Oudheidkundig Jaarboek deel1

 

Uit het Oudheidkundig jaarboek

Bulletin  van den Nederlandche Oudheidkundigen Bond

3de serie, derde Jaargang, Juni 1923, aflevering 3.

Uitgegeven te Utrecht bij A. Oosthoek

 

OUDHEIDKUNDIG  JAARBOEK

Juni 1923

F.A. Hoever

 

Mededeelingen omtrent de monumenten van Harderwijk.

 

  1. 1.    Geschiedenis.

 

Naamsoorsprong. Men wil, dat hij afkomstig is van wijk, toevlucht voor harderen, herders. Anderen brengen hem in verband met de buurtschap Hierden, weder anderen met een soort visch, harders. Nog anderen wijzen op de oudste bekende benaming ( 1231 ) “Harderewich”, volgens hen hardeweg, omdat de grond niet alleen op de reede, maar ook buiten de stad hard en vast is.

 

Stadsrecht. In 1549 berichtte Harderwijk aan het Hof, dat haar eerste fundatiebrief van graaf Otto in het stadsarchief niet meer te vinden was. Bekend is echter, dat graaf Otto den 11en Juni 1231 Harderwijk onder bepaalde voorwaarden begunstigde met jaar – en weekmarkten en die vrijheid, welke Zutphen heeft. Den 8en September 1262worden schout, schepenen en gemeentslieden van Harderwijk vermeld. De verleende voorrechten werden door graaf Reinald in 1312 bevestigd. Toen werden echter niet gelijk vroeger destad “civitas”, maar “oppidum” genoemd en de ingezetenen niet “civus”, maar “oppidani”.

 

Zegels. Het oudste zegel, hangende aan den verbondbrief van 1 December 1343 en reeds in 1263 voorkomende, vertoont een koggeschip; in den top van den mast is een vijfbladmolentje, boven den voorsteven aan de linkerzijde staat in het verschiet een ster met zes punten. Het randschrift luidt: “Sigillum Burgensium de Herderwick.” Dit zegel, waarvan de stempel uit de 13e eeuw nog in het archief te Harderwijk aanwezig is, is in gebruik geweest tot 1400. Aan den brief van den Landvorst van 25 Januari 1359 heeft het zegel dezer stad, op driehoekig schild, den ongekroonden, eenstaartigen leeuw met blokjes, zooals graaf Reinald I dien als graaf voerde, met het opschrift” †clippens. Cont. Gelrensis.” Na dien tijd zegelde Harderwijk alleen met een gouden leeuw in een blauw veld, bezet met veertien gouden turven.

 

Vesting. Otto II, graaf van Gelre, liet in 1280 Harderwijk ommuren. Den 5en Mei 1528 werde en overeenkomst aangegaan “tot befestynge ind reperirynge rondelen ind verfallen wallen myt oire singell.” Op den plattegrond van Jacobus van Deventer komt die bemuurde stad voor. Aan de daarop buiten de muur omwalde vesting is de naam van den ingenieur mr. Adriaan Anthonisz. uit Alkmaar verbonden. Een teekening der Harderwijksche vestingwerken, na afloop der omwallingswerken door hem den 24en October 1590 vervaardigd, is nog op het Algemeen Rijksarchief te ’s Gravenhage aanwezig. Later hadden verbeteringen plaats door den Harlingschen ingenieur J. Reijers. Voorwaarden van aanbestedingen door de Staten Generaal voor verbeteringen van 10 Januari 1599 volgens het bestek der ingenieurs. Mr. Simon Stevyn en Mr. David van Orliens zijn tot ons gekomen. Hierdoor kwam de vesting Harderwijk tot stand, zooals wij die kennen o.a. uit Pontanus. Een wal met bastions. De vesting had aan het zeefront(1) : een bolwerk ten Oosten, het oude Blokhuis(2) en ten Westen het Nieuwe Bolwerk(3). Aan den Veluwen kant: vijf bolwerken; drie ervan lagen vóór de poorten en verder ten Oosten het bolwerk “Keelaf”, waarop een windmolen stond, en ten Westen het bolwerk

 

 “Corten doodt”. In die omwalling lagen vijf poorten(4): drie landpoorten, elk met een binnen – en buitenpoort, en twee zeepoorten. De Groote Poort ten Zuiden, de Lutteke – of Kleine Poort(5) ten Zuidwesten, de Smeede – of Smeepoort ten westen, de Brugpoort en de Vischpoort(6) aan zee. Aan deze poorten werd een withouten kruis aangebracht, om de bezoekers van de vrije jaarmarkten te waarschuwen, dat zij drie dagen vóór en drie dagen na elken marktdag “met lijf en goed”gevrijd waren.

In 1673 slechtten de Franschen bij hun aftocht de vestingwerken ten deele. Van deze poorten is thans alleen nog maar over de nagenoeg geheel uit baksteen opgetrokken Vischpoort(6), uit het einde der 14e eeuw. Op haar brandt thans van Rijkswege een kustlicht. Herhaaldelijk in – en uitwendig gewijzigd heeft zij nog overblijfselen van ronde

 hoektorens en een weinig uitgekraagd bovendeel aan den zeekant. Ter weerszijde van deze poort vindt men nog belangrijke stukken van de ouden muur. In dien muur zijn ten Oosten van de poort overblijfselen van een vooruitspringend vierkant met gedichte schietgaten. Aan de binnenzijde zijn hier nog gedeelten van de weergang aanwezig met de daaronder gelegen bogen. Aan de landzijde vormen de overblijfselen van den oorspronkelijken muur tusschen de voormalige Luttekepoort en Smeepoort het belangrijkste gedeelte. Vooral ten Oosten van Smede – poort zijn hier huisjes tegenaan gebouwd. In de 17e eeuw stond de magistraat toe de bogen langs de stadsmuur tusschen de Luttekestraat en de Smeepoorterbrink door particulieren te laten betimmeren en bewonen, mits per boog 6 stuivers jaarlijks betalende. Reeds in 1552 was besloten de ledige stadsbogen aan de muren door de behoeftigen te laten betimmeren, mits met hard dak dekkende en de muren of straten niet hinderende. Per boog moest toen betaald worden aan “den stadtsroeydraegeren” een kan wijn van 6 stuivers. Achter de kazerne vindt men eveneens nog een groot stuk ouden muur. Hoe de muur aan de binnenzijde er uit zag, blijkt het beste bij het voormalige Nieuwe Blokhuis, waar in de tuinen nog groote stukken gevonden worden. Een groot gedeelte der wallen werd in 1910 opgeruimd.

1)     Hierbij zij opgemerkt, dat op den plattegrond b.v. bij Blaeu de namen der Blokhuizen juist omgewisseld moeten worden. Dat dit zoo is, blijkt o.a. dat in besluit van 23 Nov. 1643 het Nieuwe Bolwerk het Ooster wordt genoemd.

2)     Dit Blokhuis ook Burcht genoemd, dagteekende uit 1310 en werd in 1673 door de Franschen afgebroken. Te voren diende het tot woning van den beul of vilder.

3)     Het Nieuwe Bolwerk verrees 1530. In 1555 werd dit bolwerk achter het nonnenklooster vergroot op last des Keizers door Marcel Kelderman. In September werd begonnen en “een groote streeck van der stadts oude en nieuwe muyren daer in begrepen.” In 1581 werd dit blokhuis ontvest.

4)     Als zesde poort wordt ook wel eens genoemd de Peelepoort of Melkpoortje, naar men zegt, aangelegd tot gemak der nonnen, die aan het Oosteinde van de Markt hun Klooster hadden. De poort 1813 – 1913 in de Verwersteeg is later gebroken door den muur. Haar afwerking laat te wenschen over.

5)     Vóór 1673 werd zij ook wel de St. Nicolaaspoort genoemd naar de buiten de ommuring gelegen St. Nicolaaskerk. In 1572 was deze poort dichtgemetseld, wegens “de gevaerlyckheid des tydts.” Bij den aftocht der Franschen, 4 November 1673, werd zij door hen verbrand.

6)     Achter die poort lag de Vischmarkt, daarachter de Koornmarkt. Op het einde der 14e eeuw bezat de stad reeds het stapelrecht en den afslag van alle visch, gevangen tusschen Muiden en Kampen. Deze rechten werden in 1443 bevestigd evenzoo bij landagreces van 18 November 1633.

Munt. Den 31en Juli 1290 vergunde de Roomsche Koning Rudolf aan den graaf van Gelre, om de munt van Arnhem naar Roermond of Harderwijk te verplaatsen. In 1379 verplaatste hertog Willem de munt binnen Harderwijk. Geld werd geslagen “onder des stads eygen wapen.”In 1584 werd de munt van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen van Nijmegen naar Harderwijk overgebracht.

De “munt – wincel”te Harderwijk werd gehouden in het klooster der Grauwe Zusters. Ofschoon op haar plaats later een kazerne verrees, herinnert de Muntstraat nog aan haar vroeger bestaan.

Hanze. Van de steden als Harderwijk, die weinig andere bestaansbronnen bezitten, is het zeeverkeer niet gering te achten. In 1285 wekte Lubeck de steden Leeuwarden, Groningen, Stavoren, Kampen, Zwolle, Deventer, Zutphen, Harderwijk en Muiden naast Stade en eenige steden in Westfalen op, zich in de geschillen met Noorwegen onder denzelfden scheidrechter te stellen en zich naar dezelfde overeenkomst te voegen, als de Wendische steden. Met Deventer, Zutphen en Elburg had Harderwijk in de 14e eeuw volle Hanzegerechtigheid. Dat toen te Harderwijk geldzaken op groote schaal gedaan werden blijkt wel uit de aanwezigheid van Lombarden daar in 1338. De aanvrage van Arnhem ( 1380) en Nijmegen ( 1387 ) voor het Hanzelidmaatschap werd aan Deventer, Zutphen en Harderwijk ter inlichting gegeven. Lubeck, het centrale punt ook voor de Nederlandsche Hanzesteden, richtte zich bij haar briefwisseling in bepaald Hanzische zaken tot een der Hanzesteden Deventer, Zutphen, Harderwijk, zelfs Elburg. Harderwijk was in de 14e eeuw aanwezig op de Hanzevergaderingen in de jaren: 1367 – 1371; 1374; 1379 – 1381;1393. De trouwste bezoeker was Kampen, daarna Zutphen en Harderwijk. Meermalen vertegenwoordigde één stad ook anderen, zoo Harderwijk zelfs Kulm. Soms hadden dagvaarten tusschen Deventer, Zutphen, Elburg en Harderwijk plaats, die een Hanzisch karakter droegen. Op de vergadering te Elburg, 11 Juli 1367, waar een verbintenis aangegaan werd tegen Denemarken en Noorwegen waren vertegenwoordigd: Kampen, Stavoren, Harderwijk, Elburg, Zierikzee, Amsterdam en Dordrecht. Harderwijk behoorde ook tot de Nederlandsche steden toen de krijgstoerustingen besloten werd. Bij den daarop gevolgden strijd en vrede speelde Harderwijk een rol.

In 1303 beklagen Harderwijk, Zutphen, Doesburg en Nijmegen zich bij den Deenschen Koning over behandeling van hare burgers in Denemarken. In de 14e eeuw bezaten Kampen, Zutphen en Harderwijk, waarbij ook Elburg genoemd wordt, talrijke privileges op Schonen. Op het veld van Skanör waren de voornaamste vitten o.a. die van Kampen, Harderwijk, Zutphen en Stavoren. Harderwijk kreeg haar vitte in 1316.

Vóór het midden der 14e eeuw vindt men kooplieden uit Harderwijk aan de Zuidkust van Noorwegen. Vóór het midden der 14e eeuw komen in Bergen geen kooplieden van Harderwijk voor. Daarna komen in het Bergische verkeer voor behalve Deventer, Kampen, Zutphen ook Harderwijk en vermoedelijk ook Elburg. In de 14e eeuw zijn ook betrekkingen van Harderwijksche kooplieden met Ripen aan te nemen.

Tegen het einde der 13e eeuw vindt men kooplieden uit Harderwijk in Engeland en wel in de Noordelijke en Zuidelijke havens. In 1214 en 1339 werd in Engeland aan de kooplieden dier stad een speciaal privilege verleend ten opzichte van schulden en vergrijpen.

Tot de steden vrijgesteld in Sluis om “een cleet”als onderpand voor verschuldigde tolgelden te geven komt in de tweede helft der 14e eeuw Harderwijk voor. Kampen en Harderwijk komen in de 14e eeuw sterk op de voorgrond in de verbindingen tusschen Vlaanderen en Pruisen en Lijfland.

In Oost – Friesland en Oldenburg zijn reeds in het begin der 14e eeuw sporen van Groninger, Utrechtsche, Arnhemsche en Harderwijker kooplieden.

Naar Rostock voeren in de 14e eeuw Zutphensche, Deventer, Kamper en Harderwijker kooplieden. In diezelfde eeuw verkeerden kooplieden uit Kampen en Harderwijk met Hamburg.

Tot recht begrip de verhoudingen zij opgemerkt, dat onder de Zuiderzee – steden afzonderlijk Kampen ver boven de anderen stond, haar aandeel in de strijdmachten was gewoonlijk grooter dan dat der andere Zuiderzee – steden samen. Harderwijk en Zutphen daarna Stavoren, Deventer en andere steden volgden Harderwijk op verren afstand.

Nog in 1591 droeg de stad in de schuld van den bond 1200 daalders bij. In 1615 werd Harderwijk nog ter dagvaart te Lubeck uitgenodigd en voor 117 gulden aangeslagen in de 1000 daalders, die geheel Gelderland moest opbrengen. In 1628 liet de stad zich wegens niet verschijnen ter dagvaart veronschuldigen.

Gilden. Van de gilden(1) dagteekende het St. Jorisgild van 1461. Hierin werden alleen zeevaarders en gegoede burgers opgenomen. De bezittingen van dit gild werden in 1679 gebruikt tot betaling der aanzienlijke afpersing der Franschen tijdens de bezetting 1672 – 1673 (2). In het Gemeente Museum te Arnhem wordt een vierkante zandsteen bewaard met de voorstelling St. Joris met den draak en “Anno 1606”afkomstig uit den voorgevel van het St. Joris – gildehuis. Aan het beeldwerk zijn nog sporen van polychromie en zeven afgehakte wapenschilden te herkennen.

  1. Als gilden komen o.a. ook voor het Wolweversgild uit 1448 en het St. Petrus of Visschersgild. In verband met dit laatste gild kunnen wij nog mededeelen, dat in 1690 of 1691 te Harderwijk door Jan Aaltzn Brouwer het zouten en inleggen van ansjovis is uitgevonden.
  2. Den 18en Juli 1687 besloten de schepenen, in verband met de aanzienlijke schulden der stad, alle nog overige gildengoederen te verkoopen.

 

Dit bericht was geplaatst in Oudheidkundig jaarboek juni 1923.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *