Oudheidkundig Jaarboek deel 5

 

 

OUDHEIDKUNDIG  JAARBOEK

Juni 1923

F.A. Hoever

 

Mededeelingen omtrent de monumenten van Harderwijk.

5. Monumentale gebouwen

Hortus

Het Nassausch – Veluwsch Gymnasium

Het Athenaeum van Gelderland

Het “Linaeustorentje”

Burgerweeshuis

 

Hortus.  In den eersten tijd bezat de Veluwsche Hoogeschool geen eigen wetenschappelijk ingerichten kruidtuin. Tot Universiteit verheven trachtte men hierin te voorzien en werden in 1649 en volgende jaren er groote kosten aan besteed. In en na 1651 namen zelfs Curatoren hiervoor geld tegen hooge rente op. De hoogleeraar Schmitz ( 1648 – 1652 ) was met zijne verbetering en verrijking belast. Na zijn overlijden komt een en andermaal een ‘Inspector van den Akademischen tuin” voor. Later en op den duur, zoo lang er geen bijzondere hoogleeraar voor de kruidkunde was, voerde een der medische professoren het beheer er over. In 1743 werd David de Gorter aangesteld tot buitengewoon hoogleeraar, die den kruidtuin tot hoogen bloei bracht. David de Gorter had kosteloos de bewoning gekregen van het huis naast de kruidtuin. Ofschoon hij in 1754 naar Rusland vertrok, wordt toch tot het einde toe de goede toestand van den kruidtuin vermeld. Vooral tijdens L. G. K. Reinwardt ( 1800 – 1818 ) namen de curatoren elk jaar den hortus in oogenschouw en verhieven iederen keer de groote verdiendsten van zijn bestuurder. Voor het Athenaeum van Gelderland deed hij dienst. Jacob Vosmaer ( 1815) bracht hem in goeden staat.

Thans vindt men in den zeer verwaarloosden hortus vooral twee boomen, die zeer de aandacht trekken, n.l. een ceder ( Giogko Biliba Acuti folia) en een plataan.

Het Nassausch – Veluwsch Gymnasium.  Het gebouw van dit gymnasium lag ten Noorden van de Groote Kerk en is thans nog bekend onder de naam van het Voormalige gymnasium. Van het oude gebouw is alleen nog over de steen boven de ingang met het opschrift: “Deo et Studiis Humanitatis Sacrum Illustre hoc Gymnasium Anno Christi CIƆCCCLXXII fundatum Anno CIƆCCCXLI atrecentis celebratum studiosis advenis, supra discipulos indigenos. Anno CIƆIƆIII deflagravit cum totius urbus trecentorum et quinquaginta discipulorum pernicie; postmodum Anno CIƆIƆXL instauratum ab Ordinibus Tetrarchiae Velavicae, Anno CIƆIƆCIII; illustris Gymnasii nomine insignitum a Mauritio Nassovico Gymnasium Nassovicum dictum, tanden in praesentem formam redactum est. D D Curatorum mandato Anno CIƆIƆCCVIII.”

Bij Koninklijk besluit van 12 Mei 1886 No.35 werd o.m. bepaald, dat, zoolang daaromtrent niet op andere wijze door den Koning zou worden beschikt, de gemeente Harderwijk beschikken kon over de gebouwen van dit Gymnasium en dat het schoolgebouw voor het openbaar onderwijs zou gebruikt worden.

Het Athenaeum van Gelderland. Bij Koninklijk Besluit van 2 Augustus 1815 werd het opgericht en den 16en October werden drie curatoren en zeven hoogleeraren aangesteld. Alleen aan de drie universiteiten – Groningen, Leiden en Utrecht – werd het uitsluitend recht toegekend graden te verleenen. Het Athenaeum, dat 23, 24 en 25 Januari 1816 ingewijd werd, werd bij Koninklijk Besluit van 13 Juni 1818 weder opgeheven. Na deze opheffing werden de gebouwen aan de stad Harderwijk overgelaten.

Het “Linaeustorentje” is een traptorentje, die eens tot een gebouw behoorde, waarvan niet alleen de aansluiting nog zichtbaar is aan de Zuidzijde van het torentje, maar ook de moeten van twee dichtgemetselde doorgangen, waarmede men op de eerste en tweede verdieping kon komen. Wij hebben hier te doen met een der overblijfselen van de woningen (1), waarin de broeders van St. Jan van de commanderie ’s Heerenloo een deel van den winter binnen Harderwijk doorbrachten. Dit huis droeg dan ook de naam van het Kleine Loo. Ten tijde der Hoogeschool deed het torentje dienst als gevangenis der studenten. Schrijver dezes moest herhaaldelijk voor het behoud van dit torentje opkomen. Den 2en Mei 1907 vroeg het Gemeentebestuur een Rijkssubsidie voor herstel aan die verkregen werd, waarop de restauratie geschiedde. Opgetrokken in baksteen vormt het torentje in horizontale doorsnede een regelmatige achthoek. Van onderen voorzien van een plint is hij in twee afdeelingen verdeeld, gescheiden door een bliksteenen lijst.

De bovenste lijst der tweede afdeeling, waarover het dak eenigsinds uitsteekt, wordt door twee lagen baksteen gevormd, een uitgeholde steen en een kraal, op elk der acht hoeken id de baksteen door een stuk zandsteen met hetzelfde profiel vervangen. In elke afdeeling vormen de opstaande zijden op het achthoekig grondvlak ribben. Hierdoor in elke afdeeling acht nissen. Die der eerste afdeeling zijn van boven rechthoekig gesloten, die der tweede met een kielboog. Even onder deze kielbogen zijn in elke nis raampjes aangebracht met luiken gesloten. Voor den aanslag der luiken zijn de baksteenen rechthoekig ingehakt. In een der nissen van de eerste afdeeling is een steen met het jaartal 1570. Van het bovenste gedeelte van dien steen is alleen nog het rechter stuk, vertoonende een kruis, gaaf. De linkerhelft is afgekapt, maar was, te oordeelen naar de moet, eveneens van een kruis voorzien. In de daarop volgende linkernis is later een kleine diepe nis gemaakt, waarin een borstbeeld van Linaeus staat, zooals het er onder geplaatste zwarte  bord met witte blokletters “Linaeus” aangeeft. Naar dit borstbeeld wordt het torentje Linaeustorentje genoemd. Het is verder van een leien spits voorzien.

Uit den voormaligen Hortus kan men door een deur in het torentje komen, met zijn als schroefgang gemetselde wenteltrap.

Burgerweeshuis.  Op de plaats vandit huis, staande eens “by den Toren” op een plaats genaamd “Claarsdal”vond men eertijds het Grauwen Zusteren Klooster van den Klarendale ook van de regel van St. Franciscus of Zusteren van St. Clara. Wij weten, dat dit klooster in 1480 met landerijen en inkomsten begiftigd werd. In 1580 gaven de vier laatste Grauwe zusters ten dienste van kerken en scholen hun “alinge Clooster”over.

In 1872 werdhet tegenwoordige gebouw doorde regenten ten behoeve van het Weeshuis, dat in 1555 gesticht werd, aangekocht, terwijl de gevel in 1886 vernieuwd werd. In den gang vindt men een steen met opschrift.

Opmerkelijk zijn in het huis: een roodkoperen vijzel uit 1623, een tinnen schaal en twee paar tinnen kandelaars uit het einde der 18e eeuw en twee poppen, een jongen en een meisje, in de kleeding der inrichting. In den tuin een zandsteenen frontispice van een poort, met drie knielende jongens en drie knielende meisjes, waaronder “Anno 1651”.

  1. In 1555 kocht de commandeur van ’s Heerenloo met toestemming van den raad de Weduwenhuisjes, genaamd Weduwen agter Sweer, tegenover de Kloosterkerk en trok hen aan de plaats van zijn Johanniters. De weduwen werden daarna ondergebracht in de straat van Sevenhuizen naast het Klerkenhuis. Het huis, aansluitende aan het torentje, droeg in bijzonder den naam Commandeurhuis. Den 10en November 1600 besloot de raad dit huis te verkoopen.

XXXXX

 

Dit bericht was geplaatst in Oudheidkundig jaarboek juni 1923.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *