De overrompeling van Elburg door D. van Lintelo in 1480.

 

elburg

 

De overrompeling van Elburg door

  1. van Lintelo in 1480.

 

Belangrijk is het, na te gaan, hoe noode de Gelderschen in vroeger eeuwen zich aan vreemde heerschappij onderwierpen, en, wanneer overmagt hun het juk daarvan op de schouderen had gelegd, zich telkens daarvan wisten te ontworstelen, en den strijd niet staakten eer zij hunne onafhankelijkheid gehandhaafd hadden. Zoo was het, toen, in ’t laatste vierendeel der vijftiende eeuw, het magtige huis van Bourgondië, door Karel den Stoute vertegenwoordigd, dat gewest besprong.

Toen hij onder de muren van Nancy gesneuveld was, sloeg het krijgsvolk, waarmede hij Gelderland in bedwang hield, den ambtenaren, die hier gevolg moesten geven aan zijne bevelen, den ontvangers der schattingen die hij hier had uitgeschreven, zoodanig de schrik om ’t hart, dat zij, uit vrees voor de wraak der getergde landzaten, zich ijlings op de vlugt begaven. Het was, als toen, bijna drie en een halve eeuw later, de huurlingen van den geweldenaar, die Nederland uit de namerij der volken had weggestreept, op het eerste rammelen der ketenen van den half ontboeiden Nederlandsche Leeuw, onzen grond ontvloden. Maar Gelderland was voor den schoonzoon en opvolger van Karel den Stoute een al te begeerlijke prooi, dan dat hij zich die ligt zou hebben laten ontrukken. Met inspanning van alle voor hem beschikbare kracht gelukte het Maximiliaan van Oostenrijk, in Augustus 1480, althans de Veluwe aan zich te onderwerpen. Maar het nationaal gevoel der Gelderschen kon des keizers zoon niet zoo ligt onderdrukken, en naauwelijks hadden zijne wapenen eenigen voortgang gemaakt, of men trachtte hem met geweld den buit te ontwringen.

Het graafschap Zutfen had zich reeds een paar jaar vroeger onder bescherming gesteld van den bisschop van Munster, Henrik van Swartzenburg. Schoon oorlogzuchtig van aard, kon hij weinig doen om zich tegen het huis van Bourgondië te doen gelden. De keizer dreigde met den rijksban, als hij voortging de Gelderschen te hulp te komen, en zijn kapittel weigerde hem daartoe den noodigen onderstand; maar zijnen ritmeester, Dirk van Lintelo, deed hij overgaan in Geldersche dienst, en deze beraamde met de heeren Pelgrim en Herman de Vos, die gewoon waren uit hun huis Putten ( het Vossengat ) op krijgstogten uit te gaan, het ontwerp om Elburg te overrompelen en aan Maximiliaan te ontrukken.

elburg_kaart

De gewone bezetting der stad Elburg bestond, behalve de burgerij, uit slechts veertien bezoldigde schutten, zij moest dus op eigen krachten en vreemde hulp steunen, wanneer zij vijandelijk werd aangerand.

De groote ringmuur met negentien rondeelen stak van zeer verre boven ’t schrale gewas in den omtrek uit, en bood destijds wis geen lagender aanblik, dan ’t land dat er om heen was gelegen. Het binnenste der stad had geen aangenamer voorkomen, want alles getuigde daar, dat de vroegere beroeringen en plundertogten der heeren van Old-Putten de lust tot werken in die streek hadden uitgebluscht. De wilgenboonen, in de omtrek der stad geplant, waren omgehakt en de houten omheiningen grootendeels vernield; distelen en struiken vermenigvuldigden zich overal; ’t geboomte was zoo teugelloos opgeschoten en door zoo vele andere planten omkronkeld, dat men den oorspronkelijken stam niet meer kon onderkennen; zware biezen, reusachtig riet, bedekten ’t groenachtige water water der gracht, die onmiddellijk den stads ringmuur bespoelde, en waarvan de eentoonigheid slechts door ’t geel van eenige schoone waterleliën werd afgewisseld. De wegen, die de stad met meer zuidwaarts gelegene plaatsen in verbinding stelden, liepen als door eene woestijn, waar ter naauwernood eenige grashalmpjes, afgewisseld door het sombere groen der wilde erica en heide, en, in de openingen tusschen de zandheuvels, de goudgele trossen van enkele bremstruiken tevoorschijn kwamen. De gezigteinder was door eene aaneenschakeling van dikke natuurwouden begrensd, waar geen woning, zelfs geen tam huisdier werd gevonden; elke boomgroep, al ’t struikgewas langs den weg, liep op eene koude, zwijgende vlakte uit, vol van stuivende zandbergen en groote poelen.

Zoodanig was in het jaar 1480 de gesteldheid der stad Elburg en van den omtrek, toen Dirk van Lintelo, aan den avond van den 6 September, met honderd en twintig ruiters, uit Zutfen zijn togt ondernam naar de Over- Veluwe over Apeldoorn en ’t Loo, om nog tegen middernacht de stad bij verrassing voor Gelre in te nemen. De nacht was helder en stil, de hemel bedekt met sterren; de ruiters met hunne donkere lakensche mantels reden stevig door, zoodat de bosschen, waardoor hun weg liep, weêrgalmden het gestamp der paarden en het kletteren der stijgbeugels en scheenharnassen. Zonder ontdekt te worden bereikten zij den Runnenberg en hielden halt in de Diepesteeg nabij Elburg.

Hier wachtte hen een verkleed man, door Herman de Vos van Steenwijk van Putten gezonden, die hen met de gesteldheid der bezetting bekend maakte en tevens mededeelde, dat de heer van Putten eenen burger der stad, Arend Wagner, had omgekocht, om behulpzaam te zijn bij de voorbereidende werkzaamheden tot het welgelukken der voorgenomene overrompeling, in welk geheim tevens deelde Gherd Gherdszoon, prior in het Heiligen- Geestgasthuis, uit de buurschap Eese, nabij Lochem, de havezate van Lintelo. Onder voorwendsel nu dat er eenig herstellingswerk aan den waterput tegen de stads ringmuur achter het gasthuis moest geschieden, was door Arent Wagner in den muur eene opening gemaakt, groot en ruim genoeg dat een mensch er door kon kruipen, en deze weder met losse steenen gedigt. Pilgrim de Vos zou zich met zijne twintig manschappen aan den Molenweg bij het detachement voegen, om ten gids te verstrekken, en wanneer men behoedzaam en in stilte den zuidwesthoek der stad bereiken konde, zou het makkelijk vallen het gemaakte plan ten uitvoer te brengen en zonder slag of stoot, over de Zeepoorten- brug en de Gasthuisplaats, binnen te dringen; vervolgens zou men de wacht aan de Goorpoort gevangen nemen en zich van de sleutels meester maken.

ridder

Van de veertien gehuurde knechten in het blokhuis den Schuttoren, aan den noordwesthoek der stad, waren alleen twee schildwachten uitgezet ter bewaking der Goor- en Meenpoorten, terwijl het Oostpoortje, benevens het Zeepoortje achter het Gasthuis, bij dag en nacht gesloten en onbewaakt werden gelaten.

Op dit berigt liet Lintelo twintig man afzitten, met last om, onder aanvoering van Pilgrim de Vos, zich door gemelde opening van den muur binnen de stad en naar de Goorpoort te begeven en deze onverwijld voor hen te openen. Aan de voorhoede beval hij, dadelijk na den intogt zich naar het blokhuis den schuttoren te begeven en de bezetting gevangen te nemen; terwijl hij aan de achterhoede het sluiten der Goorpoort opdroeg, zoodra het detachement zou zijn binnen gerukt.

Diepe stilte rustte op de stad. De onderneming, onder geleide van Pilgrim de Vos, gelukte volkomen, en Lintelo, die intusschen tot voor de Goorpoort genaderd was, reed vervolgens de stad binnen onder het vrolijk trompetgeschal en het geroep van: “ Gelre! Gelre!”

Op het hooren van het krijgsrumoer en het gestamp der ruiterpaarden was de verslagenheid algemeen, inzonderheid onder de vrouwelijke bevolking. Ieder der met schrik gewekte poorters wekte zijn buurman, door op de deuren en vensters te kloppen; reeds waren de vrouwen en kinderen ijlings gevloden; daarna volgden de mannen haar voorbeeld, en begaven zich in de tusschen huizen of, met hunne draagbare goederen, “ in de verholen gangen, op de Beek uitkomende, die, laag van verdieping en van weêrszijden met steenen bemuurd, door de stad loopt.”

Intusschen had de hoofdtroep zich over de Onserbrugge naar de Leege- Steê begeven en de woning van jonkheer Arend tho Boecop, die regthoekig aan het Sint Agnietenklooster aansloot, bezet, ten einde hem gevangen te nemen, daar hij aangewezen was als die tot de onderhandeling met Willem van Egmond, om de stad onder Maximiliaan te brengen, aanleiding had gegeven. “ De jonkheer Arend Tho Boecop te bedde liggende, en in der ijl door een der schoorsteenen naar ’t klooster bezijden zijn huis vliedende en van daar naar de kerk”, waar hij een vrijplaats zocht, was verdwenen, terwijl intusschen Pilgrim de Vos met de zijnen de woningen der meest gegoede poorters openbrak en uitplunderde.

Nadat men Arend Tho Boecop vergeefs in zijne woning had gezocht, werd die tot verblijfplaats van Lintelo en zijne aanvoerders bestemd, waar zij zich rijkelijk lieten opdisschen van hetgeen keuken en kelder opleverden. Ook werden de scholtus en schepenen ontboden en een uur bepaald waarop deze met hen zouden vergaderen op den burgt, thans het stadhuis in de Kerkstraat, om verdere maatregelen te beramen. Nu wendde zich Lintelo tot de bende, die onbewegelijk en zwijgend voor hem stond, en zeide glimlagchende: “thans kunt gij uitrusten; ik zal u spoedig weer werk verschaffen. Leve Gelre!” Deze kreet werd beantwoord door de manschappen en, terwijl de ruiters afstegen en zich gereed maakten om hunne paarden bij de toom naar de stallen te geleiden, zeiden ze onder elkander: “nu zal het Elburger bier ons smaken.”

Ondertusschen betrokken de ruiters de meestal openstaande en verlatene woningen, om zich schadeloos te stellen voor de ontberingen en vermoeijenissen gedurende den nachtelijken togt.

De dag van den zevende September was inmiddels aangebroken; de zon steeg langzaam en statig uit de kim en wierp haar schijnsel op de aarde; ’t was een vreemd gezigt dat Elburg nu aanbood: de gevlugte bevolking kwam voor en na uit de schuilhoeken en onderaardsche gangen tevoorschijn, waar zij zich voor den overmoed der Lintelo’sche bende had zoeken te beveiligen. Hunne woningen vonden zij door het krijgsvolk ingenomen, dat een overdadig gebruik gemaakt had van de voorhandene levensmiddelen, hetgeen zij zich evenwel gaarne getroosten nu zij van mishandelingen verschoond gebleven waren. Op het bepaalde uur verschenen de scholtus Arend Mamen, en de schepenen Hendrik Hekker, Andries van Empe, Johan Bigge en Arend op die Horst, en vonden Lintelo op hen wachten in de groote spijszaal van den burg van hertog Reinald. Hij groette de binnenkomende vriendelijk en op een wenk van hem namen zij aan zijn linkerzijde plaats. Toen werden er vijf dedingslieden benoemd om de boete der afvalligen te regelen, en tevens jonkheer Arend Tho Boecop openlijk gedagvaard en opgeroepen, om zich vrijwillig uit de vrijplaats over te geven. Hij voldeed hieraan en werd in verzekerde bewaring gesteld. Eerlang werden nu ook de dedingslieden gematigd, aan de goederen der afvalligen en weerspanningen de hand te slaan, die te verkoopen en zelfs, in geval zich geen koopers mogten opdoen, de poorters met geweld te noodzaken, die te koopen en voor de voldoening behoorlijk borgtogt te stellen; jonkheer Arend Tho Boecop werd met groot geld gelost, waarvoor de stad Kampen borg bleef, niettegenstaande hij alle zijne gereede juweelen en kostbaar huisraad te pand had gelaten.

Reeds in Julij van het volgende jaar, toen het graafschap Zutfen zich aan Maximiliaan onderwierp, werd ook Elburg in den zoen met den overwinnaar begrepen, maar bestendig weigerde de stad Bourgondische bezetting in te laten, en aan hare eigene burgers, nevens eenige Harderwijksche schutters, werd hare bewaring toevertrouwd.

1861                                                                                          G. Haasloop Werner.

Geldersche volks- almanak.

hendrik van grietjen

Dit bericht was geplaatst in H.G. Haasloop Werner..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *