van G.van Olst staat op de plaats, waar vroeger een looierij was. In mijn jeugd leefde nog de laatste looiersknecht, die nadat de zaak was opgeheven, daar nog woonde en met schoenlappen een karig stuk brood verdiende. Dat het indertijd nog al eene zaak van eenige uitgebreidheid moet geweest zijn, leid ik af uit de vrij lange spoelgracht, die ik gekend heb, waar de eikenboomen achter het huis van v. Olst nu welig groeien.

Aan den anderen kant van het pad had de schoenmaker Rekers een stuk van de Wheme in erfpacht, waar hij 2 kuipen en een spoelkolk had, om de huidvellen voor eigen gebruik te bereiden. Als ze dan aan ’t werk waren, had men geen muskuszeep noodig, om de reukzenuwen onaangenaam te prikkelen.

Wat de middelen van bestaan over ’t algemeen aangaat, deze waren landbouw en veeteelt. Zonder mest geen landbouw en zonder gras geen rundvee. De boeren langst de heidekant trachtten hierin te voorzien door het houden van schapen. Elken morgen trokken de scheper en zijn hond met de schapen naar het veld, d.i. de heide. Ook hier kon men ze dagelijks met den herder voorop door het dorp zien trekken. De hond liep altijd rondom de kudde tot dat ze op de plaats waren, waar de herder ze hebben wilde. De schaapskooi of het schot was eene schuur zonder gebindten, maar met schoorposten van buiten, omdat elken dag eene laag aarde en plaggen door de kooi gestrooid werd, waardoor allengs de mest de hoogte van de houten wanden bereikte. Meermalen bevatte zulk een stal 600 wagens vol mest. Groote boerderijen hadden gewoonlijk 2 kooien, één aan de bovenstreek voor het bouwland dicht bij de heide en een bij het huis.

schaapskooi

In Juni moesten de schapen geschoren worden maar een paar weken te voren dreef men ze naar de waschkolk, een vrij diepe waterkom bij Nieuw Soerel, waar ze gewasschen werden. Op den bepaalden dag kwamen de buren, die met de schaar terrecht konden, reeds ’s morgens te 5 ure op de deel der boerderij, waar ze genoodigd waren en begonnen de dieren van hunne vacht te ontdoen. Tegen 10 ure kwamen de gasten, want het was schaapskermis. Na het gebruik van koffie met stoete ging men eens kijken en samen praten. Tegen 2 uur was het scheren gewoonlijk afgeloopen en werd men aan tafel genoodigd. Aardappels met stokvisch vormde de hoofdschotel en daarna volgde een groote tinnen schotel rijstebrij met suiker. Tegen 6 uur werd er nogmaals koffie met stoete gebruikt en daarna ging ieder voldaan huiswaarts. Eenige dagen later werd de wol naar de markt te Veenendaal gebracht. Door de aanleg van bosschen en op de heide zijn de schapen afgeschaft.

Eer we over de takken van bedrijf voortgaan, willen we nog eens terug zien naar het begin der 19de eeuw. Familienamen waren toen nog zeldzaam. Hier woonde Tiemen Mannissen, ginds Hannissen Eibert, elders Knelis Lammerts Hendrik, en als men gevaar liep om zich te vergissen, werden er nog maar een paar voorvaderen bijgenomen, b.v. Jan Geurts Hendriks Jan. Dat de kleeding nogal van heden verschilde is te denken. De pet was vóór de komst der Franschen hier onbekend. Een wagenmakersknecht waagde het ’t eerst zich met dit nieuwmodisch hoofddeksel te tooien. In het werk droeg men algemeen een grijs linnen broek, dekte zich zoo noodig met een blauwe slaapmuts en overigens met een grooten zwarten hoed. De gouden knoopen onder den hals, de korte broek met zilveren knoopen in de boord en dito kniegespen, lage schoenen met groote zilveren gespen en niet te vergeten een lang buis tot op de hielen vormden een deftig pak. Bij de boerin viel vooral in het oog de stroohoed veel overeenkomst hebbende met een ronde vloermat en het regenkleed, dat we bij begrafenissen nog voor rouwkap gebruiken. De boerin, die den moed had voor het eerst met een groene parapluie in de kerk te komen, leeft nog in eene naburige gemeente. Zij was de eerste weken op aller tong. In den zomer liep ieder in het boerenwerk barvoets en het heeft heel wat moeite gekost de ouders en de kinderen te gewennen, dat ze niet met bloote voeten op school komen.

Voor 1829 kwamen zelden vreemdelingen op het dorp; de groote weg liep over het Hul en voetgangers namen het zeepad, over Doornspijk, welks kerk toen nog aan zee lag. Of wel men koos het pad langs de beek. Want dit was ook nog eene eigenaardigheid van deze streek; de beeken of waterleidingen dienden tevens tot rijwegen voor de aan wonende boeren. Eerst in de 2de helft der vorige eeuw heeft men aan deze onhoudbare toestanden een einde gemaakt.

diligence

Zoodra de straatweg geopend was, kregen we een Rijkspostkar en 2 diligence diensten, wat heel wat levendigheid aanbracht. Ook kermisreizigers met hunne beeren, drommedarissen, apen, Tyrolers met hunne doedelzakken enz. maakten gebruik van den weg. Troepen ganzen om naar Amsterdam vervoerd te worden, rijen ezels met glaswerk beladen, en in de winter als de zee dicht lag, tal van zware vrachtwagens passeerden ons vroeger schier onbekend dorpje. Ook kregen we nu gedurig inkwartiering van soldaten. In 1834 kwamen de Jagers van Cleerens terug van den 10 daagschen veldtocht. De school moest voor hoofdwacht dienen en de soldaten stookten de kachel zóó gloeiend, dat mijne ouders bijna niet ter ruste durfden gaan.

Later na het sluiten van den vrede met België hebben we nog meermalen gansche bataillons gehad, maar de nieuwe school werd niet weer voor zulk een doel afgestaan.

Omstreeks 1809 had Nunspeet eene bevolking van 900 zielen. Den toenmaligen Burgemeester scheen het hier te benauwd te worden: hij verliet in stilte zijn post. De schoolmeester, die het ambt van Adjunctmaire bekleedde, moest met behulp van den veldwachter voor alle openbare zaken zorgen, wat in die veelbewogen tijden lang geen gemakkelijke taak zal geweest zijn. In 1838 was de bevolking tot 1700 gestegen en in 1850 tot ongeveer 2500. Nu begon de landverhuizing naar Noord-Amerika, die de bevolking telkens decimeerde. Eerst in de laatste jaren begint het zielental weer te klimmen.

Na het jaar 1830 begon zich gebrek aan woningen te openbaren. De energieke Burgermeester en Notaris Mr. C.L. Vitringa trachtte hierin te voorzien. Door aankoop en erfpacht kreeg hij bouwterrein ter beschikking en moedigde andere bouwlustigen aan. Zoo ontstond de Laan. Allengs verrees menig knap burgerhuis, doch ook arbeiderswoningen werden gebouwd, van welke “de acht zaligheden” verscheidene jaren bestaan hebben. Er werd eene katoenfabriek, calicotfabriek, opgericht, waar in den besten tijd 130 meest jonge menschen werk vonden. Verscheidene jaren heeft deze tak van industrie hier vrij wat geld onder de menschen gebracht. Zij, die weinig onderricht genoten hadden, moesten twee avonden in de week naar school, terwijl de predikant een uur per week met hen catechiseerde. Door de invoering der stoommachines raakte de zaak evenwel in verval en bloedde zachtjes dood. Wat nu de zedelijke gevolgen betreft, die waren verre van gunstig. Zij die vroeger weinig geld in handen kregen, leerden nu snoepen, drinken en pronken: aan sparen werd niet gedacht en aan eigenlijk werken raakte men ontwend. Over het samenzijn onder één dak van beide geslachten zullen we maar zwijgen.

 

Later werd in het oude tuinmanshuis op de Grote Bunte eene azijnfabriek opgericht; uit foezel of aardappeljenever werd eene zeer goede azijn gemaakt. Daar de verzending te kostbaar was, werd de fabriek reeds spoedig naar Deventer verplaatst en daar er weinig volk voor noodig was had dit geen invloed op onze plaats.

Toen Burgemeester Vitringa alles in het werk stelde, om Nunspeet in bloei te brengen, meende hij ook iets te moeten doen, om de gezelligheid te bevorderen. Daartoe riep hij de “Groote lui” van het dorp en de buitenplaatsen samen, om eene societeit op te richten en daar Z.E.A. niet karig was, om een goed fondament te leggen, gelukte hem dit en heeft deze verscheidene jaren bestaan. Daaruit ontstond weer eene Afdeeling der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen die in het wintergetij verschillende sprekers deed optreden en menigen nuttigen en aangenamen avond verschafte. Na den dood van den ouden Heer scheen een en ander de levenskracht gebroken. Nu werd door eenigen jongelieden eene Rederijkerskamer opgericht, die wel niet op algemeene deelneming kon bogen, doch waarvan de werkende leden hun best deden, om aan hunne kenspreuk Vooruitgang is ons doel, te beantwoorden. Ook hadden eenigen dier jongelieden een fanfarecorps opgericht. Daar echter de meeste leden hier slechts tijdelijk vertoefden, zijn beide vereenigingen na korte jaren te niet gegaan.

Wat de omgeving van ons dorp aangaat, we spraken straks reeds van buitenplaatsen. Op ¾ uur afstands ten W. aan den Breedenweg vond men een heerenhuis Grootvinkel genaamd later verdoopt in Buitenzorg. Eenige minuten verder stond de Haring, een heerenhuis met eene boerderij annex en een 100M. verder nog een optrek, Groeneveld.

In den zomer waren deze gemeenlijk bewoond. Het eerste huis is afgebroken en de twee anderen hebben plaats gemaakt voor de lommerijke villa Groeneveld, ons allen wel bekend.

De landgoederen Hulsthorst en Essenburg zijn van zeer ouden datum. De familie Van Meurs heeft altijd trouw medegewerkt tot den bloei van Nunspeet. Aan de Hierderbeek, tot het landgoed den Essenburg behoorende, was een papiermolen tot het vervaardigen van grijs papier. De invoering der stoommachines heeft ook dezen molen den doodslag gegeven.

We noemden straks met een enkel woord de heerlijkheid Bijssel, die door grachten omgeven, te midden van uitgestrekte graslanden aan den Spijkerweg onder Doorspijk lag. ( 1367 en 1717 ) De hooge vloed van 1825, die vele boerderijen aan Zee deed instorten, benadeelde ook dit huis zoodanig, dat het afgebroken moest worden en alles tot grasland gemaakt is. De Veelhorst was vroeger een heerenhuis naast de boerderij. In de Geldersche geschiedenis komen de H.H. van de Veelhorst en het Oud Essenburg nog al eens voor.

De Groote Bunte, in het begin der 19de eeuw een eenvoudig huis zonder verdieping, heb ik langzamerhand zien aangroeien. Eerst eene verdieping er op, daarna ter weerszijden een vleugel, waarop na ettelijke jaren ook eene verdieping geplaatst werd. En zeker zijn er nog verscheidenen in ons midden, die het oude gebouw hebben zien afbreken en door het tegenwoordige vervangen.

Grote Bunte Nunspeet

Als men de klokkenberg het O. in ging, kwam men langs de Vischeng aan den O. einder Zoom. Daar stonden omstreeks 1834 eenige hutten. Op wiens grond? Ja, Vader en Grootvader hadden daar ook al gewoond. Een gedeelte rondom de hut was ontgonnen, overigens alles was woest: stuifzand. De heer Vitringa verschafte aan die menschen behoorlijke woningen op een andere plaats en bezaaide achtereenvolgens alles met dennen. Dat er ook wel eens een stukje zoomgrond afgegraven en bezaaid is, waarop anderen meenden recht te hebben, is zeer wel mogelijk, maar de zandverstuivingen werden aan die zijde beteugeld, wat ook den eigenaars der aangrenzende gronden ten goede kwam. Er verrees een dagloonerswoning voor den boschwachter, die de aangelegde paden goed in orde hield en dagelijks toezicht had over de opgroeiende houtgewassen.

Omstreeks 1842 had er van wege het Bestuur der Domeinen eene opmeting plaats. Alle woeste gronden, die de laatste tien jaren waren bezaaid of bepoot, zonder dat ze vroeger waren beheerd, moesten nu aan het domein vergoed worden. De bewoners van Elspeet hadden hunne bosch-en heigronden steeds door hunne “Boerrichters” doen beheeren, dus had het Domein hier geen recht op. Maar onze heidevelden en zandverstuivingen lagen daar eeuwen lang woest, bijna zonder eenig toezicht. Tusschen Nunspeet en Elspeet, ja langs Vierhouten tot Oud Soerel stond geen boomgewas dan een enkele Dammerbes.

zandverstuiving Nunspeet

Het Onze Lieve Vrouwenwegje opgaande, kwam men langs de Paaschberg op het Eibertjes-pad. Het kronkelde zich door het stuifzand en was vaak onkenbaar. Het pad naar Elspeet scheidde zich hier af en was niet beter. Als men een stap vooruit deed, ging men een halve terug. Dit deed eens een aanmechtigen voetganger uitroepen: Nu kan ik mij begrijpen, dat de Israëlieten 40 jaar werk hadden om door de woestijn te komen! De wegen waren zoodanig, dat de boer met een kleine vracht heide of plaggen telkens het paard moest laten rusten. Een vracht groothout rekende men toen op 200 stuks, terwijl men er nu 800 thuis brengt.

De inwoners waren tot hand en spandienst verplicht en moesten elk op hun beurt helpen wegmaken of een man daartoe zenden. Zelf heb ik meer dan eens geholpen, om met de door de boeren aangevoerde heiplaggen den weg door de zandwoestijn te verbeteren. Het land in den Dorper-eng en verder W. waarts werd voortdurend met stuifzand bedekt en had bijna geene waarde. De eenige beschutting waren de hutten op den Zoom hier en daar half in den grond verborgen, en van enkele pruimboomen en seringstruiken omringd. Dat de bewoners dier hutten het ook niet breed hadden, is duidelijk. Het gebeurde vaak, dat bij eene aanbesteding van spitwerk, het werk zoo goedkoop werd aangenomen, dat men geen 20 cents per dag kon verdienen. De ijverigste daglooner op den Zoom bezat niet meer dan een paar schapen of geiten, terwijl men thans bij de meesten een of meer stuks rundvee vindt.

Doch keeren wij tot onze woeste gronden terug. Het Domein bood ons gemeentebestuur aan die gronden over te nemen onder voorwaarde van geleidelijke ontginning of bebossching. Natuurlijk werd dit aangenomen en weldra werd een groote strook langs de grens van Doornspijk aan eenige Hollandsche heeren verkocht, die er Nieuw-Soerel stichtten en door den aanleg van bosschen, enz, aan vele arbeiders werk verschaften. Er zijn winters geweest, dat er dagelijks 80 arbeiders aan het werk waren.

Ook eene strook ten W. van den ouden Vierhouterweg, nu de Plaggeweg, werd door een paar heeren uit Harderwijk gekocht en beboscht. De Gemeente bleef ook niet in gebreke en de prachtige wandelingen, die we nu ten Z. van het station hebben, zijn daar de vrucht van. Wel meenden vele boeren, dat ze van de heidevelden niets missen konden en hadden eerst heel wat te pruttelen. Langzamerhand gewenden zij er evenwel aan, om zich voor strooisel niet uitsluitend van heideplaggen te bedienen. En als men nagaat welke kapitalen reeds door de gerooide dennebosschen van die gronden zijn getrokken en welke voordeelen de beteugeling van het stuifzand heeft te weeg gebracht, dan kunnen we niet anders dan met dankbaarheid op deze maatregelen terug zien. Ook de grondeigenaars in Hulsthorst en Westeinde hebben medegewerkt en ervaren zelf de voordeelen voor hun bezittingen.

Dat ook de Maatschappij van Landbouw veel heeft gedaan en nog doet om veler oogen te openen voor hetgeen tot bloei voor landbouw en veeteelt kan strekken, willen we hier even herinneren.

Hoe later de opening van den Centraal Spoorweg ons dorp meer rechtstreeks met het wereldverkeer in aanraking bracht, hoe de grindweg naar Elspeet gelegd werd enz enz., willen we aan ieders verbeelding overlaten.

Nu willen we eens een wandeling maken naar de Mythstee en stellen ons voor te zijn in het jaar 1840. We bevinden ons in het dorp en gaan langs het Lieve-vrouwenwegje zuidwaarts. Het huis, waar nu de smid J.v.Sloten woont stond toen nog vast aan dat van Tiemens en de weg liep ten O. van het huis heen. Schoon eene zeer eenvoudige woning, was het toch voortdurend bezet geweest door geneeskundigen of gepensioneerde officieren. Nu woonde er zekere heer Zonstrom uit Amsterdam, die een bepaalde vriendschap had opgevat voor den ouden wever Christoffel v. Graffers. De oude man had zijn weefgetouw verlaten, was met de wed. Haze of zooals zij in de wandeling genoemd werd: Nure voars Jannetje, getrouwd en woonde nu in een huisje op den Dorperzoom, dat de heer Zonstrom voor hen had laten bouwen en om de guurheid van de streek Koudhoren had genoemd. Tegenover den tuin van het logement de Roskam, ten O. van den weg vond men het Sterreboschje, in welks midden een heuvel was, waarop vroeger een steenen koepel had gestaan. In den Dorper-eng gekomen zag men aan de landerijen terstond den invloed van de zandverstuiving. Een rij van hutten, de Zoom genaamd, wees de grens van het bouwland aan. We willen bij eenige dier huisjes even stilstaan. Het verst ten O. was een lange hut bewoond door een stoeren Fries met vrouw en gezin. De man was koudslachter en de overblijfselen van paarden en koeien verspreiden vaak alles behalve aangename geuren. Daar de man in de wandeling Hage de Fries geheeten werd, kreeg dit huisje de naam van Slot Hagestein. In de buurt stond een dergelijk gebouw, waarin twee gezinnen woonden en daarom de gebouwen van de Eerste en de Tweede Kamer genoemd werd. Hier woonde o.a. een man wiens vingers wat lang waren en die daarom al meermalen in de kast had gezeten. De toenmalige predikantsvrouw vroeg hem eens: Wel Harm! Is dat waar? Gaat gij stelen?   Och juffer! De minschen zeggen zooveule! Mer dit kan ‘k joe wel zeggen, dat jie de lekkerste boerenkool hen van ’t gansche daarp. Nu was buurman Hage arm maar eerlijk en dit was Harm een doorn in het oog. Op zekeren kouden winterdag komt hij in de hut van Hage, waar aan nagenoeg alles gebrek was. In dien tijd waren er nog niet veel bosschen om te sprokkelen. “Zoo volk” zegt Harm,”hoe he jieluuit et? Genog te eten en te branden?” “Noe” zegt Hage,”dat kun je     denken. De kienders krupen um het vuur mer d’ er is neet an; en et brood en de èrpels bint duur”. “Jie bint en gek!”zegt Harm, “bie de Vossen achter in de hof zitten kulen vol èrpels”.  “Hou je stillen kèrel! ‘k wèl een èrlijk mins blieven”.

“Doar hei geliek an; loat je kienders mer dood goan van gebrek, ai de èrpels veur ’t hoalen hen. Heije gien zak dan zak je wel helpen”. In ’t kort Harm praat zo lang, dat Hage ’s avonds een zak vol aardappels gaat halen. Harm bespiedt hem en loopt naar de veldwachter om dien te vertellen wat de “eerlijke” Hage gedaan had. Natuurlijk moest de zaak onderzocht worden en bleek de schuld van de armen man. En wat het ergste was: hij had zijn eer verloren! De volgenden dag verscheen Harm weer. “Wel Hage, noe bin je niks beter as ik ook! En dief, hè!”

 

Zooals ik straks zei stond hier ook de woning van Chr. Van Grafters, Koudhoorn genaamd, en op den grond daarnaast had een gewezen soldaat, die een mooie som gelds als remplaçant verdiend en gespaard had, een daghuurderswoning gebouwd. De man had eenige hectaren duingrond aangekocht, was getrouwd en begon zijn eigendom te ontginnen. Daar hij in Noord-Brabant gezien had, hoe de Keuterboertjes met hunne melkkoeien ook het land bebouwden, begon hij ook op deze wijze. Later fokte hij een os op, zoodat de koe tot hare bestemming terug keerde. Deze vestiging kreeg de naam van Bergen- op- Zoom.

Nu wandelen we voort en komen aan den Paachberg! Geheimzinnige plaats voor onze kinderen! Daar haalde de ooievaar dus de kleintjes, die telkens nu hier, dan daar gebracht werden!

En als het Paaschmaandag was, dan met gekleurde eieren naar de berg!

En dan kwam Barts Jochems Grietje met haar koektafeltje! En dan “de man een cent” dobbelen, om een stuivers mopkoek. Maar dan ook weer den berg op – en afloopen of rollen! En ’s avonds boven op den berg een Paaschvuur! O, wat een kinderlijke pret! Jammer dat een kroeghouder den inval kreeg er op dien dag eene tent te plaatsen. Dronkenschap en vaak bloedige kloppartijen waren er het gevolg van!

Doch wij wandelen verder het zuiden in tot waar het eibertjespad zich scheidt van het pad naar Elspeet. Daar bevond zich nog een kuil, waarin de dorpsbewoners in 1672 hunne kostbaarheden in den brouwketel verborgen hadden, toen de Franschen ook dit deel van ons Land afstroopten.

eibertjespad

Het Eibertjes-pad volgende komen we na eene wandeling van een half uur op de heide, en onze blikken O.waarts slaande, zien we den bodem zich verheffen. We verlaten het pad en begeven ons derwaarts. Op de hoogte gekomen, bemerkten we een aantal kuilen, alsof er groote boomen gerooid zijn geworden. Een paar schreden verder en we zien in een langwerpig dal. Langs de W. en N. zijde zijn zodebanken aangebracht en midden in het dal twee dergelijke tafels. De bijenhouders hebben een deel dezer banken wat vergraven, om er hunne korven te plaatsen, wat wel jammer is. Gaan we nu over den zuider-rand, dan zien we daar een moeras.

Hier hebben we dan de Mijthstee.

Mythstee Nunspeet

Waartoe zou die toch vroeger gediend hebben? Hofdijk zegt, als hij de rechtspleging der Germanen beschrijft, dat deze altijd plaats had in de open lucht, veelal in de bosschen. Zij hadden de gewoonte, als een doodvonnis was uitgesproken, dit terstond uit te voeren. Een misdadiger, die zich aan zedeloosheid had schuldig gemaakt, werd onder een horde in het moeras gesmoord, terwijl de anderen aan de “dorren boom” werden opgehangen. Dit geeft ons een duidelijke verklaring waartoe de Mijthstee bij onze voorouders gediend heeft.

Nu rest ons nog de legende van “Buntemansberg”. Als kinderen hadden we er wel eens over hooren praten; geen wonder dus dat we ons tot Vader wendden met de vraag: Hebt gij dien berg wel eens zien branden? En toen we schemeravond rondom een heerlijk turfvuurtje zaten, moest vader ons er van vertellen. Ik was nog een kleine jongen misschien van een jaar of 8 toen ik met mijn vader ’s avonds van een boer kwam. We waren bij den Bruineneng en ik praatte den heelen tijd druk, zooals kinderen doen. Vader sprak weinig en eindelijk”Stil men jonge!” “Waorumme Vaoder?” “Kiek, Buntemansbarg braandt”. Hij wees naar den zoom, waar toen reeds enkele hutten stonden en waar men verder op de onbeteugelde zandheuvels zag.

We liepen zonder spreken voort, nu en dan eens achterom ziende naar het licht, dat van Buntemansberg heette te zijn.

Toen ik wat ouder was, vervolgde mijn vader, sprak ik met mijn kameraad af, elkander te waarschuwen, als zich dat verschijnsel weer vertoonde en er dan heen te gaan en te onderzoeken.

Doch gij wilt zeker de legende weten.

Welaan, in het Westeinde tegenover het nu nog staande tolhuis ligt de boerderij Trompet. Voor vele jaren woonde daar zekere Bunteman met zijne vrouw. Hun huwelijk was kinderloos. Zij hielden een herbergje voor doortrekkende kooplieden: en onder hunne gewone gasten behoorde een kramer of zooals men in de volkstaal zegt: een krèmer.

Deze komt op zekeren avond met een gevulden gordel om den nacht over te blijven. Wat er dien nacht gebeurd is willen wij niet schetsen. Maar den volgenden morgen zeer vroeg komt de brouwer Vos van het dorp om te hooren of er ook bier noodig is. Nabij komende ziet hij dat Bunteman en zijne vrouwe bezig zijn een zwaar voorwerp uit het huis te slepen en in den put werpen. De put wordt met aarde gevuld en een appelboom er op gepoot. Nu komt Vos voor den dag en vraagt: wat zij uit gevoerd hebben? Bunteman grijpt hem bij den keel en dreigt hem met den dood, zoo hij niet zweert hem te zullen verklappen. Vos zwijgt. Wel werd er door dezen en genen gevraagd: hoe zou het toch wezen dat de krèmer niet weer komt? Maar er waren toen nog weinig nieuwsbladen en die werden ook op het land niet gelezen.

Maanden zijn voorbij gegaan. Vos moest eens naar Amsterdam en doet dit volgens gewoonte per Elburger beurtman. Er zijn nog meer passagiers, en onder deze ook Bunteman. Daar het herfst is gaat men bij het vuur. Daar krijgen Bunteman en Vos twist over de plaats bij het vuur. Vos wordt driftig en zegt: “of wou je mien doen net as je mit de krèmer edoan hen?” Wat is dat met de krèmer, zegt de schipper, weet je daar wat van? Ja, zegt Vos, die het hi vermeurd! In ’t kort, toen ze te Amsterdam kwamen, wordt het gerecht er mee in kennis gesteld. Bunteman ontkent eerst alles en zegt: “As ik dat edoan hé, dan mag ik liejen, dat ik eeuwig braande”. Bij onderzoek bleek de waarheid en werd hij veroordeeld om op de berg nabij zijn huis aan een paal geworgd te worden. Dit geschiedde. En nu zegt de sage, dat tegen Hoogtijden telkens een licht op dien heuveltop gezien werd.

Zover de legende van Buntemansberg.

De afspraak tusschen mijn Vader en zijn kameraad was jaren geleden gemaakt maar niet vergeten.

Op zekeren winteravond zit mijn Vader volgens gewoonte bij zijn kunstlicht pennen te vermaken, toen de voordeur los gedaan werd en iemand riep: Meister! Buntermansbarg braand! Kom gau! Vader staat op en begeeft zich met vele anderen naar den Kruisberg, nu den Stationsweg. Daar had men over de Haverkamp heen een ruim gezicht naar het zuidwesten. Het stond er al vol menschen die allen staarden naar een lichtpunt dat al minder werd. De een had deze meening de ander weer wat anders.

Mijn Vader zag het ook en hij kon niet nalaten lachend te zeggen: “Vrienden! Het is de Avondster die onder gaat”.

XXXXXXXX

 

 

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Nunspeet.

2 Responses to Nunspeet, geschreven in het jaar 1902

  1. Ik vond het echt leuk. M. Lyberth

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *