Oostende.

 

 

 

Oostende.

 

Niet het Oostende, waar het des zomers wemelt van badgasten, die er den tijd zoeken te korten, of hunnen levenstijd te verlengen door van tijd tot tijd het element der menschen te verlaten om zich in dat der visschen te bewegen, maar naar een veel meer in de nabijheid gelegen Oostende, waar de ploeg des landmans de aarde doorklieft en eene zee van goudgeel graan zich krult, wensch ik den lezer te geleiden.

Kom, volg dan met mij, van Elburg af, omtrent één uur lang, den Zuiderzeeschen straatweg, tot aan het Roode kruis, eene voormalige bierbrouwerij en tot op het jaar 1800 de verlustigings- plaats der Doornspijksche kermisgasten, en slaan wij dan den weg links in over de Gelinte (Gelinte of gelente is een oud woord, beteekenende een schutting, staketsel of omheining met latwerk.) een weg, die zijnen naam ontleend heeft van de afschuttingen, welke langs de geheelen weg regts en links waren aangebragt, tot aan de driesprong, de Brantsboom genoemd. Daar komen wij op den Bovenweg, eene laan met zware eiken beplant, en voor de gracht, die het Oostende, een gehucht onder de gemeente Ermelo, omsluit. Wij treden de steenen brug over en de aanwezige boerenwoning binnen. Daar wordt ons door den bewoner bereidwillig de zaal geopend van het belende spijker, thans de landheerswoning.

Eene groote vierkante kelderkamer, met steenen vloer, twee kruisramen en open schoorsteen, weinige oude meubelen, waaronder nog één van het eertijds aanwezige zestal schilderijen, bestaande in familie- portretten, de vijf overige zijn door de Franschen in 1672 bij hunnen inval op de Veluwe vernield en met de bajonetten doorstoken, welke gepunte pieken, eerst twee jaren vroeger onder Lodewijk XV ingevoerd zijnde, toen eene der eerste proeven namen op de roerlooze kruisridders met hunnen door een rood kruis onderscheiden wapendos.

Ik kon u nu nog rondleiden over de onderhoorige drie bouwerven, zijnde de groote en kleine Brake en de Kolk, maar wil u niet laten zien wat welligt uwe oogen reeds aanschouwd hebben, of ieder oogenblik nog aanschouwen kunnen; maar liever uwe aandacht alleen bepalen op eene plek, waaraan herinneringen uit het lang verledene zijn verbonden, om op die plek u terug te voeren naar oude tijden en u in kennis te brengen met de vroegere bewoners.

De ouds bekende bewoner van Oostende was ( volgens de overlevering) een edelman, Fries van Geboorte, die in den vierden kruistogt, in het jaar 1217, met 80 kielen der Friesen, de vloot onder graaf Willem I van Holland versterkte en de Saracenen, na hen gedurende eenige weken in een slot belegerd te hebben, overwon; bij die gelegenheid zou hem de naam van Wigman of Wichelaar bijgelegd zijn, omdat hij uit het brieschen van zijn paard voorspeld had, dat de christenen zouden zegevieren.

Teruggekeerd werd hij hier te lande met onderscheiding ontvangen en met gunsten overladen. Gerard III, graaf van Gelre en Zutphen, schonk vervolgens aan een zijner nakomelingen het wildfurster- ambt en maakte hem opziener over de grafelijke wildbanen van Staveren en Leuvenum, ( De wildbaan van Staveren is nog bekend op de plaats, waar thans de woning staat van G. van Egteren te Elspeet; die van Leuvenum is gelegen tusschen de Zwarte Boer en hetSuevenkamp aan den Putter Delsweg.) waarbij hem het hof het Oostende tot woning gegeven werd, met een zeker getal malders haver jaarlijks en eenige morgen hooiland; hij was daarvoor tevens gehouden, om alle vier jaren het ruimgeld in te vorderen, zijnde eene schatting voor het gebruik der gemeene heidevelden, in welke ieder landman in evenredigheid der meerdere of mindere uitgebreidheid van zijn bedrijf moest dragen, alsmede om zijnen vorst, en ook de abdis van het klooster Elten, op bevel van den jagermeester, met kar en paard te volgen ter vervoering van het jagtgereedschap en van het grove wild. Tevens was hij brandmeester over de quatuor foresten of de vierholten, en als zoodanig belast met de zorg voor de boschtra’s of smalle stroken gronds, die rondom de bosschen door dikwijls omploegen onderhouden werden, opdat ze niet met heide zouden begroeijen en alzo, bij de veelvuldige heidebranden, het vuur zich daarover niet kon verbreiden.

Onze Wichman had ook, als aanzienlijk geërfde, zitting in de klaarbank aan het Engelanderholt onder Beekbergen, of, zoo als wij zeggen zouden, het hof van appèl. Gij zijt misschien verlangend, om eene beschrijving te hooren van zulk een hof, en te weten hoe er zoodanig paleis van justitie hebbe uitgezien. Wanneer de regters daar gezeten waren, hadden zij boven hunne hoofden geen ander dak, dan dat hoog verhevene, waaronder de bedelaar sluimert; de banken waren van aarde opgeworpen, en niet bedekt met satijnen kussens, maar met graszoden. Daarom droeg ook zulk eene vierschaar niet den naam van hof of paleis, maar van bank om te klaren.

Op de achterste of hoogste bank zaten de kanselier en de raden, en in hun midden, op een eenvoudigen leunstoel zonder eenig versiersel, of wel zonder leeuwenkoppen en biestere aangezichten, zat de vorst des lands, met blazoenen boven zijn hoofd opgehangen. Deze bank was acht voet hoog. Drie treden lager zaten een veertigtal Veluwsche ridders met hunne rapieren, op twee banken; en vóór deze de gemagtigden der steden. Nog lager was een bank voor den landschrijver en den griffier, die een tafel vóór zich hadden staan. Verder zoudt gij vruchteloos naar eenig ander versiersel of bewijs van eenig gebouw zoeken.

Om zeker te zijn, dat gedurende de zittingen alles ordelijk zou toegaan en de achtbaarheid niet zou gestoord worden door losbandige tooneelen, hielden de regters slechts zitting van 9 tot 2 uren, een tijd van den dag, waarop de meeste menschen nog behoorlijk op hunne beenen kunnen staan; want aangezien er geene deuren waren, kon men ook de dronkaards niet buiten de deur zetten.

Zoodanig gerigt duurde gewoonlijk omtrent drie weken, want voor kanselier en raden, mitsgaders ridderschap, knapen, en burgemeesters uit de steden, werden vele oude regtszaken gebragt, om op nieuw onderzocht en door een eindvonnis beslist te worden. Daarom werden overal in den omtrek loodsen en tenten opgeslagen, en met openbare vergunning eene vrijmarkt gehouden, even alsof een leger voor eene stad gelegerd geweest ware. Nu maakten de edelen en ridders, tot het hopuden van klaring genoodigd, met al hun volk en dienaars en paarden, met de landzaten die uit den omtrek zamengevloeid waren, en de vreemdelingen, alsmede de vrienden en bekenden der belanghebbende partijen, te zamen een groot getal uit, zoodat de omliggende, nog weinig bewoonde streken niet in staat waren, eene zoo groote volksmenigte te herbergen en te spijzigen. Het is alzoo niet te verwonderen, dat, op een tijd van zoodanige klaringe, kramers en zoetelaars met hunne tenten zich daarheen begaven, met allerlei eetwaren en dranken, en wat verder ter voldoening aan allehande behoeften of zucht tot vermaak dienstbaar kon zijn. Ook verzamelden er zich op die tijden tooneelspelers, goochelaars en heidensche waarzeggers, en wat verder tot verlustiging en tijdverdrijf dienen kon.

De aankomst van den vorst, die slechts den eersten dag verscheen om de vergadering te openen, en wiens zitplaats vervolgens werd ingenomen door den stadhouder, was vergezeld van veel uiterlijke pracht; met hem kwamen zijne hovelingen, edelen, afgevaardigden der steden en een groot gevolg van dienaren, welke eveneens door eene menigte van zoetelaars gevolgd werden, die hunne tenten tot zelfs meer dan een uur zuidwaarts van het Heerenhull hadden opgeslagen. Het heideveld tusschen Otterloo en Loenen draagt nog de sporen eener legerplaats en daarin het bewijs van het vroegere verblijf dier bezoekers van de klaring aan het Engelanderholt bij Beekbergen.

Onze Wichman nu had meermalen op de banken der ridderschap gezeten, om regt te helpen spreken, doch dáár was hij ook getuige geweest, hoe niet altijd het regt konde zegevieren, maar dikwerf door omgekochte of bevooroordeelde regters verkracht werd; eenmaal was zelfs een zijner vrienden er het slagtoffer van geworden. Van dien tijd af was hij een verklaard vijand van de vierschaar, en zijn haat plantte zich voort van zoon op zoon, tot in ’t eerste vierde gedeelte der zeventiende eeuw. Toen leefde de beruchte Oostender Hendrik Wichman, een gezworen tegenstander van het Veluwsche Hoog adelijk landgerigt, zooals dat toen bestond uit de ridderschap van ieder bijzonder ambt, ambtsjonkeren genaamd, en afgevaardigden uit de Veluwsche steden, en voor welke vierschaar, die bij de eerste zittingen, op het kerkhof te Ermeloo, onder de blooten hemel, bij het rijzen der zonne, door den landdrost gespannen werd, alle zaken, die zich het gansche jaar door hadden opgedaan, werden bepleit, afgedaan en ter goeder uitvoering overgegeven.

Trouwens, de regtsvordering en regtspraak hadden toen nog niet plaats als in onze dagen; geen hof of regtbank, in de hoofdplaats der provincie of van het arrondissement, was gereed om ieder oogenblik uwe klagt aan te hooren en over regt en onregt uitspraak te doen tusschen den man en zijnene naasten; de klaarbank was eene ambulante hoog- adelijke regtbank geworden, die te paard en op wagens de gansche Veluwe doortrok, en slechts eenmaal in ’t jaar ieder ambt, en dus ook Ermeloo, bezocht.

Ten einde nu den landdrost en ambtsjonkeren aan de kaak te kunnen stellen, wegens hunne, zoo hij meende, partijdig gevelde vonnissen, bekroop Wichman de lust om met zijne buren de ongerijmdste processen te beginnen, die toch allen, hoe onregtvaardig ook, ten zijne voordele moesten uitgewezen worden.

Zoo, onder anderen, belettede hij den maaijers van zijnen buurman het maaijen van een kamp weiland, aan dezen toebehoorende, voorgevende dat die zijn eigendom was en ook onder zijne hofstede of saalweer behoorde. Wichman, overtuigd dat de zaak alleen te winnen was wanneer hij den landdrost op zijne hand wist te krijgen, begeeft zich naar hem toe met zes zilveren schotelen, draagt hem de zaak voor, en vereert hem de schotelen. De tijd is weêr daar, dat de deftige regters te Ermeloo komen aanrijden en bij het rijzen der zonne op het kerkhof zitting nemen om regt te spreken. Voor hen verschijnt de buurman van den Oostender, en klaagt dezen aan als geweldenaar, die zich, op de onbeschaamdste wijze, door het eigendom eens anderen zoch te verrijken. De landdrost hoort den beschuldiger. De milde, de gulle heer Wichman van Oostende toch kon zich aan zulk een vergrijp niet schuldig maken; evenwel wil men niet in den blinde regt spreken; de geheele vierschaar, in koetswagens en koetskarren gezeten, doet eenen togt tot oculaire inspectie van het betwiste stuks lands, en in den Hobbeleweg wordt zij door Wichman afgehaald en bij hem op Oostende gul en gastvrij onthaald. Nadat de edele achtbare heeren Wichmans weldaden genoten en volop Danziger en Harderwijker jopenbier hebben gedronken, staan zij op van tafel, doen eene wandeling naar het afgemaaide weidekampje, en wijzen het geding ten voordeele van hunnen gastheer.

Na aldus zijn proces te hebben gewonnen, laat de Oostender den eigenaar bij zich ontbieden, geeft hem zijn land weder in bezit en herstelt hem in al zijne vorige regten.

Bijna één jaar is verloopen en niemand denkt meer aan de grap van Wichman den Oostender, toen hij van een andere buurman een nieuwen boerenwagen ging leenen, dien deze zich had aangeschaft. Hendrik rijdt er mede naar Elburg, laat hem schilderen en er deftig zijn eigen naam en dien zijner huisvrouw op zetten. De buurman wacht eene week, veertien dagen, en laat toen vriendelijk aan Hendrik weten, dat hij den wagen, als deze daarvan het verlangde gebruik gemaakt had, gaarne terug zou hebben, daar hij er zich nu zelf van moest bedienen. Welken wagen? Vraagt Hendrik met een onnoozel gezigt. Wel, dien hij voor veertien dagen geleend had. Hendrik Wichman barts het uit van lagchen. Hij een wagen leenen, die zelf drie wagens had! Hij leidt den buurman in zijne schuur, en wel het eerst bij de geleenden wagen. Is die van u?  Neen. Die dan?  Ook niet.  Doe dan?  Neen, ook niet, maar de eerste, laat zien… Ha, schurk! Gij hebt hem laten opschilderen.  De buurman wordt van het erf gejaagd, de zaak komt voor de vierschaar, en Wichman is nogmaals de winner.  Ook ditmaal geeft hij, nadat het vonnis bekend was, den wagen aan den wettigen eigenaar terug, en er bijvoegende, dat hij nu kon zien, welke onregtvaardige vonnissen door de ambtsjonkeren werden geveld.

Na deze behandeling begeeft hij zich naar den landdrost, bij wien hij zeer vriendelijk wordt ontvangen, en op eenen maaltijd genoodigd, waarbij op de geschonkene zilveren schotelen opgedischt wordt; na den afloop van den maaltijd geeft men den wensch te kennen, dat, daar noch zijn wapen, noch zijn naam op die schotelen voorkomt, dit een en ander daar nog op gegraveerd mogt worden; hij zelf, voorgevende daarmede zeer vereerd te zijn, biedt zich aan, om voor de uitvoering te zorgen; de schotels worden hem wél ingepakt ter hand gesteld en hij laat die in zijn koetswagen leggen. Bij het afscheid nemen echter roept hij zijnen gastheer toe: “ Zie zoo meutien, now sunt de schöttels weer in mine haenden; ziet now moar dat ie ze weer kriegen,” en hiermede rijdt hij voort.

In 1615, toen de stad Elburg hare straten met keijen begon te plaveijen, werden de benoodigde steenen uit het Nunspeter Malenveld en ook uit dat van den Oostender gehaald, zonder erlangde vergunning. Wichman, hiervan verwittigd, gaat met zijne schoonbroeders, Peel Evers en Wichmoet Tonis, naar de Elburger voerlieden, en zij nemen deze en de wagens in beslag. Deze handeling komt ook voor de vierschaar, en thans, nu Wichman eene regtvaardige zaak voor had, wordt hij in het ongelijk gesteld, waarop hij het Hoog Adelijk landgerigt der ambtsjonkeren, na het uitspreken van het vonnis, toevoegt: “ Now heeren kan ik best marken, dat de zilveren schöttels weer in miene haenden sunt.”

Ziedaar u in kennis gebragt met Oostende en de vroegere bewoners.

  1.                                                      G. Haasloop Werner.

 

Dit bericht was geplaatst in H.G. Haasloop Werner..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *