Oudheidkundig Jaarboek deel4

 

OUDHEIDKUNDIG  JAARBOEK

Juni 1923

F.A. Hoever

 

Mededeelingen omtrent de monumenten van Harderwijk.

4. Monumentale gebouwen

De gebouwen van het St. Catharina – Klooster

Akademie

De Hoogeschool

Boekerij

 

Het St. Catharina – Klooster van de Observantinnen der St. Franciscus – orde stond bij den wal in de straat eerst Catharinasteeg en later Akademiestraat genoemd, en werd in het begin der 14e eeuw gesticht. Als een die het klooster groote voordeelen bezorgde wordt de biechtvader en overste Gerard van Weesp genoemd, die na 26 – jarige arbeid in 1483 stierf en in de kapel begraven werd. In 1580 hebben “de zusters het alinge clooster, uytgenomen slegts eenige weinige vertrecken, tot dienst van kercken en scholen aan de stadt opgedragen.”

Op 13 December 1609 ried Prins Maurits aan om een tweede Collegie of Oeconomie op te richten in aard en strekking overeenkomende met het eigenlijke Fraterhuis en tevens bestemd om de studenten onder één dak te brengen. Men veranderde daartoe het gewezen Catharinaklooster. De uitgebreide gebouwen richtte men later in tot akademie gebouw en tot woning van drie professoren. Volgens reces van het Kwartier van Veluwe van 5 Juni 1641 werd het college opgeheven en het gebouw tot woningen voor professoren ingericht.

Tot vóór eenige jaren waren die gebouwen in gebruik bij het Koloniaal Werfdepôt en werden de eigenlijke kloostergebouwen voor magazijnenen de voormalige kloosterkerk als bakkerij gebruikt.(1) Ten slotte diende zij als geweermakerij van het Werfdepôt, garnizoensbakkerij en bergplaats. Tusschen in had deze kerk van 1687 tot 1816 dienst gedaan voor Fransche kerk, reden waarom zij ook wel met dien naam wordt aangeduid.

Toen schrijver dezes ter oore kwam, dat de bakkersoven in die kerk vernieuwd zou worden, sprong hij voor het gebouw bij de Departementen van Oorlog en Binnenlandsche Zaken in de bres. De R.C.gemeente werd gewonnen voor het denkbeeld haar tot parochiekerk te bestemmen. Oorlog hief 1 April 1907 de Militaire bakkerij op. De kerk werd voor f 2500, – van de burgelijke gemeente aangekocht, den 1 Augustus 1913 ter beschikking gesteld en daarop met Rijkssubsidie door Jos. Th. Cuypers gerestaureerd(2) sinds 1913. In de magazijnen, nog bekend onder den naam van “het Klooster”, vindt men nog overal de oorspronkelijke balklagen met Gothieke balkdragers en de oorspronkelijke doch dichtgemetselde ramen uit het einde der 15e eeuw.

De Kloosterkerk is een in baksteen opgetrokken dubbelkerk(3) uit het begin der 16e eeuw gesloten met vijf zijden van een achthoek. In den Zuidwesthoek vindt men een baksteenen traptoren met een wentel trap voerende naar de verdieping. Op het bij de restauratie vernieuwde leien dak bevindt zich een nieuwe dakruiter. Boven den Westingang is een steen geplaatst met het opschrift: “ANNO DOMINI MCCCCC II FUDA EST.”

De benedenverdieping is driebeukig, elk van drie gewelfvakken met steenen kruisgewelven op achtkante hardsteenen pijlers. De bovenkerk is overdekt met twee kruisribgewelven, een netgewelf en over het koor een netgewelf. In de onderkerk komen

 de ribben samen op de vrijstaande of tegen de muren aanstaande pijlers, in de bovenkerk rusten zij op bladkraagsteenen.

In de benedenkerk vindt men in het Oostelijke gedeelte aan de Noordzijde de grafzerk van een priester uit 1552. Voor het koor staat in de Akademiestraat een muur met poort, voorzien van een steen met het opschrift zoo ver het leesbaar is: “BONO PUBLICO ET PA D. SACRUM MDCXXVI’.

Akademie. De grondslagen voor het Harderwijker Gymnasium werden in 1372 gelegd door de Broeders des Gemeenen Levens. In 1441 werd Meester Herman van Schurrenbergh tot rector aangesteld o.a. op de voorwaarde, dat hij 300 uitheemsche scholieren, behalve inheemsche, houden zou. In hetzelfde jaar gaven schepenen van Harderwijk aan eenige broeders uit het Kierkenhuis te Zwolle eenige huizen en hoven, gelegen Westwaarts aan den stadsmuur met het eene einde en de Sevenhuizerstraat tot de Beek aan beide zijden van de straat, mits er binnen twee jaar een vergadering van priesters en klerken “na dewijse van heer Florushuys tot Deventer en ’t Klerkenhuys tot Zwolle”in gevestigd zou zijn. Dit was de oorsprong van het Fraterhuis.

Toen 31 Juli 1503 Harderwijk door een brand verwoest werd(4) kwamen hierbij 350 leerlingen om. In 1540 was de school herrezen. In 1572 lezen wij, dat het Fraterhuis, ontdaan van zijn beelden, boeken en verder huisraad, in het bezit kwam van het Kwartier van Veluwe en onder toezicht van een Oeconomus en bewoond door een zeker aantal studenten, die er vrije huisvesting, vuur en licht en verdere vrijheden genoten.(5)Van de school te Harderwijk wordt in 1593 als van een kwartierlijke gesproken. In 1599 werd de eerste grondslag gelegd voor de Geldersche Hoogeschool door de voorlopige benoeming van een hoogleeraar in de rechten en andere aanstellingen. Sinds hebben wij te doen met twee inrichtingen. Aan de eene instelling, onafscheidelijk met de hoogere Kwartierschool verbonden, gaf Prins Maurits den naam van Nassau – Veluwsch Gymnasium.

De Hoogeschool werd in 1600 geopend. Beide, Gymnasium en Hoogeschool, maakten elkander aanvullend geheel uit. Aan het hoofd van het Gymnasium stond een rector door lagere onderwijzers ondersteund. Het Akademisch onderwijs omvatte: Godgeleerdheid, Rechtgeleerdheid, Natuurlijke en beschouwende Wijsbegeerte en hoogere studie voor het Grieksch. Sinds Joh. Isacius Pontanus, die zich sedert 1606 geheel aan het hoogleeraarambt wijdde, deed ook de geneeskunde haar intrede. Vóór 1684 waren negen curatoren door de Staten van Veluwe belast met de zorg voor de Hoogeschool. De leerlingen waren gedeeltelijk afzonderlijk gehuisvest, gedeeltelijk samen in het Fraterhuis, of in een ander hiervoor ingericht gesticht. Hier genoten zij vrije woning en andere voorrechten.

In 1647 werd de Veluwsche Hoogeschool tot Gewestelijke verheven en afgescheiden van het classische Gymnasium. Een zestal curatoren, uit elk kwartier een voor de Ridderschap en een voor de steden benoemd. Aan deze Akademie werd hetzelfde gezag, recht en voorrecht toegekend als aan de andere universiteiten. Bijzonder werd zij gemachtigd candidaten van alle vakken te bevorderen tot doctoren, licentiaten en meesters. Den 6en Maart 1795 bepaalde de landdag, dat de Akademie voortaan Geldersche Akademie zou heeten. Den 22en October 1811 werd zij bij Keizerlijk Besluit opgeheven. Aan deze Akademie promoveerden o.m.: Boerhaave (13 Juli 1693); Linnaeus ( 23 Juni 1735); Krayenhoff ( 28Juni 1780) en Mr. H. W. Daendels (10 April 1783).

Het Gemeentemuseum te Arnhem bezit een pedelstaf van de Akademie.

Boekerij. De eerste opziender der boekerij was het lid van de schoolraad Ernst Brink. Als lid van dien raad komt hij 6 April 1641 voor. De boekerij was vermoedelijk gedeeltelijk afkomstig uit de kloosters, gedeeltelijk van de school van Geert Groote’s volgelingen. Den 8en Augustus 1608 besloot het stadsbestuur, dat de schoolraad de librairie zou verbeteren en van de noodige boeken voorzien en om daarbij den naam van den schoolraad te gebruiken, opdat zoo later de school naar elders verplaatst werd, de boekerij aan de stad bleef. Velen toonden hunne belangstelling. Na de verheffing tot Akademie nam zij in omvang toe. In 1664 werd bepaald, dat ieder, die van de Geldersche Akademie het doctoraat in eenig vak verlangde, voor de boekerij twee rijksdaalders moest geven. In verband met het oorlogsgevaar werd zij 29 Mei 1673 naar Hoorn overgebracht en kwam eerst einde Maart 1674 terug. In 1754 werd besloten, dat elke nieuw aankomende Curator een boek ter zijne keuze aan de boekerij zou vereeren. Elke aantredende hoogleeraar moest een werk van minstens vier ducaten aanbieden. In 1779 schonk Mr. Daniel Tulleken f 1000. – voor aankoop van boeken.In 1791 stond Jacob Pieter van Braam vele Oostindische handschriften af.

Na opheffing van het Geldersche Athenaeum beschikte de koning over het grootste gedeelte der Boekerij. Zij verhuisde gedeeltelijk naar Deventer voor het Athenaeum aldaar en voor een klein gedeelte naar Arnhem.

  1. Deze kerk was ook al, in de 18e eeuw, gebruikt als kaatsbaan en daarbij een woonhuis ingericht voor den “Caetsmeester”. De baan werd door de stad verpacht. Later, in de 19e eeuwwerd zij als bergplaats van stadsmaterialen gebruikt.
  2. De herstelling was Mei 1911 begroot op f  27029,76. Hierin zouden bijdragen: het Rijk f 13500, de Provincie F 4500, de R.C. gemeente              f 9000, .
  3. Als Kloosterkerk diende het bovengedeelte voor de kloosterlingen, het onderste voor de leeken; Als kerk der Fransche gemeente werd het onderste gedeelte gebruikt.
  4. Ter herinnering aan dien brand werden in latere jaren op dien dag gedurende een half uur de klokken geluid.
  5. In 1737 waren er nog Hongaarsche studenten, die door het Kwartier in het Fraterhuis onderhouden werden.

XXXX

 

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Oudheidkundig jaarboek juni 1923.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *