Op en om de Zuiderzee.

 

Als aanvulling en nabericht op het vorige verhaal plaatsen wij onderstaand artikel, hetwelk dezer dagen (1929) in “De Standaard”verscheen en waarin hetzelfde verhaald wordt, als in het dertiende hoofdstuk van Claes van Ermel.

 

Op en om de Zuiderzee.

( “Vechtelrie ende rove”)

 

Onze visschers klagen wel eens.

En terecht!

Er is misschien geen bestaansmiddel, waarvan de moeilijkheden zoo vele zijn en de strijdt zoo zwaar is geweest, alle eeuwen door, als de visscherij, zooals ze in `t klein beoefend wordt.

Bedenkt het lezer, die smult van U schol en Uw tong, dat voor Uw visch aan den visscher zelf nooit genoeg betaald wordt,de prijs, die hij er voor gaf, is zoo hoog.

Maar nu heeft de ervaring, de eeuwen door, ook dit geleerd, dat klachten, die niet met krachtige daden als argumenten kunnen worden aangedrongen, zoo heel gemakkelijk kunnen worden terzijde gelegd. Wanneer de onrechtvaardige rechter eindelijk vreest, dat de arme weduwe, die tot hem schreeuwde om recht,eindelijk zal komen, en hem het hoofd breken, ja, dan hoort hij.

Het is waar; doordat de beginselen van het Christendom, dat altoos voor het zwakke opkomt, langzaam, langzaam aan, ook in de wetgevingen doorgedrongen zijn, zijn vele van de visschersmoeilijkheden weggenomen en worden nog steeds weggenomen, maar de zwarigheden, die aan het visschersbedrijf inhaerent zijn, zullen blijven.

Het kan nut hebben, een in herinnering te brengen, hoe het wel gesteld was in de Middeleeuwen kort na het ontstaan van de Zuiderzee.

Het Flevo – meer, later Almara en nog later de Zuiderzee zijn altoosvischrijke wateren geweest, zoodat het vischbedrijf aan de kusten altoos rijk beoefend is. Maar in de erste Middeleeuwen waren het de “tienden”die het eerste beslag legden op een deel van de bedongen prijs. En geen klein deel ook, tien centen van de gulden, zooals de visschers dan zeggen.

Maar dan was er, en dat was ongetwijfeld veel erger, de voortdurende last van den zeeroof, die bijna vier eeuwen lang, allereerst voor den handel, maar ook voor de visscherij op de Zuiderzee een afschuwelijken plaag is geweest, zeeroof, beoefend door overheden en “particulieren”, door groote en kleine potentaten, door vele steden incluis en dat juist niet het minst.

Op het eind der twaalfde eeuw was het al veelszins merkwaardige, om niet te zeggen romantische figuur van Heynric Diecrane, den kuindersche potentaat, die voor elk geladen schip de schrik der wateren was.

Omstreeks 1300 waren het de Hollanders en de Friezen die elkander, vooral in de wateren ten Noorden en Noord – westen van Urk, op het vinnigst den zeeroof bestreden en vaak alles aanpakten wat voor den boeg kwam.

Ja, er kwam weleens verademing, althans ten deele, als de eene stad de andere, na een tijd van dagelijksche handtastelijkheden over en weer, “Vrede en vrijgeleide”beloofde, of, als ze begrepen, dat de bloedige strijdt toch altoos weer op eigen kop neerkwam, kwamen tot het treffen van “een zoen”en het geven van “den vredeskus”, maar uit alle verdragen dienaangaande, die bekend zijn, blijkt zonneklaar dat ze, elkaar niet verder vertrouwden, dan dat ze elkaar kenden.

De zeeroof werd, merkwaardig, soms aangewend, om de menschen tot onderwerping te brengen. In 1327 gaf Willem III, Graaf van Holland,kaperbrieven aan Jan van Kuinre en kort daarna beval hij al zijn rechten aan de Zuiderzeekusten, Jan van kuinre vrij te laten, als hij gevangen Friezen aanbracht. Dat was dan Willem,die den bijnaam “deGoede”verworven heeft.

En als vier jaar later, Hendrik van Kuinre,die tevens Heer van Urk was, sterft, wordt gezegde Jann de zeerover, met zijn heerlijkheid beleend en krijgt Jan o.a. “in `t dorp Espele die zeevond ende `t verval van vechtelrie ende van rove”.

Espele was toen een dorp op de westkust van Urk.

Daar mochten en moesten de opbrengsten van vechterij en roof worden aangebracht. Een vierde daarvan was waarschijnlijk voor den Heer.

Een vechterij en, als gevolg daarvan, roof, ook bij de visschers onderling,was geen zeldzaamheid. Dit werd gewoon beschouwd als een heel normaal ding. Een driftkop onder de visschers – en die had je toen niet minder dan nu – behoefde maar te meenen, dat een ander zijn netten te na kwam, en je had het lieve leven gaande. Dat begon met woorden, het ging voort met het werpen naar elkaars schip van alle mogelijke projectielen, turven niet uitgezonderd, en het eindigde vaak in handtastelijkheden op een der schepen, ja, wel in moord.

Onze visschers van tegenwoordig, die `t nog wel eens aan de stok krijgen met Engelschen b.v. en dat in een tijd, nu dergelijke dingen onder alle strafwetten vallen, kunnen zich heel goed begrijpen, dat zoiets in de Middeleeuwen, toen het eigenlijk wettelijk beschermd was, heel gemakkelijk kon voor komen.

Voor sommigen moge het intusschen een voordeel hebben opgeleverd en ook voor den Heer niet onvoordelig zijn geweest, voor het bedrijf in het algemeen was het moordend en voor `t meerendeel der visschers een schrik.

Van “vechtelrie ende rove”zouden nog vele voorbeelden kunnen worden aangehaald, de heele 14de en 15de eeuw door, tot in het midden der 16de eeuw door.

In 1406 namen de Hollanders den Kampers niet minder dan 25.000 Engelsche nobelen haring af.

In 1422 gaf Jan van Beieren, de tegenstander van de bekende “vrouw Jacoba”, aan allen, die hem gehoorzamen wilde, vergunning om dienst te nemen bij zekeren Jan van Orck, ook een zeerover, tegens diens vijanden,”behoudelick da sijn mijns heren ondersaten niet misdoen en souden”. Overigens kwam het er niet op aan.

Vooral het jaar 1479 was een ongeluksjaar. De Heer van Urk, Evert Zonderbalck, verzocht toen aan zijn “eersame bisondere Quede vrunden”, de”Wijsen burgermeisteren scepenen ende rade der stad van der Elborgh”, dat alle Elburgers “onse ondersaten der eylande Urck ende Emmelwerd onbelast ende onbeschedicht laten mochten”.

Teekenend voor den tijd is wel het slot van de brief:”God, Die Uwe eersamheiden to saligen tijden will bewaren….”

Mr.Johan Schrassert verteld van hetzelfde jaar in zijn “Hardervicum Antiquum”het volgende:”wanneer Gelderland onder voogden als in weduwschap zittende door Catharina van Gelder en de Bisschop van Munster bedreigd werd, hadden de visschers van Amsterdam die van Harderwijk in hun netten en vaart een en andermaal beledigd,`t welk dezen hun met gelijke handeling vergolden.

Niet lang daarna is een Harderwijcker groot en rijk beladen schip voor Enkhuizen ten anker gekomen,`t welk de Amsterdammers op de aanzetting hunner visschers met een menigte van schuitvolk in de haven van Enkhuizen overweldigd hebben en getracht, met alle spoed naar Amsterdam te brengen.

Doch de Enkhuizers, die daarover zeer bezwarende, dat een schip in hun haven liggende, vandaar werd weggehaald vielen met alle spoed en ijver op hen aan, zoodat die van Amsterdam hals over kop uit het grote schip vielen in het kleine, waaemede zij aldaar gekomen waren en met hun gansche macht naar Edam roeiden.

Die van Enkhuizen volgden hen van nabij en riepen hen na:

Dieven! Zeeroovers! `t welk de Edammers horende,schoten zij de Enkhuizers toe en vielen alzoo tezamen op de Amsterdammers, die zij overweldigden en ten deele doodsloegen, sommige de handen en anderen de armen en beenen afhiewen en alsoo buitenboord wierpen en de overigen buiten Enkhuizen in de gevangenis brachten.

Ze belooven van 13 October 1479 tot St. Catharinendag eerstkomende (1) een “oogluiking”op elkander te water en een oogluiking op de vrouwen aan beide zijden te land.

De goede oude tijd!

(1)   Tot 25 November, dus heele zes weken!

XXXXXXXXXX

 

 

Dit bericht was geplaatst in Claes van Ermel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *