Pius Ziekenhuis 1887 – 1982.

 

 

001

PIUS  ZIEKENHUIS.

1887 – 1982.

   Enige tijd geleden kwam ik in het bezit van het boekje Pius Ziekenhuis 1887 – 1982. Bij navraag bleek dit een niet zo bekend boekje te zijn. Ik wil de inhoud met u delen, want het is best wel bijzonder en het was echt een begrip in Harderwijk, dit Pius Ziekenhuis.

Inleiding.

A Dieu…..Pius !

 

Oók ziekenhuizen worden geboren, groeien en ontwikkelen zich en verouderen. Zo gaat het ook met het Pius gesticht van weleer en het Pius Ziekenhuis van nu.

Een terugblik is op zijn plaats, goede herinneringen die tot dankbaarheid stemmen. De leden van de reuniecommissie, die als kroniekschrijvers van Pius zijn opgetreden, verdienen een compliment voor hun boekje. Bewogen en sympathiserend is het geschreven en dáárdoor objectief.

Ziekenhuizen in het Westen hebben zich vroeger onafhankelijk van de geneeskunde ontwikkeld. Die ziekenhuizen van toen waren in oorsprong “ Gods- en Gasthuizen” waar in de naam van God de diakonia en de caritas werden bedreven.

Hier werd aan de zieke, de zwakke, de kansarme, barmhartigheid bewezen “ alsof hij de Heer was”. Sommige ziekenhuizen heetten “ Hôtel Dieu”.

De zorg die toen geboden werd was weliswaar minder intensief, minder professioneel en meer improviserende zorg dan de zorg van nu, maar…. Had bijzondere kwaliteiten. Pius, hoewel geboren in de 19e eeuw, heeft mede dank zij de zusters nog lang het klimaat van zo’n Godshuis gehad. In Pius was ook lange tijd de zorg niet zo geïsoleerd en niet zo teruggetrokken binnen de muren. Zusters, zo lezen wij, gingen er aanvankelijk ook op uit en verzorgden de mensen ook in hun huizen.

Straks gaan wij dit Pius verlaten en daarom kijken we, al lezend, om in dankbaarheid naar dat huis van geïnspireerde zorg en van menselijke warmte door de bijna honderd jaren heen. Wat nemen wij er straks van mee naar het nieuwe ziekenhuis? Meubels? Apparatuur? Ik hoop dat er straks in het nieuwe huis heilig vuur zal zijn dat inspireert tot zorg, tot afzien van macht en tot dienen. Zouden wij ook nog iets kunnen realiseren van “ die zusters die er op uit gingen”? Een open ziekenhuis met goede relaties met de mensen daar buiten. Eerst dan is een ziekenhuis een vindplaats van menselijkheid. Wij nemen die vlam mee naar het nieuwe huis en zullen daar dan op eigentijdse wijze mee doen wat we kunnen.

Maart 1982                                                                                                W. Holtrop

                                                                                                                    Voorzitter

 

Dit is de geschiedenis van een ziekenhuis.

Het is het verhaal van een aarzelend begin,

het verhaal van opbouw

en ook van teruggang.

Het is een verhaal van hoogtepunten

En dieptepunten, van vreugde en verdriet,

Van liefde en ook van haat,

Maar bovenal een verhaal van

Zelfopoffering en liefde tot de medemens.

pius1-002

 

Het begon allemaal ongeveer een eeuw geleden. Harderwijk was een klein vissersplaatsje, ingeklemd tussen de zee aan de ene kant en de uitgestrekte bossen van het Veluwse land aan de andere kant.

De zee, die voor de vissers een bron van leven was, maar die ook van tijd tot tijd als een vijand kon aanvallen en vernietigen.

Het land, met zijn arme grond, waar keuterboertjes met hard werken een karig stuk brood verdienden. Op zichzelf was dit alles niets bijzonders. In vele dorpen en stadjes in ons land was het al eeuwen niet anders.

Het leven van alledag was hard, men leefde eenvoudig en miste de luxe niet, omdat men haar niet kende.

In die tijd waren ziekten en dood onafscheidelijke metgezellen op de levensreis, het kruis dat op ieders pad werd geplaatst en dat men gelaten aanvaardde. Geneeskundige verzorging zoals wij die heden ten dage kennen bestaat nog maar heel kort. Eeuwenlang waren de geneesheren slechts beschikbaar voor de zeer rijken.

Voor de grote massa van de bevolking waren er de rondreizende kwakzalvers, die op kermissen en jaarmarkten hun wondermiddelen aan de man brachten, de piskijkers en de steensnijders, de bezweerders en de kruidenvrouwtjes.

Het is nog maar een paar eeuwen geleden dat de barbiers als nevenbedrijf enig chirurgisch werk verrichtten. Of mogelijk is het zo, dat de chirurgijns als er niets te aderlaten, koppenzetten of amputeren was, dan maar met baarden en snorren van hun stadsgenoten bijwerkten.

Wel was er tegen het einde van de vorige eeuw al veel vooruitgang geboekt en waren er reeds artsen en enkele ziekenhuizen, maar een ziekte verzekering bestond nog niet en het ziekenhuis was ver weg. Ook toen nog bleek een goede geneeskundige behandeling voorbehouden aan de beter gesitueerden en werd bij de gewone man de dokter meestal pas geroepen als de patiënt reeds stervende was.

Zolang mogelijk werd met alle mogelijke ( en onmogelijke) huismiddeltjes geprobeerd de ziekte te genezen en pas “ als er geen kruid meer tegen gewassen was” werd de arts geroepen, die dan ook veelal machteloos stond.

Een ziekenhuisopname in die tijd was ook geen eenvoudige zaak.

Stelt u zich voor hoe een ernstig zieke patiënt met paard en wagen over de zand- en grindwegen van de Veluwe naar Amersfoort of Zwolle vervoerd moest worden. Opmerkelijk is, dat in vroegere eeuwen in Harderwijk en naaste omgeving wel ziekenhuizen zijn geweest. Ziekenhuizen overigens die maar bijzonder leken op dat wat wij daaronder verstaan.

Veelal aan kloosters waren z.g.n. Godshuizen of ook wel Gasthuizen verbonden, waar zieken en behoeftigen werden verpleegd en verzorgd. Echte geneeskundige behandelingen, afgezien van het verstrekken van kruiden, het verbinden van wonden, aderlaten e.d. werden niet gedaan.

In het begin van de 14e eeuw en wel in 1307 vinden we voor het eerst de vermelding van een hof, genaamd St. Jansdal, gelegen te s’Heerenloo bij Harderwijk. Het moest een soort klooster geweest zijn, uitgaande van de Johanniterorde, waar ook zieken werden verpleegd.

Een tweede opmerking over dit St. Jansdal vinden we in 1384 wanneer broeder Willem Gronsveld, “ plegher”, d.w.z. de beheerder van den Hof Sint Jansdal, toestemming krijgt van de overste van de St. Jans orde om een “ Sijns” van het godshuis te verkopen of te verruilen. Een sijns was een heffing of belasting.

Maar ook dichter bij Harderwijk zijn omstreeks die tijd kloosterorders die zich met de ziekenverzorging bezig houden. Zo werd in 1344 toestemming door Bisschop Johan verleend aan de zusters Clarissen om net buiten Harderwijk een huis te bouwen ter ondersteuning van arme, lamme en gebrekkige mensen. De plek waar deze zusters, in de volksmond “ grauwe zusters” genoemd, woonden, heette het Claardal of Clarendal. Tot ongeveer 1600 hebben zij daar gewerkt, waarna in 1612, door de dan inmiddels Hervormde Raad wordt besloten tot verkoop van de kloosters binnen Harderwijk.

Rond 1400 kende Harderwijk het Geertruide Gasthuis en ook heeft het Gasthuis van de pius2-003Heilige Geest bestaan. Waarschijnlijk werd dit door de kerk bestuurd, want op 18 oktober 1408 droeg de kerkelijke overheid het beheer van dit ziekenhuis over aan de Schepenen en Raad van Harderwijk. Dit Gasthuis moet aan de Hoogstraat hebben gelegen, want in 1555 wordt er gesproken over de schenking door Evert van Wenkum en zijn vrouw Gertruid van een nieuwe woning, gelegen aan de Hoogstraat bij de Marktstraat, aan het Gasthuis.

Oorspronkelijk buiten de stad gelegen was er in diezelfde tijd een ziekenhuis voor besmettelijke ziekten. Na 1585 werd dit ziekenhuis verplaatst. Het kwam toen binnen de stadsmuren te liggen en wel in de Straat van Sevenhuysen. In de volksmond heette het “ het Pesthuis”, een naam die in een tijd dat pest, typhus en cholera gevreesde en regelmatig voorkomende ziekten waren, wel aangeeft, dat hier inderdaad lijders aan deze ziekten werden ondergebracht.

In het begin van de 17e eeuw en wel op 9 mei 1603 besloten de Schepenen dat er in Harderwijk een tehuis voor oude van dagen moest komen. 5 jaar later, op 21 augustus 1608 besloot men vervolgens dat dit zal zijn een oude mannenhuis en dat dit zal worden gevestigd in het begijnenkerkje aan het kerkhof. Nog eens 5 jaar later, omstreeks 1613, kon men inderdaad aan de inrichting van dit tehuis beginnen.

Het St. Jorisgilde schonk op 24 augustus 1613 de benodigde gelden.

Het huis was gelegen tussen de Vijhestraat en de Fratersteeg. Reeds 3 jaar later, op 26 januari 1616, werden de statuten van de stichting vastgesteld. Hierin stond o.a. vermeld, dat men om tot dit oude mannenhuis toegelaten te worden, ongehuwd moest zijn, ƒ 400,-, alsmede een bed en toebehoren moest inbrengen.

Of er nu destijds in Harderwijk erg weinig ongehuwde mannen waren, of dat de inkoopsom te hoog was, een feit was, dat de bezetting van dit huis zo slecht was, dat al vrij kort daarna ook vrouwen mochten worden toegelaten.

Toch heeft deze verruiming van de normen kennelijk niet veel geholpen want op 23 januari 1620 besloten de Schepenen dat de Gildes van St. Anna, St. Joris, St. Quirijn en die van het Heilige Kruis hun inkomsten af moesten dragen aan het Mannenhuis. Zelfs dat heeft het tehuis niet voor de ondergang kunnen behoeden.

Het werd in verband met de slechte financiële toestand opgeheven en in 1690 werd in hetzelfde pand een kindertehuis gesticht, dat als naam kreeg: Gereformeerd Gast- en Kindertehuis.

Nadat dus enkele eeuwen in Harderwijk en naaste omgeving op enigerlei wijze de zieke mens kon worden verpleegd, zien wij dat in de 19e eeuw die mogelijkheid geheel is verdwenen.

 

Het ontstaan van het Pius – Gesticht.

 

In de tweede helft van de 19e eeuw, woonde er in Harderwijk een man, die zich bezig hield met het stoken van jenever. Het bedrijf bestaat nog steeds en draagt ook nog steeds zijn naam: J.H. Hulsink.

Deze hulsink was ook kerkmeester van de R.K. kerk en het was hem een doorn in het oog, dat de kinderen van de R.K. ingezetenen niet naar een Katholieke school konden, want die was er eenvoudig niet.

Hij praatte hier eens over met de toenmalige pastoor H.H. Kanne en stelde hem voor pogingen in het werk te stellen om te komen tot de stichting van een fonds, dat tot doel had, gelden bijeen te brengen voor een later te stichten R.K. school.

Om te beginnen, stortte de heer Hulsink zelf 1000 francs als basis van het fonds. De pastoor had hier wel oren naar en op een verenigde vergadering van Kerk- en Armbestuur op 9 april 1869, vertelde hij over het voorstel van de heer Hulsink.

Wel had hij zelf een iets ander voorstel, n.l. om het fonds niet uitsluitend op te richten voor de bouw van een R.K. school, maar een meer algemener doel aan te geven, zodat de gelden ook voor andere noodzakelijke zaken kunnen worden gebruikt. We mogen aannemen, dat er op die vergadering nog heel wat is afgepraat, maar toen de vergadering was afgelopen, waren er drie besluiten genomen. Men ging accoord met de instelling van een fonds, er werd een commissie benoemd, die bij de parochianen geld zou inzamelen ter versterking van het fonds en tenslotte besloot men de stichting, die opgericht zou worden, het Pius Gesticht te noemen.

Deze naam werd gekozen om daarmee Paus Pius IX te eren, die in 1869 zijn gouden ambtsjubileum had gevierd.

Het bestuur van de Stichting heeft kennelijk hard gewerkt en de parochianen hebben gul geofferd, want in mei 1873 werd een gebouw aangekocht aan de Hondegatstraat nummer C 71, om daarin een bewaarschool te beginnen.

U ziet, Pius is klein begonnen.

Wel mogen we dus stellen dat vanaf mei 1873 het Pius Gesticht werkt.

Helaas is het niet meer mogelijk te ontdekken, welk pand in de Hondegatstraat destijds nummer C 71 heeft gedragen.

Met de bewaarschool ging het uitstekend en zo rond 1880 wilde men gaan uitbreiden met een naai- en breischool. Er werd een circulaire gestuurd aan alle parochianen die nog geen geldelijke steun aan het Pius Gesticht hadden gegeven. In dit rondschrijven werd verzocht ook iets bij te dragen voor de naai- brei en bewaarschool van het Pius Gesticht.

In die tachtiger jaren van de vorige eeuw is er wel veel gebeurd. In 1884 wordt er een scheidingsacte opgemaakt tussen Kerk- en Armbestuur. Hoewel het jaar 1885 een nadelig saldo laat zien van ƒ 78,51 wordt door het kerkbestuur een paar jaar later, n.l. in augustus 1887 een groot pand aan de Bruggestraat gekocht.

Het is dit huis, dat de basis zou worden van het Pius- Ziekenhuis, zoals wij dat heden ten dage nog kennen. Ook in 1887, en wel op 22 december, wordt een overeenkomst gesloten met de Eerwaarde Zusters van St. Jozef te Amersfoort. Hierbij krijgen de Zusters de leiding over het Pius- Gesticht.

Wel worden er een aantal voorwaarden gesteld.

Daar de Zusters niet de bevoegdheid hebben om gewoon lager onderwijs te geven, moesten zij er voor zorgen, dat hierin werd voorzien.

Overigens mocht het aantal zusters niet groter zijn dan vijf.

Verder werd bepaald dat naast de naai- en brei- en bewaarschool de zusters ook oude lieden zouden verzorgen.

Men sprak toen over deze mensen als de pensionnaires of pensiongasten.

Tot op de huidige dag herinnert de pensiongang aan deze tijd.

Met deze naam wordt de gang bedoeld die op de eerste verdieping loopt in het gedeelte van Pius dat aan de Bruggestraat ligt.

De eerst bekende pensiongast was mejuffrouw Euphemia Heupkamp, die op 15 mei 1889 in Pius kwam wonen. Zij betaalde daarvoor een inkoopsom van ƒ 1500,-, terwijl zij bij de pastoor een effect ter waarde van ongeveer ƒ 200,- in bewaring gaf. Bij haar overlijden moesten van de opbrengst van dit effect de begrafeniskosten, H. Missen en jaargetijden betaald worden. Wat er eventueel overbleef, was voor de zusters. Toch wel opmerkelijk is, dat deze mejuffrouw Heupkamp bij haar intrede in Pius 50 jaar was. Volgens hedendaagse opvattingen nog erg jong voor een bejaardenhuis.

Tenslotte werd er met de zusters overeengekomen dat zij ook zieken, zowel in als buiten het gesticht zouden gaan verplegen.

Nog menige oude Harderwijker weet zich te herinneren, dat de zusters van het Pius Gesticht ernstige zieken aan huis kwamen verplegen. Een soort wijkverpleging dus. Rond deze tijd zien we de ziekenverzorging in het Pius Gesticht zijn intrede doen. Weliswaar aarzelend, maar de verpleging is er en gaat

niet meer weg. Integendeel, de verzorging van zieken wordt steeds belangrijker en doet tenslotte de naai- en brei- en bewaarschool, alsmede het tehuis van ouden van dagen geheel verdwijnen. Maar zover zijn we nog lang niet.

Voorlopig wordt op 1 januari 1888 het Pius gesticht voor ouden van dagen officieel geopend. De eerste Eerwaarde Moeder was Zuster Victoria. Haar naam was zeker een voorteken. In de periode dat zij Moeder – Overste was, groeide het Pius – Gesticht uit tot een goed funktionerend ziekenhuis en wat meer is, ging het ook echt bij Harderwijk horen.

 

Harderwijk was zo rond de eeuwwisseling een duidelijk protestantse plaats. Van de toen 7000 inwoners waren er slechts 400 katholiek.

Dat desondanks de zusters van het Pius – Gesticht meer en meer in deze gemeenschap werden geaccepteerd en gewaardeerd, is zeker te danken aan de liefdevolle en zelfopofferende arbeid van de zusters.

Hoewel pas op 1 januari 1888 het Rooms – Katholieke Liefdegesticht voor ouden van dagen, genaamd Pius – Gesticht, was geopend, verkeerde het pand waarin dit gevestigd was, kennelijk niet in een al te beste staat. We lezen tenminste dat in juli 1888 het besluit wordt genomen om de hoognodige reparaties aan het gebouw te laten verrichten. Maar een maand later, in augustus, is er dan toch ook alweer een feestelijke receptie in het Pius – Gesticht. Pastoor Hens viert zijn zilveren priesterjubileum. De armen van alle gezindten worden mild bedacht en op de receptie, die druk wordt bezocht, ziet men ingezetenen uit de hele burgerij.

De tachtiger jaren waren voorbij. Veel was er gebeurd, maar het was zeker niet het moment om tevreden op de lauweren te gaan rusten. Weliswaar waren er in de laatste tien jaar van de 19e eeuw niet zulke spectaculaire gebeurtenissen, maar men bleef hard doorwerken. Bij iedere ontwikkeling wisselen perioden van groei af met momenten van rust, van consolidatie, en laten we dan maar stellen dat na de eerste stormachtige groeiperiode, het Pius – Gesticht nu een aantal jaren nodig had om dat wat bereikt was, vast te leggen en zich voor te bereiden op een verdere uitbouw.

Want die uitbouw zou komen, dat stond wel vast. In 1899 werden de financiën nog eens versterkt. Pastoor Kanne schonk ƒ 1000,- aan de R.K. Kerk, onder de voorwaarde dat jaarlijks van de rente van dit bedrag ƒ 10,- aan de pastoor moest worden gegeven, terwijl de rest, een bedrag van ƒ 25,- voor het \pius – Gesticht was bestemd. In 1905 worden in de Rabbistraat een schooltje en een washuis gebouwd.

pius3-004 Dan begint toch zo langzamerhand de ziekenverpleging wat meer op de voorgrond te staan. In begin december van het jaar 1905 neemt pastoor Sloet het initiatief om het Pius – Gesticht zich in de toekomst ook met de ziekenverpleging te laten bezighouden. Meteen al, en wel op 22 december 1905, sluit men een overeenkomst met de Gemeente.

Volgens deze overeenkomst krijgt het Pius – Gesticht jaarlijks een subsidie van ƒ 100,-, terwijl Pius zich daarbij verplicht om de minvermogenden tegen betaling van 60 cent per dag op te nemen.

Samen met dokter Kerssen stelt moeder – overste Victoria een request op, dat aan de Minister van Volksgezondheid wordt verzonden en waarin toestemming wordt gevraagd om een ziekenhuis te mogen beginnen. In 1906 wordt de toestemming verleend.

In datzelfde jaar 1906 wordt overigens in Tonsel grond in erfpacht afgestaan om te komen tot de bouw van een Sanatorium voor Longlijders en reeds in november 1907 wordt aan aannemer Gaasterland te Den Haag voor ƒ 33.450,- de bouw gegund van het sanatorium “ Sonnevanck”.

Hier begint ook een ontwikkeling die zijn stempel op de gezondheidszorg op de Veluwe zal drukken.

Maar Pius is nu een echt ziekenhuis en men begint in een keurig schrift boek te houden van de “Polijklinische Patiënten.”

Op 9 maart 1906 is het zo ver. Voor 50 cent wordt de eerste patiënt, een zekere Lindjes uit Harderwijk van verband en hulp voorzien.

11 Maart de volgende patiënt. De heer P. Karssen uit Harderwijk komt voor verband en hulp, hetwelk ook hem 50 cent kost. Zo volgt bladzijde na bladzijde en vele bekende Harderwijkse en Hierdense namen komt men in dit schrift tegen.

Op 1 januari 1908 wordt een tweede boek in gebruik genomen.

Met fraaie schoolschriftletters wordt op het schutblad geschreven: Grootboek van de Ziekenverpleging van het Piusgesticht Harderwijk.

Voor ƒ 1,60 per dag wordt dan in de 2e klasse een zekere H. Griethuizen verpleegd. Wel moest dan nog worden bijbetaald voor extra voeding. Voor 1 maand melk met griesmeel werd ƒ 1,60 extra berekend, evenals ƒ 0,25 voor apolinariswater. 2 Maanden later wordt aan de voeding behalve melk en griesmeel ook nog eieren toegevoegd, waardoor het maandelijks extra bedrag  ƒ 1,95 wordt.

Operaties kwamen toen kennelijk nog niet voor, want in de boeken is alleen sprake van thermometers, sponsen en verbandmiddelen. Wij mogen nu wat glimlachen om deze dingen, zowel de prijzen als de wijze waarop deze ziekenverpleging kennelijk van start ging, maar laten we niet vergeten, dat alles in zijn eigen tijd moet worden gezien en dat over 80 jaar misschien op dezelfde wijze geglimlacht wordt over de manier waarop wij nu werken.

Maar al is Pius dan heel klein gegonnen, in die jaren voor de eerste wereldoorlog, nam langzaam maar zeker het aantal verpleegden toe. In het jaar 1911 werden in totaal 49 patiënten opgenomen. Maar zover is het nog niet. Reeds in 1908 wordt het Pius – Gesticht uitgebreid. In de loop der jaren werd steeds als de gelegenheid zich daartoe voordeed een nieuw stuk bij het ziekenhuis getrokken.

 

In 1910 vindt er een scheiding plaats tussen het Kerkbestuur en de administratie van Pius, waarvoor bij Bisschoppelijk schrijven van 15 augustus 1910 een Commissie van Beheer wordt ingesteld.

Deze commissie wordt dan verder het Bestuur van het Piusgesticht genoemd. Veel bevoegdheden had dit bestuur trouwens in het begin niet en meestal werd samen met het Kerkbestuur en ook nog wel met het Armbestuur, vergaderd.

Het eerste “Piusbestuur” bestond uit de volgende personen:

de voorzitter was pastoor van Schaik, bijgestaan door de heer van Buitenen, die onder voorzitter was.

penningmeester was de heer H.J. v.d. Weyer en secretaris de heer H.J. Terheggen.

de heer P.Th. Huberts was lid.

Door deze scheiding was het ook noodzakelijk dat er een nieuw reglement kwam. Dit reglement dat op 15 juli 1911 klaar was, had als titel: Reglement van het Ziekenhuis van het Pius – Gesticht te Harderwijk. Hoe was het nu overigens met de artsen, die in die beginjaren in Pius werkten? Reeds eerder werd de naam genoemd van dokter Kerssen, die vanaf het begin in Pius werkte.

In maart 1914 verliet dokter Kerssen Harderwijk. Hij werd opgevolgd door dokter Mellema. Dokter Mellema bleef tot december 1917 te Harderwijk, waarna hij naar Purmerend vertrok. Verder komen we nog namen tegen van dokter van Rhijn en van dokter Timmers. Met name de laatstgenoemde is bij veel Harderwijkers nog als huisarts bekend. Hij woonde in het doktershuis naast Pius, waar nu dokter Maaskant zijn praktijk heeft.

Op 17 januari 1918 werd een bespreking gehouden met dokter Aghina, chirurg te Amersfoort. Aan deze bespreking werd ook deelgenomen door de huisartsen van Rhijn, Timmers en Penning.

Dr. Aghina zou in Pius patiënten behandelen, die algemene chirurgische, gynaecologische of urologische hulp behoefden.

Zolang dokter Aghina nog in militaire dienst was, zou dokter Padberg, militair chirurg te Harderwijk, voor hem waarnemen. Dokter Padberg had trouwens tijdens de daaraan voorafgaande jaren al in Pius geopereerd.

Tot 1 februari 1919 bleef dokter Padberg nog als militair arts in Harderwijk. Na zijn demobilisatie nam dokter Aghina zijn werk in het Pius Ziekenhuis over.

Langzaam maar zeker breidden zich de ziekenhuisfuncties uit. Zagen we hierboven hoe na enkele jaren reeds een chirurg kon worden aangetrokken, ook de outillage van het  ziekenhuis werd aangepast.

In 1911 werden enkele bijgebouwen geplaatst, waaronder een barak voor besmettelijke ziekten.

Toch was in die tijd het ziekenhuisdeel nog steeds niet meer dan een onderdeel van de werkzaamheden. Zo blijkt uit het jaarverslag over 1911 dat de inkomsten voor 2/3 kwamen uit de verpleging van Pensionnaires en voor 1/3 uit de verpleging van zieken. In 1913 werd het huis naast het Pius – Gesticht van de heer van Uchelen gekocht. Voor de nodige verbouwing vond onderhandse aanbesteding plaats. Hoogste inschrijver was de heer van Werven voor ƒ 492,50, laagste inschrijver de heer Munchering voor ƒ 477,22.

De zusters van het Piusgesticht hadden toen trouwens al weer ruim 25 jaar in Harderwijk gewerkt. 28 december 1912 was het 25 jaar geleden dat ze hier waren gekomen. Op 27 mei 1913 werd dit feestelijk herdacht in de kloosterkerk.

Zr. Victoria, de eerste moeder – overste, heeft dit niet meer meegemaakt. In 1911 was zij opgevolgd door zuster Romano. Het aantal zusters was intussen toegenomen tot 12. Zo vlak voor de 1ste wereldoorlog begon het ziekenhuis steeds meer vorm te krijgen. Men was enthousiast bezig, er werd aan uitbreiding gewerkt, verbeteringen werden aangebracht, het aantal zusters nam toe, kortom Pius was duidelijk in de groei.

Wij kunnen ons eigenlijk nauwelijks voorstellen hoe men in die tijd werkte. Laten we als voorbeeld eens verwarming en verlichting nemen, typisch van die dingen waar de moderne mens nauwelijks meer bij denkt. Voor de verwarming was men in die tijd zo rond 1910 aangewezen op kachels. En dan wel op een kachel per vertrek. Op iedere kamer, die verwarmd kon worden, stond een kachel. Ook dus op de patiëntenkamer. Die kachels moesten ’s morgens aangemaakt worden, gedurende de dag voortdurend met kolen worden bijgevuld, de as moest worden verwijderd, kortom een, naar onze begrippen, onmogelijke toestand.

Wat de verlichting betreft, ook hier een wel heel ander beeld dan de simpele schakelaar van vandaag. Men had gas- en petroleumverlichting. Uit onze kampeervakanties kennen de meeste mensen wel de gasverlichting, met het gaskousje. Heel romantisch in de vakantie. Maar stelt U zich eens voor dat je in een heel ziekenhuis rond moet gaan om overal gaslampen aan te steken. Afgezien van het vele werk, het natuurlijk altijd op een ongelegen moment kapot gaan van een gaskousje, was daar nog het grote brandgevaar. Bij de petroleumlampen kwam daar dan ook nog de altijd onaangename petroleumlucht bij. Toch heeft men zeer vele jaren op deze wijze gewerkt. Het is niet meer mogelijk om na te gaan wanneer elektriciteit in Pius is aangelegd, maar wel beschikken we nog over een brief, die op 25 augustus 1922 werd gestuurd aan de N.V. Utrechtse fabriek van centrale verwarming, v/h Zimmerman en Co., waarin gevraagd wordt enige opmetingen te doen in verband met de aanleg van een centrale verwarming. Tot die tijd was het dus kolen sjouwen, asladen legen, met alle daaraan verbonden ongemakken zoals rook en stof. Maar er waren in die tijd nu eenmaal geen andere mogelijkheden en het zou dan ook een heel verkeerde conclusie zijn om te stellen dat het ziekenhuis niet met zijn tijd meeging. Integendeel. Ook reeds in 1914 beschikte het Pius Ziekenhuis over een gasmotor welke een dynamo aandreef, die op zijn beurt stroom leverde voor een hoogzonlichtinstallatie en een röntgenapparaat. Dit röntgenapparaat was eigendom van dokter Mellema, die in maart 1914 dokter Kerssen was opgevolgd. Met deze röntgenapparaat was Pius één van de eerste ziekenhuizen in Nederland die over de mogelijkheid tot het maken van röntgenfoto’s beschikte.

Van 1914 tot 1918 woedde de eerste wereldoorlog en hoewel Nederland niet rechtstreeks bij deze oorlog was betrokken, heeft ze toch veel invloed gehad op de verdere ontwikkeling van ons ziekenhuis. Direkt in het begin van de oorlog werden een aantal afspraken gemaakt. Zo is er een brief aan de Inspecteur van de Geneeskundige Dienst der Landmacht, waarin wordt vastgesteld, dat Pius “de geheele zorg voor de verpleging van Zieke en gewonde militairen, met inbegrip van genees- en verbandmiddelen, zonder onderscheid van nationaliteiten, op zich wenscht te nemen, tegen een vergoeding van ƒ 4,- per dag voor een Officier en van ƒ 2,- voor een militair van minderen rang.”

Het Bestuur liet aan het Rode Kruis weten dat 40 bedden beschikbaar waren voor militairen. Als we dan zien dat in 1918 opgegeven wordt dat Pius 50 patiënten kan opnemen, blijkt dat er dus een groot percentage beschikbaar was voor de militairen. Dit laatste gegeven vinden we in een brief aan het afdelings- bestuur van Amersfoort van het Nederlandse Rode Kruis, waarin bovendien vermeld staat, dat ingeval van oorlog het ziekenhuismateriaal wordt aangevuld door de Maltezer Orde. Het Rode Kruis was toen bezig een inventaris op te stellen van alle ziekenhuisfaciliteiten. Erg vroeg waren ze daar overigens niet mee, want de brief is gedateerd: 30 april 1918. De Maltezer Orde die hier wordt genoemd, is ontstaan in de tijd der kruisvaarten en heeft zich door de eeuwen heen bezig gehouden met hulp aan zieken en gewonden. Deze Orde had in het begin van 1918 aan een aantal ziekenhuizen, waaronder ook het Pius Ziekenhuis een bedrag van ƒ 10.000,- aangeboden, onder voorwaarde dat er te allen tijde een bed voor de Orde beschikbaar zou zijn en dat de Orde een bestuurslid zou kunnen aanwijzen. Hoe de overeenkomst met de Maltezer Orde ten slotte is geworden, is niet bekend, maar de brief aan het Rode Kruis wijst er wel op, dat er in ieder geval afspraken zijn gemaakt.

In de loop van de oorlogsjaren neemt het aantal militairen dat wordt opgenomen steeds toe. Het wordt drukker en op alle mogelijke manieren wordt geprobeerd het ziekenhuis uit te breiden.

In 1917 heeft men links en rechts naast Pius huizen aangekocht en wel de huisnummers 19, 23, 25 en 27. Men besluit dan ook in datzelfde jaar, de brandverzekering te verhogen van ƒ 20.000,- naar ƒ 50.000,-. Toch had men kennelijk nog ruimtegebrek, want gedurende de twee laatste oorlogsjaren wordt de kleuterschool gesloten en de ruimte daarvan voor de verpleging gebruikt.

Ook de barak voor besmettelijke ziekten werd gedurende de hele oorlogstijd gebruikt. Behalve Nederlandse militairen, werden vooral veel Belgische militairen opgenomen. Van de laatste waren vaak ook de gezinnen in Harderwijk. Deze woonden o.a. in de Heidekamp, het kamp van de Belgische huisgezinnen. Ander kampen in de omgeving waren Leopoldsdorp en Vluchtoord in Nunspeet.

De patiënten werden opgenomen tegen een eenheidstarief. Verpleegprijs per dag ƒ 1,40, kinderen beneden zes jaar ƒ 1,-, operatie ƒ 5,-

 

Al lezende in deze vergeelde bladzijden ziet men de drama’s van die tijd zich afspelen. Drie kinderen, een broertje en twee zusjes, van 5, 6 en 7 jaar worden begin 1916 opgenomen in de barak wegens diphteritis. Gelukkig worden ze half december allemaal ontslagen. Triester is het verhaal dat valt te lezen uit een enkele regel in dit schrift: Kindje van Gorp – opn. 3 Febr. – 4 Febr. Overl. – begrafeniskosten ƒ 6,50 – lijkkistje ƒ 4,-, Operatie ƒ 5,-. Verpleging ƒ 1,-

Of een ander geval:

Anna de Patter, 13 maanden. Opn. 19 Febr. 23 Febr. Overleden. Barakverpleging. Operatie ƒ 5,-. Lijkkistje ƒ 4,-. Verpleging ƒ 7,-. Begrafenis ƒ 7,75. Gedeclareerd ƒ 23,75 – 9- 3- 17. Voldaan 12- 4- 17.

Ook echtgenoten van Belgische militairen zijn hier overleden, evenals een aantal Belgische militairen. In het laatste oorlogsjaar vinden we nog op 1 december 1918 de vermelding van een Belgische soldaat, die na op 22 november te zijn opgenomen, overlijdt.

De laatste van de lijst van opgenomen militairen draagt als volgnummer 742. Het is een Kapitein van het Nederlandse leger die op 23 maart 1919 overlijdt.

De eerste wereldoorlog was afgelopen.

Voor het Pius Ziekenhuis had het betekend, dat er in een veel sneller tempo dan anders het geval zou zijn geweest, allerlei uitbreidingen, verbeteringen, vernieuwingen werden gerealiseerd. De ontwikkeling ging zo snel, dat men reeds op  14 januari 1915 op een vergadering aan de orde stelde, dat de plaats wwar het Pius Ziekenhuis lag, nu niet direkt de meest geschikte was. Men had dan wel geen problemen met de bereikbaarheid van het ziekenhuis, maar men vond wel “ dat de ligging van het Pius Gesticht weinig geschikt is voor de bouw van een nieuw ziekenhuis op de tegenwoordige plaats.”

Als een betere plaats werd voorgesteld het Kloosterplein.

 

Zoals reeds eerder is vermeld, begon dokter Aghina in februari 1919 als chirurg in Pius te werken. Nu had dokter Aghina op 6 februari 1918 reeds een vergadering bijeen geroepen van alle artsen uit Harderwijk en omgeving.

Weliswaar waren ze niet allemaal aanwezig, maar toch werden op deze vergadering besluiten genomen.

In de eerste plaats zouden er vaste chirurgische polikliniekuren komen en wel op dinsdag- en zaterdagmiddag om 14.00 uur. Verder zouden niet acute chirurgische ingrepen op dinsdagmorgen worden gedaan. Een veel belangrijker punt was, dat er besloten werd te komen tot een vorm van ziektekostenverzekering voor min- en onvermogenden. Hiervoor zou dan maandelijks een bijdrage van 1,- moeten worden gestort. Het is aan te nemen dat deze ƒ 1,- door het Armbestuur werrd betaald.

Jammer genoeg is over deze verzekeringsvorm verder weinig te vinden.

Het getuigt echter van een diep sociaal gevoel en bovendien van een ver vooruitziende blik, dat reeds toen over zo’n ingrijpend sociaal projekt werd gesproken.

Het is misschien toch wel de moeite waard, nog even stil te staan bij het patiëntentransport. Hoe kwam in die dagen een ernstig zieke patiënt in het ziekenhuis?

pius4-005

Dat ging per raderbrancard, een fraai en nuttig instrument dat, zoals de catalogus vermeldde, voorzien was van “hooge houten wielen met ijzeren wielbanden. Ronde stalen draagstangen. Gebogen as en voorbeugel. Voorzien van draagbaar met ligzeil, kussen en kap.” Tot 1920 huurde het Pius- Gesticht voor de somma van ƒ 10,- per jaar zo’n brancard van het Rode Kruis. Op 8 mei 1920 werd voor ƒ 228,- een eigen raderbrancard aangeschaft. Het is niet bekend tot hoe lang deze brancard dienst heeft gedaan, maar ongetwijfeld zullen weinigen toen zij werd aangeschaft, hebben bevroed, dat in 1945 deze brancard opnieuw in dienst werd genomen.

In 1919, en wel op 30 mei, vond een vergadering plaats in het Gemeentehuis, waar gesproken werd over een door de Gemeente te bouwen barak voor besmettelijke ziekten aan de Broeksteeg.

Behalve de vertegenwoordigers van de Gemeente, waren daar plaatselijke bestuursleden van het Rode Kruis en een afvaardiging van het bestuur van Pius aanwezig.

In deze barak zouden patiënten worden verpleegd, die leden aan cholera, pokken, vlektyphus of pest. Men kan zich nauwelijks voorstellen dat deze ziekten zo veel voorkwamen, dat hiervoor een speciale barak, buiten de stad, moest worden gebouwd. Of er ooit in deze barak door zusters van Pius is gewerkt, is niet meer na te gaan, wel is er een schrijven gevonden, waarin aan de afdeling Harderwijk van het Rode Kruis wordt meegedeeld, dat het bestuur van Pius genegen was een tweetal Eerwaarde Zusters voor deze barak – verpleging ter beschikking te stellen.

Dat bestrijding van besmettelijke ziekten en reinheid alles met elkaar gemeen hebben is ons natuurlijk allemaal goed bekend.

Niet echter de vroede vaderen van Harderwijk in het jaar 1919.

Als de zusters verzoeken om op vrijdag de stoep te mogen schrobben, beslist de raad dat dit niet kan. En op 29 september 1919 ontvangen de zusters dan ook officieel bericht, dat op hun verzoek afwijzend is beschikt.

Liep het dus met het schoonhouden niet altijd zoals men dat wel wilde, met de verbindingen was alles tot in de puntjes geregeld.

De telefoon bestond en ook Pius had een aansluiting en wel onder nummer 29. Nu was het wel zo, dat alle aansluitingen via een juffrouw liepen. Deze juffrouw ging ’s avonds naar huis en vanaf dat moment was telefoneren onmogelijk. Wel een probleem, temeer omdat dokter Aghina in Amersfoort woonde. Maar, er werd een oplossing gevonden. Als de juffrouw haar dagtaak beëindigd had, maakte zij een doorverbinding van Pius met het station. Als er ’s avonds of ’s nachts hulp nodig was, belde men vanuit Pius nummer 4, het telefoonnummer van het station. Van daaruit seinde men over het eigen telegraafnet de boodschap door naar het station van de Nederlandse Centraal Spoorweg te Amersfoort.

Vanuit dat station was weer een verbinding met het huis van dokter Aghina en zo kon deze gealarmeerd worden, waarna hij een uur later in Pius aanwezig was. Een geniale oplossing.

Tegen het einde van de eerste wereldoorlog in maart 1918, stuurde het bestuur van het Pius – Gesticht een circulaire aan gemeentebesturen, Diaconieën, Armbesturen en Ziekenfondsen, waarin het vermeldde, dat het de eer had, de aandacht te vestigen op de inrichting van het Piusgesticht. Verder prijst het deze inrichting dan als volgt aan: “Het ziekenhuis beschikt over twee operatiekamers, eene hoogzonlicht – installatie en een barak voor besmettelijke ziekten. Tevens zijn aan de inrichting een voldoende aantal geëxamineerde en geoefende verpleegsters verbonden. Het bestuur heeft zich de medewerking van een bekwaam chirurg weten te verzekeren, zodat vervoer van patiënten naar andere provincies overbodig is.”

Kennelijk nam men het in die dagen met de ethische regels omtrent reclame niet zo heel erg nauw.

In 1919 werd er al heel wat werk verzet. In het jaarverslag 1919 – 1920 vinden wij de volgende cijfers: Op 1 januari 1919 worden verpleegd 9 mannen en 4 vrouwen, totaal dus 13 patiënten. Over het hele jaar 1919 worden opgenomen 80 mannen en 67 vrouwen, totaal 147 patiënten.

Het aantal verpleegdagen bedroeg voor mannen 2868 en voor vrouwen 2234. Dit is in totaal 5102 verpleegdagen. Een gemiddelde verpleegduur voor mannen van 36 dagen en voor vrouwen van 33 dagen.

De gemiddelde verpleegprijs was ƒ 1,78½ per dag. Totale opbrengst aan verpleegdagen dus ƒ 9107,07.

Als vergelijking is het wel aardig om te weten dat in 1982 de gemiddelde verpleegprijs ruim ƒ 300,- is.

pius5-006

    Verder waren er in 1919 nog 20 pensiongasten, waarvoor ƒ 0,72½ per dag werd betaald. Een totale jaaropbrengst van ƒ 5292,50.

Het aantal operaties dat in 1919 werd verricht was 64.

De groei zat er duidelijk in en een jaar later wordt de staf uitgebreid met twee medewerkers, te weten een dokter van der Berg uit Amersfoort en speciaal voor de poli een tandarts, Mink schol.

 

Op de bestuursvergadering van 24 februari 1920 wordt besloten om in den vervolge ook t.b.c. patiënten van buiten Harderwijk op te nemen.. We mogen hieruit dus concluderen, dat vóór die datum al een afdeling voor de behandeling van tuberculose aanwezig was.

Hiermee begint een nieuwe fase in de groei van het Piusgesticht. Deze ontwikkeling zou tenslotte leiden tot het oprichten van een sanatorium. Dit sanatorium wordt later genoemd : Zee – sanatorium Pius – Gesticht te Harderwijk.

Het was gevestigd in het Theresiapaviljoen, waarvan de nu met ramen afgesloten zijde aan de tuinkant, toen geheel open was, waardoor zgn. lighallen ontstonden.

In een boek uit de dertiger jaren, waarin alle sanatoria van Nederland worden vermeld, vinden wij een beschrijving van het sanatorium zoals het toen funktioneerde. Wij lezen er o.a. : Het sanatorium is geheel nieuw gebouwd en volgens de laatste eischen ingericht onder deskundig, medische leiding en volgens advies van den Hoofd – Inspecteur der Volksgezondheid. Opgericht in 1930 is het sanatorium gelegen aan de rand der Veluwe, zeer boschrijke omgeving, prachtige gezonde ligging.

Het sanatorium is geheel in Paviljoen – systeem opgetrokken met afzonderlijke lighallen voor mannelijke en vrouwelijke patiënten. Uitstekende afdeling voor zonnebaden.

Het sanatorium is voorzien van een röntgen – installatie volgens de nieuwste en hoogste eischen van dezen tijd. Tevens staat ter beschikking Hoogtezon- en Diathermieapparaat.”

Dat men in die tijd voor geen kleintje vervaard was, mag blijken uit de opmerking bij de opgave van de tarieven:

“ Tarief 1e klas ƒ 7,- , 2e klas ƒ 5,- , 3e klas ƒ 2,75. Vereenigingen genieten reductie.”

Tot na 1945 heeft het sanatorium bestaan en het is met name dit deel van het ziekenhuis dat in de oorlogsjaren ’40 – ’45 veel onderduikers herbergde. Maar hierover later.

pius6-007

 

In 1920 werd dus gesproken over opname van t.b.c. patiënten. In 1925 opent men een paar lighallen voor de verpleging van deze patiënten. Waarschijnlijk is het zó, dat dit zich toch allemaal op betrekkelijk kleine schaal afspeelde, want zoals in het boek over sanatoria werd vermeld, is 1930 het oprichtings jaar van het sanatorium. Op een “eerste steen” in het Theresia – paviljoen staat als datum vermeld 19 december 1929. Vermeldenswaard is nog, dat op 1 augustus 1926 het Garnizoenshospitaal om bezuinigingsredenen werd gesloten. De zieke militairen zouden in het vervolg in het Pius Ziekenhuis worden verpleegd. Hoewel dit voor Pius als een gunstige ontwikkeling kan worden gezien, was toch het feit van de bezuiniging een teken aan de wand. Langzaam gleed Nederland af naar de beruchte crisistijd van de jaren ’30.

Over deze dertiger jaren valt dan ook, voor zover het de verdere ontwikkeling van Pius betreft, weinig te vertellen. Behalve de reeds eerder genoemde uitbreiding met de hallen voor t.b.c. patiënten verandert er weinig.

We mogen aannemen dat er in die grauwe crisisperiode door iedereen in Pius goed en gewetensvol is gewerkt, maar na de spectaculaire en opwindende beginjaren, lijken de dertiger jaren toch een periode van rust te zijn geweest.

En dan breken de jaren ’40 aan.

Reeds was opnieuw een grote oorlog in europa uitgebroken. De vijanden van de eerste wereldoorlog stonden opnieuw tegenover elkaar. En opnieuw was Nederland neutraal. Maar op 10 mei 1940 kwam een einde aan deze neutraliteit. Duitse legers overvielen ons land en de eindeloze nacht begon.

Jaren van zorg, angst, verdriet, armoede en honger. In het allereerste begin was er nog niet zo veel dat veranderde. Iedereen bleef zijn werk doen en met een bijna blind gebrek aan inzicht, meende iedereen dat het wel mee zou vallen. Weliswaar waren er enkele joden die zelfmoord pleegden, maar de grote massa werd hierdoor niet beroerd. Slechts heel langzamerhand kwamen de veranderingen, waarbij iedere verandering ook een verslechtering was. Met het deporteren van joden en later ook van niet – joodse mannen, ontstond ook het verschijnsel van de onderduiker. Mensen, die zich aan deze deportatie onttrokken en daardoor als vogelvrijen moesten leven.

Ze kregen geen bonnen en daar praktisch alles op de bon was, konden zij niets kopen. Vootdurend werden er door de Duitsers controles uitgevoerd, zowel op straat, als ook in gebouwen en huizen.

Iedereen die zich niet voldoende kon legitimeren werd gearresteerd. Door verzetsbewegingen werd al het mogelijke gedaan om deze onderduikers te helpen. Ze moesten gekleed en gevoed worden en er moest onderdak voor ze gevonden worden. Dat was nog niet zo eenvoudig, want als de Duitsers bij iemand een onderduiker vonden, zagen ze er niet tegen op meteen zo’n hele gastfamilie te arresteren en het huis in brand te steken.

Wat zich in de loop der oorlogsjaren allemaal in Pius heeft afgespeeld, zal wel nooit helemaal bekend worden. De oorzaak hiervoor is o.a. te vinden in het feit, dat de zusters, die al die jaren met gevaar voor eigen leven, joden, onderduikers en verzetslieden hebben geholpen, niet willen dat hierover ophef wordt gemaakt.. Zij vinden dat zij niet meer dan hun Christenplicht hebben gedaan. En wat hebben zij al niet meer gedaan. Zelfs wanneer we dus rekening houden met het feit, dat veel hulp anoniem gegeven en ontvangen is, dan nog zijn er zoveel verhalen, dat hiermee alleen al een boek zou kunnen worden gevuld.

Zeker is in ieder geval, dat na de oorlog door de burgers van Harderwijk aan het Pius Ziekenhuis een oorkonde werd geschonken, waarin de dankbaarheid voor al datgene wat de zusters hadden gedaan, werd verwoord, terwijl er tevens een som gelds beschikbaar werd gesteld, waarvoor een glas –in – lood raam zou kunnen worden aangeschaft voor het nieuw te bouwen ziekenhuis! Dit raam zou het menslievende werk in het Pius Ziekenhuis gedurende de oorlog in beeld brengen.

Daar de bouw van het toen dus reeds geplande ziekenhuis wel erg lang op zich liet wachten, werd het geld gebruikt voor een prachtig mozaïek, voorstellende de barmhartige Samaritaan, dat geplaatst werd in de hal aan de achterzijde van het ziekenhuis. De onthulling van dit mozaïek werd verricht door mevrouw Meynen, de echtgenote van de huisarts Meynen, en wel op 12 september 1959, dezelfde dag dat ook de nieuwe vleugel aan de Rabbistraat werd geopend. Mevrouw Meynen zei in haar toespraak o.a. : “ Het is mij een genoegen uit naam van de inwoners van Harderwijk 1940 – 1945 dit tableau te onthullen. Aan U, moeder Ligorio, werd voor al Uw liefdewerk gedurende de oorlog een som geld aangeboden voor een glas – in – lood raam, om blijvend te getuigen van alle opofferingen, die U en Uw medewerkers gedurende de oorlog zich getroostten. Niemand klopte tevergeefs bij U aan. Hoewel vluchtelingen heeft U niet geholpen. Steeds stond U gereed alles te doen wat in Uw vermogen was om te helpen.”

Tot slot van haar toespraak zei mevrouw Meynen nog: “ Tot in lengte van dagen kan iedereen zien, dat het werk van de Barmhartige Samaritaan in dit ziekenhuis wordt voortgezet.”

Toch moeten we nog een paar verhalen uit die oorlogstijd aan de vergetelheid ontrukken.

Natuurlijk was men in Pius, evenals overal elders, niet ingesteld op het oorlogleven. Toen dan ook op een zondagmorgen in het begin van de oorlog de Duitsers huiszoeking kwamen doen, vonden ze al gauw een joodse patiënt, die zich onder valse naam had laten inschrijven. De man werd helaas gearresteerd en weggevoerd.

De komst van de Duitsers veroorzaakte zoveel paniek, dat verscheidene patiënten in hun nachtkleding op de vlucht sloegen. Toen alles weer rustig was geworden, begreep men dat er maatregelen moesten worden genomen om beter voorbereid te zijn. Dat is toen ook gebeurd en zoals uit latere gebeurtenissen is gebleken, niet zonder succes. Toch heeft men nog tot 1944 redelijk kunnen werken. Natuurlijk was het niet zo eenvoudig om voor iedereen eten op tafel te brengen, maar met veel improviseren ging dat nog wel.

DE eerste echte oorlogshandeling bij, of in ieder geval boven, Harderwijk vonden plaats in april 1944. Tijdens een luchtgevecht boven zee, kwamen twee kogels in Pius terecht. Eén heel prozaïsch in een bloempot, terwijl de tweede een paar ramen en hekwerk vernielde. In de stad werd nog iemand aan zijn been getroffen en even later voor behandeling in Pius gebracht.

Dit luchtgevecht leidde een periode van beschietingen en bombardementen in, veelal gericht op de spoorweg. Regelmatig werden er doden en gewonden naar Pius gebracht. Het werken werd steeds moeilijker, omdat er inmiddels ook geen stroom meer was. Alles moest met de hand gebeuren. Dat betekende bijvoorbeeld dat er dagelijks een flinke portie aardappelen moest worden geschild. Menige onderduiker herinnert zich de enorme hoeveelheid aardappelen die hij tijdens zijn onderduikperiode in Pius heeft geschild. Grotere problemen waren er natuurlijk bij het behandelen van de patiënten. Stel u een operatiekamer voor zonder elektriciteit, waar patiënten met schotwonden, verwondingen door bomscherven, brandwonden enz. moesten worden behandeld.

foto-8 Juist voor dit soort chirurgische ingrepen was een van te voren plannen niet mogelijk en vaak moesten deze behandelingen dan ook ’s avonds en ’s nachts gebeuren.

Het verplegend personeel is hierbij ook geholpen door leden van de Rode Kruiscolonne. Terwijl arts en verpleegkundigen werkten, hielden zij lantaarns omhoog en zo werden dan vaak levensreddende behandelingen verricht.

In januari 1945 zijn er nog op kosten van het ziekenhuis een paar elektriciteitskabels gelegd en kon er weliswaar mondjesmaat, toch nog weer elektriciteit betrokken worden.

Helaas was deze vreugde van korte duur, want vrij spoedig daarna werden bij een bombardement de kabels vernield. Herstel was niet meer mogelijk en vanaf toen is, tot na de oorlog, alles met handkracht gedaan.

Zoals reeds is gezegd, waren er in Pius al verscheidene onderduikers. Ze werden meestal onder een valse naam, als patiënt ingeschreven.

Misschien nog wel belangrijker was echter, dat ze onder een valse diagnose te boek stonden. De Duitsers hadden n.l. een enorme angst voor besmettelijke ziekten.

In die tijd was het Theresiapaviljoen nog als sanatorium in gebruik. Als de Duitsers kwamen voor een controle, kwamen ze nooit verder dan de drempel van het Theresiapaviljoen. De angst voor tuberculose hield ze buiten de deur. Het is duidelijk dat nu juist in dat Theresiapaviljoen de onderduikers zich ophielden. Toch was het ook wel eens een dubbeltje op zijn kant. Dat bewijst de volgende geschiedenis.

Op 14 januari 1945 deden de Duitsers een inval bij een familie in Hierden, waar zich pius7-009naar de Duitsers vermoedden, de heer Rein Mooy, een verzetsstrijder, verborgen hield. Inderdaad werd hij daar ontdekt en bij zijn vluchtpoging werd op hem geschoten. Door twee kogels getroffen, één in een been en een andere in de heup, zakte de heer Mooy in elkaar en werd door de Duitsers gevangen genomen. In eerste instantie werd hij naar Westerholt gebracht, nu nog steeds gelegen op de hoek van de Vitringasingel en de Stationslaan, naast de Friese gracht. Dit huize Westerholt, dat toen nog eigendom was van het R.K. Kerkbestuur, was door de Duitsers gevorderd en ingericht als Krankenrivier, een militair ziekenhuisje dus.

Na een paar dagen voelde Rein zich wat sterker, maar hij begreep wel dat hij onmiddellijk naar een gevangenis zou worden gebracht als de Duitsers merkten, dat hij beter werd. Dus simuleerde hij op zo’n overtuigende wijze de zwaar zieke patiënt, dat zelfs zijn bewaking wat minder streng werd. Eerst had men hem n.l. zelfs aan zijn bed geboeid. In de nacht van 16 op 17 januari zag hij zijn kans schoon. Op blote voeten en slechts gekleed in een pyama wist hij via een kelderraam en over de bevroren gracht te ontsnappen. Hij heeft toen op diverse plaatsen getracht onderdak te krijgen, maar dat is hem niet gelukt. Door het geforceerde bewegen gingen zijn wonden weer bloeden en zo strompelde de ongelukkige Rein Mooy door het nachtelijke Harderwijk, een rood bloedspoor achterlatend op de versgevallen sneeuw.

Uiteindelijk kwam hij ’s nachts om 2 uur bij Pius aan, waar hij vriendelijk werd ontvangen. Zijn wonden werden zo goed mogelijk verzorgd en daarna werd er een goed plaatsje voor hem ingericht in één van de kelders. Want de zusters begrepen wel, dat zijn vlucht niet onontdekt zou blijven. Nu dat was dan ook zo en de Duitsers werden door het bloedspoor rechtstreeks naar Pius geleid.

Om negen uur ’s morgens drong de Grüne Polizei naar binnen om huiszoeking te doen. Onder verschrikkelijke spanning is er toen een luguber spel gespeeld. De gewonde, die de nacht ergens in Pius in een kelder had doorgebracht, werd door zusters via gangetjes door het ziekenhuis gevoerd en tenslotte verstopt in het deel van het huis dat al door de Duitsers was doorzocht. De Grüne Polizei wist zeker dat de gezochte man in Pius was, maar ze konden hem niet vinden. Dat maakte ze razend en tenslotte dreigden ze dat ze moeder – overste dood zouden schieten als hun gevangene niet tevoorschijn kwam. Zuster Ligorio zoals de moeder – overste heette, bleef volmaakt rustig en liet zich niet intimideren. De man kwam niet tevoorschijn.

Tenslotte dropen de Duitsers af. Maar iedereen begreep wel, dat daarmee de zaak niet voorbij was. En inderdaad, in de middag kwam een stel S.D.-ers nog eens alles nasnuffelen. Opnieuw lukte het de heer Mooy voor hen verborgen te houden. Toen ze vertrokken waren, bleek dat de S.D.-ers uit de kelder een fles miswijn hadden meegepikt.

Iedereen haalde opgelucht adem, maar de Duitsers gaven het niet zo gauw op. ’s Avonds om half elf stond er opeens weer een stel Duitsers in huis en opnieuw werd alles nagezocht en opnieuw lukte het de zusters hun patiënt verborgen te houden.

Toen dit derde stel vertrokken was, begreep men wel dat het toch een gevaarlijke zaak was om Rein Mooy in Pius te houden. Met de ondergrondse was inmiddels overleg gepleegd en zo werd de heer Mooy in het stikkedonker, gearmd tussen zuster Ligorio en zuster Michaela naar bakker Poelgeest gebracht. De volgende dag is hij overgebracht naar een gezin aan de Kampweg. Van daaruit is hij later naar een definitief onderduikadres in Leuvenum gegaan.

De heer Mooy heeft de oorlog overleefd en is later naar Australië geëmigreerd.

De Duitsers zijn trouwens niet meer in Pius teruggekomen om naar hem te zoeken. Misschien waren ze toch wel bang dat ze zich te belachelijk maakten. Maar dat het Piusgesticht bij de Duitsers een slechte naam had, is wel te begrijpen.

 

Ook is het de zusters gelukt om een paar joodse meisjes voor gevangenneming, deportatie en gaskamer te redden. Het oudste van de twee moet omstreeks 1940 ergens in de buurt van Pius zijn geboren. Hoe ze precies in Pius terecht is gekomen is niet meer na te gaan en ook haar naam is ons niet bekend. Wel weten wij, dat zij na de oorlog naar Israël is geëmigreerd.

Van het tweede meisje is iets meer bekend. Zij is als één van een tweeling op 11 april 1943 in een ziekenhuis in Amersfoort geboren. Het waren kinderen van een familie Polak, een jongetje en een meisje. Het jongetje werd Manfred genoemd en het meisje Cornelia. Omdat iedereen wel wist dat de kinderen geen schijn van kans hadden als de Duitsers er achter kwamen, werden ze nog dezelfde dag naar andere plaatsen gebracht. Van het jongetje weten we niets meer, maar het meisje werd naar Pius gebracht. Hier werd ze als Cornelia van der Brink in het trouwboekje van Maas van der Brink, de latere rijschoolhouder, bijgeschreven. Ze bleef echter in Pius, zogenaamd omdat ze aan een zeldzame bloedziekte leed. Gedurende de rest van de oorlog zorgden de zusters er voor dat de haren van de twee meisjes steeds werden geblondeerd.

 

De man die met een nooit aflatend enthousiasme en een niet te remmen energie achter dit alles stond was pastoor Hoogstraten. Altijd stond hij klaar om te helpen, om oplossingen te zoeken, om de zwakken bij te staan, de zieken moed in te spreken, kortom een waarachtig priester.

Gedurende de hongerwinter 1944-’45 werd de toestand in het westen van ons land onhoudbaar. Er was geen eten meer en wanhopige mensen trokken naar de noordelijke en oostelijke provincies om eten te vinden en zo mogelijk iets mee terug te nemen voor familieleden die niet in staat waren om de reis te ondernemen.

Zwaar ondervoed, slecht gekleed, liepen deze mensen met soms een oude kinderwagen of een zelfgemaakt karretje vanuit Noord- en zuid – Holland op zoek naar voedsel, langs Harderwijk. Er is veel voor deze “trekkers” zoals ze werden genoemd, gedaan. En bijna vanzelfsprekend, droeg ook het Pius Ziekenhuis zijn steentje bij. Dat was natuurlijk geen eenvoudige zaak, want ook hier was het niet zo, dat er maar in ruime mate over voedsel beschikt kon worden.

Eind januari 1945 was het tenslotte zó, dat de zusters ook geen raad meer wisten. Moeder – overste wist toen een vrachtauto te krijgen. Hoe ze dat voor elkaar heeft gekregen, zal wel altijd een raadsel blijven, maar goed, het ding was er. Benzine was er natuurlijk niet, maar met behulp van een soort buitenmodel kachel, gemonteerd aan de zijkant van de auto, werd uit hout gas geproduceerd en zo vertrok de auto richting Twente, waar bij kennissen geprobeerd zou worden eten te bemachtigen. Daar de auto echter bij de IJssel werd tegengehouden, werd er op goed geluk koers in Noordelijke richting gezet.

De achtergebleven zusters konden niets anders doen dan bidden voor auto en bemanning. Na een week keerde de vrachtauto geladen met 2400 pond tarwevlokken terug. Een vurig dankgebed werd door de zusters uitgesproken voor deze uitkomst.

 

Het gebeurde nog wel eens dat wanneer de trekkers ’s morgens vertrokken waren, het een en ander spoorloos verdwenen was, maar ook het omgekeerde kwam voor.

Zo kwam een keer een moeder met haar zoontje. Nadat de moeder verder was getrokken, ontdekten de zusters dat zij haar zoontje had achtergelaten. Dit geeft wel een zeer schrijnend beeld van de wanhoop waarin de mensen in die tijd verkeerden.

Minstens zo triest is het geval van de moeder die na aankomst met haar één jarig zoontje in Pius overleed. Ook dit kind werd gedurende de rest van de oorlog liefderijk verzorgd. Vaak waren er zoveel trekkers, dat er in het ziekenhuis geen plaats meer was. Daarom had men een afspraak met de familie Visser van het tegenover Pius liggende café. Daar had men in een zaal een laag stro neergelegd en zo konden de mensen de nacht droog en warm doorbrengen. Voor zover mogelijk kregen ze daar ook brood en soep.

 

In die laatste maanden van de oorlog is door iedereen praktisch het onmogelijke gedaan. Tenslotte was er eigenlijk niets meer. Een gedachte, die vooral voor wie dit niet heeft meegemaakt, nauwelijks te vatten is.

Geen elektriciteit, geen verwarming, geen verband, geen pleisters, geen gips, geen desinfecterende middelen, geen medicijnen en zo kunnen we wel doorgaan.

Stel u voor dat U nu door het ziekenhuis loopt. U loopt naar een verbandkamer en u ontdekt dat deze leeg is. U loopt naar een magazijn en ook dat magazijn is leeg. U loopt naar een  O.K., loopt naar een keuken, loopt naar een laboratorium en alles is leeg. En ga dan aan het werk en ga patiënten verplegen, wonden behandelen, operaties verrichten. Als je dan tenminste een patiënt in het ziekenhuis kunt krijgen, want een ambulance is er niet. En dus werd in die laatste maanden van de oorlog de raderbrancard van de Mooy weer van stal gehaald en voor het vervoer gebruikt.

De enige chirurg die hier nog in de buurt was, dokter Binnendijk, werkte in Salem. Hij wilde niet naar Harderwijk komen, omdat hij het gevaar te groot vond. Terecht was hij van mening dat wanneer de enige chirurg die er nog was, onderweg van Salem naar Pius zou worden neergeschoten, dit een grotere ramp was, dan wanneer een patiënt zou worden beschoten. En dus werden Patiënten die geopereerd moesten worden naar Salem gebracht.

Dit gebeurde met een bakfiets, waarop in dwarse richting een paar planken waren gespijkerd. Zo kon men twee brancards naast elkaar op die fiets vastbinden. Voor de nodige spierkracht om de zieken in Ermelo te krijgen, zorgden vrijwilligers van het Rode Kruis. Gelukkig is er tijdens het vervoer van Pius naar Salem en omgekeerd nooit iets gebeurd.

Langzaam, veel te langzaam, naderde het einde van de oorlog. Eind april 1945 waren de Duitsers al uit onze omgeving verdwenen. Op 21 april kwam er een groep van 21 jonge mannen in Pius. Ze werden, zoals het zo mooi is genoteerd, “behoorlijk gereinigd”.

 

Een paar weken later was de oorlog geëindigd en kon begonnen worden met de opbouw. Veel van de onderduikers waren al gedurende die laatste weken vertrokken en we kunnen rustig aannemen, dat moeder – overste en de zusters een zucht van opluchting hebben geslaakt, toen ze eindelijk weer eens zonder voortdurende angst in Pius konden werken.

Veel blijken van dank en waardering werden die eerste tijd gegeven, maar voor de zusters was het veel belangrijker te weten dat zij in waarachtige liefde tot God en hun medemens, zoveel leed hadden kunnen voorkomen of verzachten.

Zoals reeds gezegd, de onderduikers vertrokken, de laatste gewonden werden genezen ontslagen en het leven hernam zijn alledaagse gang.

In de eerste plaats natuurlijk een periode van opbouw.

Midden in de oorlog en wel op 13 januari 1943 had er trouwens nog een belangrijke gebeurtenis plaatsgevonden. Toen werd n.l. het Piusgesticht door het kerkbestuur van St. Catharina verkocht aan de congregatie van de zusters van St. Jozef te Amersfoort. Behalve de overdracht van het Piusgesticht, werden er toen ook nog een aantal andere zaken vastgelegd.

Zo werd de tuin, die bij Westerholt hoorde, gedurende de tijd dat de congregatie Westerholt niet kon kopen ( waarschijnlijk omdat het door de Duitsers gevorderd was), gehuurd voor de som van ƒ 600,- per jaar. Het was een enorme tuin, die het hele gebied besloeg waar nu de Vitringasingel is. Vanaf de gracht tot de Doelenstraat en vanaf de Stationslaan tot de Luttekepoortstraat.

Het was een weelde van vruchtbomen, groenten en aardappelen en practies alles wat het ziekenhuis aan dat soort zaken nodig had, kwam uit die tuin.

pius-10

    Overigens werd bij datzelfde eerder genoemde koopcontract toch ook bepaald, dat de tuinman de kachels van de kerk moest stoken.

Ook de zusters werden niet vergeten. Zij moesten het kerkgoed heel houden en voor de was van de kerk zorgen. Ook moesten de zusters zo mogelijk de bewaarschool aanhouden. Hier zien we dus nog weer even de oorspronkelijke bewaarschool noemen en het is dan ook pas in 1952, dat Pius de bewaarschool sluit en zich dus uitsluitend tot de verpleging en verzorging beperkt.

De verzorging van de pensionnaires blijft dan n.l. nog wel enige tijd doorgaan. In 1953pius-11-001 werden de pensionkamers op de begane grond gesloten en in 1956 begon men met de afstoting van het pensiongedeelte op de eerste verdieping.

Als het ziekenhuis van de congregatie van de zusters van de H.Jozef begon dus na de oorlog aan zijn opbouw.

Vol ijver en enthousiasme werd in die jaren gewerkt om een goed ziekenhuis te krijgen en te houden. Daar er na de oorlogsellende bijna niets meer was, moest men dus helemaal van de grond af alles weer opbouwen.

Het Piusgesticht bestond in die tijd uit het gedeelte aan de Bruggestraat, een aantal naast elkaar gelegen huisjes en huizen die met elkaar verbonden waren doordat men gedeelten van de tussenmuren had weggesloopt, kamers, keukentjes, gangetjes en ook wel buitendeuren waren nog gemakkelijk terug te vinden. Verder was er het Theresiapaviljoen, dat nog steeds als sanatorium dienst deed en in de tuin een verpleegbarak en een ontsmettingskamer.

Langs de Rabbistraat stonden een rij kleine huisjes, gedeeltelijk nog bewoond, gedeeltelijk door Pius in gebruik als wasserij, opslagplaats, barak en pension.

Daar bevond zich ook het huisje van de familie Smidje, in wiens kelder in de oorlog de onderduikers werden verstopt als er weer eens een huiszoeking in Pius was. Het geheel was verbonden met gangetjes en trapjes, poorten en steegjes. Men probeerde wat je noemt er iets van te maken en dat leidde wel eens tot komische situaties. Zo lag de röntgenafdeling achter de keuken. Dit betekende, dat alle patiënten, waarvan een foto moest worden gemaakt, dwars door de keuken naar de röntgenafdeling moesten.

pius-12

    Nu werden er in die dagen weliswaar niet zo veel foto’s gemaakt als tegenwoordig, maar als iemand bijvoorbeeld met een gebroken been Pius werd binnengebracht, dan werd hij met de brancard langs de potten en pannen gereden om een foto te laten maken. Het voordeel was natuurlijk dat de patiënt dan meteen wist wat de pot schafte en omgekeerd werd het personeel van de keuken wel heel direct bij het ziekenhuisgebeuren betrokken.

Deze situatie heeft geduurd tot 1953. Toen werd een röntgenkamer ingericht ongeveer op dezelfde plaats waar ze nu ook nog is.

Deze afdeling was toen nog wel veel kleiner. In hetzelfde deel dat nu röntgenafdeling is, bevonden zich toen ook nog een poliklinische O.K., een deel van de kinderafdeling, een kamer voor de pastoor en een ruimte voor ukg – bestralingen.

Toen de röntgenafdeling eenmaal verplaatst was, kon ook de keuken uitgebreid worden. Tot 1953 had deze n.l. nog geen kwart van de grootte die ze nu heeft. Eind 1953 werd de nieuwe keuken in gebruik genomen. Een hele verbetering.

pius13

    Maar, zo zou men zich af kunnen vragen, waar is nu het plan van het nieuwe ziekenhuis op het terrein van Westerholt gebleven? Inderdaad. Waarom dit plan in de ijskast is gegaan is niet meer na te gaan. Het blijkt gewoon, dat in de jaren na de oorlog de activiteiten met betrekking tot de bouw van een nieuw ziekenhuis in een totaal andere richting gingen.

Westerholt bleef bewoond door een aantal oude religieuzen en een paar pensiongasten en de tuin bleef de voorraadschuur voor het Pius Ziekenhuis. Dit bleef zo, totdat voor de aanlag van de Vitringasingel de tuin werd verkocht, evenals de houtzagerij van Arendsen, die aan de kant van de Luttekepoortstraat aan de tuin grensde.

Toch verdween het plan om een nieuw ziekenhuis te bouwen niet. Alleen zocht men het in een andere richting.

Men ging steeds meer denken aan een totale vernieuwing van het bestaande ziekenhuis. Wel is er omstreeks 1965 nog sprake van het bouwen van een ziekenhuis in de Stadsweiden, ongeveer op dezelfde plaats waar nu het ziekenhuis “St. Jans – dal”zal worden gebouwd. Zelfs zijn er opmetingen in de Stadsweiden gedaan, maar dit plan is al spoedig weer verlaten en er werd serieus verder gewerkt aan de vernieuwing van Pius. Want er was inmiddels al het een en ander gebeurd.

In 1955 werd het sanatorium opgeheven en het Theresiapaviljoen werd ingericht voor de gewone ziekenverpleging. Op 12 september 1959 werd een nieuwe vleugel, gelegen langs de Rabbistraat in gebruik genomen.

pius-14

    Daarvoor was men in 1956 begonnen met de afbraak van de huisjes aan de Rabbistraat. Alleen het laatste huisje, op de hoek van de Rabbistraat en de Bruggestraat bleef staan. Hierin was een groentewinkel gevestigd en de eigenaar wilde het huis niet verkopen. De oorspronkelijke opzet, n.l. het bouwen van een vleugel tot aan de Bruggestraat kon dus niet doorgaan. 10 jaar later, toen inmiddels de oorspronkelijke eigenaar van het huis was overleden, sloot diens zoon de zaak en bood het huis te koop aan. Het was toen echter te laat om dat stuk nog bij de nieuwe vleugel te trekken en na afbraak van het pand ontstond een open plek naast het laboratorium, waar zomers de vakantiegangers op één van de geplaatste banken wat zitten uit te rusten en waar het hele jaar door velen hun fiets neerzetten.

Bij de opening van de nieuwe vleugel werd ook het mozaïek in de achterhal onthuld. Reeds eerder hebt U over deze onthulling door mevrouw meynen gelezen. De vleugel zelf werd geopend door burgemeester Numan, dezelfde burgemeester die er voor zorgde, dat na de oorlog een koninklijke onderscheiding werd uitgereikt aan zuster Ligorio, als dank voor al hetgeen de zusters van Pius in de oorlog hadden gedaan. In de rede, die de heer Numan bij de opening hield zij hij onder meer: “Het is mij een behoefte te gewagen van de goede naam, welke het Piusgesticht ten alle tijden in wijde omtrek heeft gehad en van grote sympathie, welke het ook door de andersdenkenden onder de bevolking wordt toegedragen. Zowel de toegewijde bekwaamheid van de specialisten, artsen en verdere medewerkers, als de verrichtte verplegingsarbeid van de zusters heeft tot de vestiging van de voortreffelijke naam en de populariteit, waarin het Piusgesticht zich allerwege mag verheugen, bijgedragen. Ik reken het mij als burgemeester tot een eer, dat het Pius – Gesticht tot de in mijn gemeente gevestigde instellingen behoort. Bovendien is het voor mij een grote voldoening de officiële opening van de nieuwe vleugel te mogen verrichten in de eerste plaats vanwege de grotere service, die wederom aan de mensen in Harderwijk en omgeving wordt geboden, in de tweede plaats omdat deze uitbreiding wederom past in het gemeentebeleid ten opzichte van de IJsselmeerpolders.”

Zoals bij een opening gebruikelijk is, waren er nog vele sprekers, die alle zeer lovende woorden spraken. De toenmalige chirurg, dr. Rijsbosch, noemde vooral de prachtige operatiekamers, die uitgerust waren met de modernste narcose – apparatuur. Alle streekbladen gaven enthousiaste verslagen over deze feestelijke gebeurtenis en roemden de fraaie en doelmatige uitbreiding. Zo beëindigde één der kranten het artikel als volgt: “ Door deze uitbreiding heeft het Pius – ziekenhuis haar beddencapaciteit kunnen verhogen en de operatie – apparatuur is zo modern, dat deze als uniek voor Nederland kan worden betiteld.”

In de nieuwe vleugel was oorspronkelijk de bovenste verdieping ingericht als zusterhuis.pius-15 Veel meer dan tegenwoordig waren er toen nog in de ziekenhuizen inwonende verpleegsters, vooral ook bij de leerlingen en de bovenste verdieping is dan ook in eerste instantie voor hen ontworpen.

Kamer 47, was de recreatiezaal, terwijl er ook een kleine keuken was, waar de zusters eventueel iets konden bereiden. De interne afdeling bevond zich op de eerste verdieping, waardoor de eerste verdieping van het Theresiapaviljoen, de kamers 61 t/m 65 dus, dienst konden doen als kraamafdeling. De inrichting van de begane grond en het souterrain is nu nog dezelfde als destijds.

Het plan om op het terrein van Westerholt een nieuw ziekenhuis te bouwen is dan wel definitief van de baan, en in datzelfde jaar 1959 wordt Westerholt verkocht aan de stichting voor opleiding tot gezinsverzorgsters.

pius-16  Het gaat goed met Pius. Hoewel het altijd een wat vreemde zaak is, dat het met een ziekenhuis pas goed gaat als er veel zieke mensen zijn, moeten we stellen, dat dit nu eenmaal een feit is dat gebonden is aan het bestaan van een ziekenhuis. En als we nu dus stellen dat het aan het begin van de zestiger jaren goed gaat met Pius, houdt dat niet in, dat de mensen die in Pius werkten en werken niet doordrongen zouden zijn van het vele menselijke leed dat ook in de jaren in Pius is ondergaan. Aan de andere kant is daar toch ook weer de dankbaarheid dat zoveel leed verzacht mocht worden en dat zoveel patiënten dankbaar voor hun genezing weer naar huis mochten keren.

Hoe het ook zij, we kunnen vaststellen, dat in die jaren Pius hard groeide. Alle bedden waren bezet en vaak werd er heel wat improvisatietalent van de zusters geëist om nog een plaatsje voor een patiënt te vinden, terwijl eigenlijk alles vol was.

Het was Pius in zijn bloeiperiode die een tiental jaren later zou veranderen in een langzame, maar steeds sneller verlopende achteruitgang.

Maar dat kon toen niemand vermoeden. Iedereen werkte hard en men was vol plannen voor de toekomst. Een toekomst overigens, die op allerlei terreinen veranderingen zou brengen. Ook de congregatie van St. Jozef die nog steeds Pius beheerde ontkwam hier niet aan. Het grootste aantal religieuze zusters dat in Pius heeft gewerkt, was 32. Deze zusters hadden uit de aard der zaak, hun kloosterregels. Vooral in onze ogen waren die regels behoorlijk streng. Het was dan ook weinig minder dan een revolutionaire verandering toen de zusters in 1961 ’s zondags één uur vrij kregen. Dat wil zeggen, ze mochten ’s zondags gedurende één uur zelf beslissen wat ze wel of niet wilden doen. Drie jaar later, in 1964 dus, was er opnieuw een ingrijpende verandering. Tot dat moment waren de zusters gekleed in een tot de grond reikend, zwart gewaad en het hoofd was bedekt met een kap en zwarte sluier, die alleen het gezicht vrij liet. Op 15 augustus 1964 werd dit ingrijpend gewijzigd. De zusters kregen een grijze japon tot even over de kuit, terwijl ze op het hoofd een sluier droegen, die aan de voorzijde een flink stuk haar vrijliet. Een hele consternatie voor deze zusters, die op dat moment nooit iets hadden gedaan aan haarverzorging. Onder de kap was het kort geknipt en het was natuurlijk niet alleen onnodig, maar ook onmogelijk om enig model aan het haar te geven. Een enorme omschakeling dus, vooral voor de oudere zusters.

 

Naast deze uiterlijke veranderingen van de zusters van St. Jozef, was er nog een andere verandering die er toe leidde dat er steeds minder religieuze zusters in Pius bleven werken.

In de loop van een aantal jaren verdwenen er steeds meer zusters en nu, in 1982, werkt er nog slechts één zuster in Pius en wel zuster Henrica, die de scepter zwaait in de Hobbykajuit, een ruimte die overigens vroeger als kapel dienst deed.

Dat zoveel zusters Pius verlieten vindt zijn oorzaak gedeeltelijk in de taak van de congregatie. Deze organisatie van de H. Jozef heeft vooral missiewerk als taak, speciaal het onderwijs, de bejaardenverzorging en verpleging. Toen het aantal roepingen, ook bij de religieuze zusters terugliep, werd het voor deze congregatie bijna onmogelijk om naast missiewerk ook nog zoveel zusters aan de verpleging in Nederland af te staan. Dit temeer omdat er ook in Nederland nog veel taken waren, waar, naar de mening van het bestuur van de congregatie, het werk van de zusters belangrijker was dan in de goed georganiseerde ziekenhuizen, waar men ook vrij gemakkelijk lekezusters kon krijgen.

Daarnaast waren er in die tijd de vele maatschappelijke veranderingen die zich vaak in ijltempo voltrokken. Eén van de gevolgen hiervan was, dat het accent van het leiden van een ziekenhuis meer en meer op het management kwam te liggen. De zusters hadden duidelijk het gevoel dat ze niet voldoende tegen deze taak waren opgewassen. Al deze factoren bijeen, leidden er tenslotte toe dat de congregatie in 1968 het Pius Ziekenhuis aan een Stichting overdroeg.

En dan zien we dat in het bestuur van deze Stichting, de heer J.L. Stuber zitting heeft. Deze meneer Stuber in een familielid van de heer Hulsink, die een belangrijke rol heeft gepeeld bij het tot stand komen van het Pius – Gesticht. Een toch wel opmerkelijke samenloop van omstandigheden.

pius17

    De zestiger jaren waren dus voor de “ nonnetjes van Pius” wel zeer ingrijpende jaren, die vele veranderingen brachten. Maar ook op ander gebied gebeurde er heel wat in het ziekenhuis.

In de eerste plaats werd in de jaren 1963 en 1965 het pensiongedeelte opgeheven. De 23 bewoners vertrokken naar andere plaatsen. Dat was lang niet altijd een prettige zaak. Oude tot zeer oude mensen, die gedacht hadden tot aan hun dood in Pius te kunnen blijven, moesten naar andere huizen, veelal ook naar andere plaatsen vertrekken. Vooral voor ouderen is dit een verstoring van hun levensritme, die zij niet makkelijk kunnen verwerken. Als laatste pensiongaste is mej. Evers, de bewoonster van kamer P4, gebleven.

Zij is inderdaad tot haar overlijden in 1972, in Pius blijven wonen.

Tegenover Pius stond, op de hoek van de Bruggestraat en de Schoolstraat, een groot oud herenhuis. U zult het niet meer vinden, want het huis is verdwenen, het is een open plek, waar nu ’s zomers de tafeltjes en stoeltjes van een Italiaanse ijssalon staan. Maar destijds stond daar dus een huis en dat huis was eigendom van de Congregatie. De bedoeling was om daar een zusterhuis te bouwen. Voorlopig woonde er alleen een röntgenlaborante, juffrouw van der Vlis en haar moeder, terwijl ook nog gedurende een aantal jaren één van de kamers dienst heeft gedaan als fietsenstalling. Achter dit huis lag een grote schuur, die in 1964 werd gekocht. Helaas werd door Monumentenzorg, die huis en schuur op haar lijst had staan, geen toestemming tot afbraak gegeven. Een afbraak die echt wel nodig was, want het huis was zo bouwvallig, dat het tenslotte voor instorten moest worden behoed door de zijgevel met een groot aantal zware balken te stutten.

Juffrouw van der Vlis had inmiddels het pand verlaten en het huis werd steeds bouwvalliger. Tenslotte is het huis dan maar verkocht aan de eigenaar van het daarnaast liggende café. Rond 1970 werd de schuur aan de gemeente verkocht, die hem weer aan de café – eigenaar verkocht. Deze kreeg wel toestemming voor de sloop.

Die voorgenomen bouw van een zusterhuis had alles te maken met de plannen die men in die tijd had.

Plannen voor ten eerste de bouw van een nieuw ziekenhuis en ten tweede het starten van een opleiding voor verpleegkundigen.

Begin 1961 was reeds een verzoek naar het Ministerie gegaan om met zo’n opleiding te mogen beginnen.

Dit verzoek werd echter afgewezen.

In het afwijzend schrijven van de Geneeskundige Inspecteur van de Volksgezondheid wordt ook aangegeven, waarom de toestemming niet werd verleend. Hiervoor werden 3 punten aangegeven.

  1. Een ziekenhuis, waaraan een school is verbonden, behoort te beschikken over een full – time team van directeur, directrice en administrateur.
  2. Er dienen leslokalen te zijn.
  3. De bedden, vooral van de kinderafdeling, voldoen niet aan de gestelde eisen.

Dit waren heel duidelijke eisen en bestuur en direktie begonnen, mede op grond hiervan, serieuze plannen te maken voor de bouw van een heel nieuw ziekenhuis op de plaats waar het oude Pius lag. Rond 1965 hadden deze plannen reeds zover gestalte gekregen, dat er een maquette van het nieuw te bouwen ziekenhuis werd gemaakt.

Tegelijkertijd zond men een opnieuw een verzoek aan het Ministerie om een opleiding te mogen beginnen.

De geneeskundige Inspectie oordeelde dat Pius nu wel aan de eisen voldeed en op 1 november 1965 startte de eerste groep leerlingen.

Vanaf de beginne heeft er voor zover het deze opleiding betreft een hechte samenwerking bestaan met Boerhaave en Salem, een samenwerking die tenslotte is uitgemond in de oprichting van de school voor verpleegkundigen, de Hoogstede.

Hoe zou nu dat nieuwe ziekenhuis er uit gaan zien? Welnu, er zou eerst een vleugel pius18gebouwd worden aan de zijde van de tuin van dokter Maaskant. Daarvoor moest een klein stukje van de chirurgische afdeling worden afgebroken, n.l. dat deel waarin de kamers 11, 12 en 13 waren. Omdat men die ruimte niet kon missen, werd zo lang in de tuin een semi – permanent gebouwtje neergezet, waarin de kamers 12, 14, 16 en 18 kwamen. Als eenmaal die vleugel klaar was, dan kon in ieder geval de kinderafdeling een behoorlijk onderkomen krijgen. Verder kwamen op de eerste verdieping de kapel en de leslokalen voor de opleiding, terwijl op de begane grond de centrale keuken en technische dienst zouden worden ondergebracht. In het souterrain tenslotte zou het ketelhuis komen.

Als die vleugel klaar was, zou voorlopig een deel van de begane grond gebruikt wordenpius-19 voor de chirurgie omdat in een later stadium het Theresiapaviljoen zou worden afgebroken, waarna ook daar een soortgelijke vleugel zou worden gebouwd. Maar voor dat gebeurde, zou eerst een tweede vleugel gebouwd worden op de plaats waar nu de parkeerterreinen zijn. Daarna zou een derde vleugel worden gebouwd en wel op de plaats van het Theresiapaviljoen, terwijl tenslotte de vleugel langs de Rabbistraat vernieuwd zou worden. Een groots project, dat heel wat jaartjes zou duren, maar als het eenmaal klaar was, dan zou er ook een hypermodern ziekenhuis staan.

Met de bouw van de vleugel werd in 1964 begonnen.

Omdat Monumentenzorg erg op de oude geveltjes in de Bruggestraat is gesteld, mocht er slechts een klein stukje naast het huis van dokter Maaskant worden afgebroken, maar verder moest alles blijven staan. Wat een consternatie toen, nadat de bouwput op diepte was gekomen, bleek dat het huis van dokter Maaskant in het gat dreigde weg te zakken. Met man en macht werd er gewerkt aan de ondersteuning van het pand, enorme ringen pius-20werden er onder gebracht en volgegoten met beton. Toch was de zijgevel wel beschadigd en er werd later een nieuwe zijgevel tegenaan gemetseld. Vandaar dat het oude pand zo’n nieuwe zijgevel heeft. Ernstiger was het aan de andere kant van de bouwput.

Destijds was op die plaats waar nu poli 1 is, de spreekkamer van dr. Van der Laan.

Op een goede morgen hoorden personeelsleden in de omgeving heftig gekraak en viel er af en toe kalk naar beneden. Toen de Technische Dienst was gewaarschuwd, bleek dat het huis reeds zover verzakt was, dat het niet meer te redden viel. In allerijl werden gas-, water- en elektriciteitsleidingen afgesneden en even daarna was het gat aan de Bruggestraat heel wat groter geworden.

Omdat er nu toch niets meer aan te doen was, besloot men om meteen dat stukje bij de nieuwe vleugel te trekken. Duidelijk is dan ook te zien dat de nieuwbouw aan de Bruggestraat nog even om de hoek doorloopt. Poli 1, met uitzondering van het meest rechtse stukje is nieuw. Op de eerste verdieping kwamen de kamers P2 en P3 en op de kinderafdeling kon als extraatje kamer 70 en het kantoortje van zr. Schuur worden bijgebouwd. De bouw heeft ongeveer 2 jaar geduurd. Op 9 september 1966 betrok de kinderafdeling de bovenste verdieping. Dat de kinderafdeling al in gebruik werd genomen voordat de vleugel helemaal klaar was, kwam, omdat het werken op de oude kinderafdeling bijna onmogelijk was. Wat nu de ruimte is die dokter Berk en zijn secretaresse in gebruik heeft, was toen de kinderafdeling. De toch al veel te kleine ruimte was weer onderverdeeld in twee kamertjes, waarbij dan bovendien in de achterste kamer nog weer twee glazen boxen waren. Veel en veel te klein natuurlijk en daarom werden de kinderen in allerlei ruimten in de direkte omgeving van de afdeling ondergebracht. Grote vreugde heerste er dan ook bij iedereen toen men naar de prachtige ruime kinderafdeling verhuisde. Wel was het gebruikte kleurenschema wat aan de sombere kant. Later toen de hele vleugel klaar was, bleek dat de architect die deze vleugel had ontworpen heel eigen ideeën over kleuren had. Alles was grijs, vanaf licht muisgrijs tot dreigend, donker blauwgrijs. Pas vele jaren later, in 1979 werd de kinderafdeling in vrolijke frisse kleuren geschilderd.

pius-21 De hele vleugel was tegen het einde van het jaar klaar en men wilde deze toen met enige feestelijkheid openen. Maar helaas, inmiddels bleken er op de kinderafdeling problemen te zijn. Er deden zich daar n.l. problemen voor op het gebied van de condensatie. In de meest letterlijke zin van het woord stroomde het water langs de ramen.

Bovendien bleek er bij hevige regen ook nog waterdoorslag te zijn onder de ramen. Binnen enkele maanden was de vloerbedekking bij de ramen totaal verrot. Eerst heeft men toen ventilatoren in de ramen van de kamers geplaatst, maar zonder afdoende resultaat. Nog weer later werd dubbel glas aangebracht. Ook dit hielp wel iets, maar echt helemaal goed is het nooit geworden. Zodoende is de vleugel nooit officieel geopend.

Maar dat neemt toch niet weg dat het eerste deel van het nieuw te bouwen ziekenhuis er stond.

Gedurende die paar jaren dat de bouw van dat deel duurde was men echter anders over de toekomst van het ziekenhuis gaan denken. Van enorm belang is hierbij ook geweest een brief van de gezamenlijke specialisten aan de besturen van Pius en Boerhaave, waarin zij wezen op het grote voordeel van één groot ziekenhuis, boven twee kleine ziekenhuizen. Deze specialisten waren: L.J. van Nierop, J.K.C. Rijsbosch, J. Nijman, E. Kuitert, mej. M.J. Boersma en Th. Van der Laan. Men begon naar andere oplossingen te zoeken.

Het bestuur van Pius vroeg aan de gemeente of zij optie kon krijgen op een stuk grond voor ziekenhuisbouw. Maar het bestuur deed meer. Zij begreep dat het inderdaad een onmogelijke situatie zou worden, wanneer twee ziekenhuizen elkaar in een plaats als Harderwijk gingen beconcureren.

Op 23 maart 1967 werd er een brief gestuurd naar het bestuur van het ziekenhuis Boerhaave om eens te informeren, hoe men daar tegenover het voorstel van de specialisten stond. Het bestuur van Boerhaave stelde zich positief op. Dit was in ieder geval een goed begin.

En inderdaad het was een begin en niet meer dan dat. Reeds direct bleek, dat men het over een aantal organisatorische zaken niet eens was. Om maar één onderwerp te noemen, dat de gemoederen vanaf den beginne tot op de huidige dag in beroering heeft gehouden: “waar moet het nieuwe ziekenhuis gebouwd worden?”

pius-22

    Van de zijde van Boerhaave werd uit de aard de zaak voorgesteld om op het Boerhaaveterrein te gaan bouwen, terwijl Pius meer voor een andere plaats voelde. In de loop der jaren zijn er zo een aantal plaatsen voorgesteld. De ene plaats had dit voordeel, de andere dat. Daar kwam nog bij, dat in juni 1968 van de zijde van de Geneeskundige Inspectie het voorstel kwam om het Ziekenhuis Salem te Ermelo in de nieuwbouwplannen te betrekken.

Een eerste gesprek tussen de besturen van deze drie ziekenhuizen vond op voorstel van de voorzitter van de ziekenhuiscommissie in 1968 te Amersfoort plaats.

Ook Salem had ideeën over de beste plaats voor een streekziekenhuis, ideeën die weer niet strookten met wat Pius en Boerhaave dachten. Er waren ook nogal wat voorstellen. Daar was het plan om op het Boerhaave – terrein te bouwen, verder in het gebied Frankrijk in Hierden ( dit als Salem niet mee wilde doen) of in Tonsel ( als Salem wel mee wilde doen).

Het terrein van Veldwijk is voorgesteld, evenals het Salem – terrein. En dan was er nog een plan om in de Stadsweiden te Harderwijk te gaan bouwen.

Iedereen had goede argumenten voor zijn voorstel en goede tegenargumenten voor alle andere voorstellen. Omdat tenslotte niemand meer een uitweg zag, werd er voorgesteld een onafhankelijke commissie om een uitspraak te vragen. Dit werd de commissie Boot. Deze commissie liet zich bijstaan door een organisatiebureau, te weten bureau Bosboom en Hegener en bureau Berenschot.

Na enige jaren van studie kwam de commissie Boot met een voorstel, dat voor niemand aanvaardbaar was.

In januari 1974 wordt dan aan Gedeputeerde Staten een advies over de vestigingsplaats gevraagd, waarbij alle drie de ziekenhuisbesturen zich verbinden om dit advies te accepteren.

pius-23

    Een jaar later, in januari 1975, brengt Gedeputeerde Staten dit advies uit, waarin als plaats voor het nieuwe streekziekenhuis een terrein in Stadsweide wordt voorgesteld. Een bindend advies dus en daarmee zou althans dat punt afgehandeld kunnen zijn. Niets was echter minder waar. Een aantal groepen, uit alle mogelijke kringen, begon zich met de zaak te bemoeien. Hoewel door de besturen nu op één lijn gewerkt werd en er in juni 1975 van de Staatssecretaris een beginselverklaring werd gekregen voor de bouw van een ziekenhuis in de Stadsweiden, werd er buiten de ziekenhuizen een verbitterde strijd gestreden om het ziekenhuis overal te krijgen, als het maar niet in de Stadsweiden was. Niet gehinderd door enige kennis van zaken werden er door groepjes en enkelingen stukken in de krant geschreven tegen de vestiging van het ziekenhuis in Stadsweiden. Zo schreef een meneer, dat wanneer het ziekenhuis daar gebouwd zou worden, de patiënten zeker zouden sterven aan de uitlaatgassen van de langsrijdende auto’s. De opmerking was zó dwaas, dat er bijna geen antwoord op is te geven.

Een wel bijzonder comité was dat der echtgenoten van huisartsen.

Zij gingen in 1978 met een handtekeningenlijst rond, om handtekeningen te verzamelen bij een verzoek om het nieuwe ziekenhuis op het Boerhaave terrein te bouwen. Door zich te presenteren als artsenvrouwen wekten zij de schijn, dat met medische kennis van zaken over dit probleem rond de vestigingsplaats was nagedacht. Wat natuurlijk niet het geval was.

Toen tenslotte alle stormen waren uitgewoed en iedereen het gevoel kreeg, dat er nu spijkers met koppen konden worden geslagen, omdat de bouwplaats wel definitief was vastgesteld, werden er nog een tweetal bezwaarschriften bij de Kroon ingediend.

De eerste door een drietal particulieren, de tweede door B. en w. van Ermelo.

De behandeling van deze bezwaarschriften nam ook weer de nodige tijd, maar tenslotte werd dan in augustus 1981 het beroep van B. en W. van Ermelo ongegrond verklaard, nadat dit reeds eerder met het andere beroepschrift was gebeurd.

Voor zover het de plaats van het ziekenhuis betreft, waren na vele, vele jaren, eindelijk alle beletselen opgeruimd. Natuurlijk had men al die jaren niet stilgezeten. Eind 1975 waren de besturen van de drie ziekenhuizen tot overeenstemming gekomen. Er werd één Stichting opgericht, waarin alle drie de ziekenhuizen deelnamen, met andere woorden, er vond een fusie plaats tussen de drie ziekenhuizen.

19 december 1975 werd de acte van de fusie gepasseerd en op 1 januari 1976 was de fusie een feit. Er was één stichting, het Christelijk Algemeen Ziekenhuis Noordwest – Veluwe, waarvan uitgingen de ziekenhuizen Salem, Boerhaave en Pius. De fusie hield ook in, dat er in september 1975 een begeleidingscommissie werd ingesteld, die tot taak had een Sociaal Plan te maken, waarbij de rechten en plichten van bestuur, directie en personeel tijdens de fusie waren vastgesteld. In 1976 zijn trouwens een aantal dingen gebeurd die allemaal te maken hadden met de samenwerking van de drie ziekenhuizen. Zo werd in februari 1976 één medische staf opgericht.

In juli werd de bouwcommissie geïnstalleerd, die zich bezig ging houden met de eerste fase van de ziekenhuisbouw, n.l. het opstellen van het programma van eisen. Hiervoor werd het organisatiebureau Verlinden ingeschakeld.

Dit programma van eisen werd in november ingediend bij het Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne. Meteen daarna werd begonnen met de selectie van een architectenbureau. Deze leidde er toe dat in januari 1977 de opdracht werd gegeven aan een groep architecten, die samenwerkten onder de naam: werkgroep 4. Erg jammer was het dat de samenwerking binnen de architectengroep op een gegeven moment spaak liep, wat er toe leidde dat in 1980 de samenwerking met de werkgroep 4 werd opgezegd en een nieuwe architect moest worden gezocht. Dit werd bureau Wiegerinck, dat praktisch onmiddellijk met het ontwerpen van een ziekenhuis begon. Een en ander heeft de uiteindelijke bouw natuurlijk wel vertraagd.

Ook op directieniveau ging men samenwerken. Er werd een gezamelijke directie ingesteld. Op 1 oktober 1976 werd dokter Smelik, samen met de heer Lankhorst lid van deze gezamenlijke directie, waarbij zij ook de bouwzaken zouden gaan behartigen.

Dokter Smelik, die vanaf 1 september 1971 in parttime dienstverband werkzaam was als medisch directeur van Pius, ging vanaf oktober 1976 ook voor hele dagen als medisch directeur in Pius werken. Dat heeft geduurd tot juli 1979 toen een coördinerende directie ( afgekort codé) over de drie ziekenhuizen werd aangesteld. Op 3 januari 1980 kreeg deze codé, bestaande uit de heren Smelik, Lankhorst en Hovenier, zijn vaste plaats in Salem en

pius24

kwam Pius in feite zonder directie te zitten. Wel kwamen de directieleden nog op regelmatige tijden in Pius, maar het dagelijks contact was verbroken en dit werd door velen als een gemis gevoeld. Om hieraan tegemoet te komen werd een overlegsituatie in Pius in het leven geroepen. De dagelijkse leiding kwam in handen van de hoofden van de civiele dienst, de verpleging en de paramedische dienst. Dit overlegteam had wekelijks een bespreking met de medische directeur, waarbij alle lopende zaken werden doorgesproken.

Gedurende de jaren dat zich al deze dingen rond de bouw van het nieuwe ziekenhuis afspeelden, ging het werk in Pius natuurlijk gewoon door.

In 1972 werd door een aantal enthousiaste leden een leerlingenvereniging opgericht, die de mooie naam “de Klos” kreeg. De klossen zoals ze zo vaak aan het voeteneinde onder eenpius25 bed worden geplaatst inspireerden kennelijk deze leerlingen. Hebben zij misschien willen aangeven, dat deze nederige klossen vaak zulk belangrijk ondersteunend werk doen? Of hebben zij in de naam het gevoel teruggevonden dat zij ongetwijfeld wel eens hebben gehad, wanneer zij een of ander minder prettig karweitje moesten opknappen? Het is in ieder geval jammer dat deze vereniging, die ook een maandblad uitgaf, na korte tijd de strijd heeft opgegeven en vrijwel ongemerkt van het toneel verdween.

Rond 1980 is door de leerlingen nog geprobeerd, vanuit de grotere groep van de centrale school, te komen tot een leerlingenraad, maar dit is niet gelukt.

Hoewel het de leerlingen niet is gelukt een onderlinge verenigingsband te krijgen, voor zover het het personeel in bredere zin betreft, is dit wel geslaagd. In 1967 werd een personeelsvereniging opgericht genaamd Tip, de eerste letters van de zin: Tot Ieders Plezier. Deze personeelsvereniging heeft een bloeiend bestaan achter de rug. Bijna iedereen is lid van deze vereniging en bijna iedereen heeft wel eens meegedaan met één van de bijzonder geslaagde bezigheden die het bestuur steeds weer wist te bedenken. Zo waren er de jaarlijkse uitstapjes, waarbij, meestal op twee dagen ( dit i.v.m. de diensten), grote groepen van het personeel zich uitmuntend hebben vermaakt.

Men maakte o.a. bustochten naar Brugge, Köningswinter, Rotterdam, Amsterdam, gevolgd door een uitstekend diner en theaterbezoek.

Beroemd ook waren de jaarlijkse visdagen. Met meer of minder kennis van zaken werd gevist en de vissen waren wel zo vriendelijk om zich niets van de vakkennis van de geroutineerde vissers aan te trekken, zodat soms de minst ervarenen de meeste vis vingen. En hoewel het vissen natuurlijk nummer één was op zo’n dag, begreep het bestuur van de Tip wel, dat buitenlucht hongerig en niet te vergeten dorstig maakt. Vooral als het koud was ging zo’n warme hap, keurig geserveerd aan de waterkant er best in. En zoals gezegd, ook ging niemand dorstig naar huis.

Verder waren er de bingo – avonden, de spelavonden en niet te vergeten de droppings. Moedige groepen personeelsleden trokken in weer en wind ’s avonds het bos in, om te proberen een vooraf vastgestelde route te volgen. En hoe keurig alles ook werd voorbereid, er was gegarandeerd altijd wel een groep die volkomen verdwaalde.

Ook het St. Nicolaasfeest werd jaarlijks door de Tip georganiseerd, zowel voor de pius26kinderen van de personeelsleden als ook voor het personeel zelf. Schitterende feesten zijn er in de loop der jaren geweest, waarbij met milde spotternij dan eens deze dan weer een ander werd gewezen op hebbelijkheidjes of misschien onhebbelijkheidjes die de collega’s in de loop van een jaar was opgevallen.

Ook bijzondere gebeurtenissen in het leven van de personeelsleden vergat de Tip niet. Bij verlovingen, huwelijken, geboortes was de personeelsvereniging met een attentie aanwezig. Bij ziekten liet Tip ook van zich horen. Een bloemetje, gebracht door één of meer bestuursleden, gaf de zieke duidelijk het gevoel er nog steeds bij te horen.

Ja, wat heeft de Tip al niet georganiseerd. Het is beslist mogelijk om nog veel meer feiten op te noemen. Eén ding is wel zeker. De bijzondere prettige band tussen de personeelsleden, die zo bijzonder is dat hij zelfs buitenstaanders herhaaldelijk opvalt, is niet in de laatste plaats te danken aan het prachtige werk van de personeelsvereniging. In de vele bijeenkomsten met hun vaak lange, onderlinge gesprekken, waarin personeelsleden van allerlei verschillende diensten elkaar in een ontspannen sfeer ontmoeten, is een band gesmeed die ook in het dagelijks leven bleef bestaan en bijdroeg tot een prettig werkklimaat. En gewerkt werd er in die beginjaren van de Tip. Het ziekenhuis lag nog altijd meer dan vol patiënten.

In die eerste tientallen jaren na de oorlog kende men maar één advies: uitbreiden. Een zeer belangrijke verbetering had plaatsgevonden in 1956. Het sanatorium was in 1955 opgeheven, en de bovenverdieping was in gebruik genomen door de interne afdeling. In 1956 werd toen een lift gebouwd. Vanaf toen hoefde men de patiënten niet langer met een brancard langs de trap te vervoeren. Een enorme vooruitgang. Later werd de eerste verdieping van het Theresiapaviljoen als kraamafdeling in gebruik genomen. Het werk bleef toenemen en mede daardoor nam het aantal in Harderwijk werkende specialisten toe. Nieuwe technieken deden hun intrede, waardoor het hele ziekenhuis langzamerhand een ander aanzien kreeg. Ook de instelling van de in het ziekenhuis werkende en wonende leerlingen – verpleegkundigen werd anders.

Men voelde er niet meer voor om in het ziekenhuis te wonen. Liever zocht men een kamer ergens in de stad. Het direkte resultaat hiervan, mede gekoppeld aan het wegtrekken van de religieuze zusters, was, dat de bovenste verdieping van de vleugel aan de Rabbistraat leeg kwam te staan. De vrijgekomen ruimte kon heel goed gebruikt worden voor de verpleging en de interne afdeling breidde zich naar boven uit. Voor de verpleging geen eenvoudige opgave. Het werken op twee verdiepingen eist erg veel van iedereen die op zo’n afdeling werkt en het was dan ook een logische en goede oplossing toen in 1974 de

pius27

kraamafdeling naar de tweede verdieping ging en de hele eerste verdieping door de interne afdeling in gebruik werd genomen. Voor zover het de verpleegafdelingen betrof was toen een toestand bereikt, die zou blijven bestaan, totdat op 1 januari 1981 met de sluiting van de kraamafdeling de afbouw van het ziekenhuis voor iedereen duidelijk werd.

Niet alleen in de verpleegafdelingen waren grote veranderingen gekomen. In 1977 werd bijvoorbeeld een geheel nieuwe röntgenafdeling gebouwd. De bestaande afdeling werd uitgebreid en de allernieuwste röntgenapparatuur werd geïnstaleerd. Een flink stuk van het Pius Ziekenhuis, dat gelegen is aan de Bruggestraat was nu in gebruik bij de röntgenafdeling. Toch was die ruimte nog niet voldoende. Zo neemt het archief erg veel ruimte in beslag. De archieffoto’s moesten dan ook noodgedwongen boven worden opgeslagen. Nu weegt één röntgenfoto niet veel, tien foto’s is een te verwaarlozen gewicht. Honderd foto’s is een hele vracht, maar duizenden foto’s, dat is een niet weg te cijferen last. Dat bleek ook, toen op een goede of liever gezegd, kwade dag, grote scheuren in de muren bij de trap naar de eerste verdieping tegenover de receptie ontstonden. Hals over kop werden de röntgenfoto’s naar de kelder gebracht. Een karwei, waar de transportdienst een paar dagen van ’s morgens tot ’s avonds mee bezig is geweest. Het was natuurlijk in de meest letterlijke zin van het woord een verplaatsen van de moeilijkheden, want nog steeds vormen de archieven, en niet alleen van de röntgenafdeling, een probleem door het feit, dat zij kostbare ruimte in beslag nemen.

Ook het laboratorium werd geweldig uitgebreid. Oorspronkelijk bestond het gehelepius28 laboratorium uit één ruimte, namelijk het nu nog in gebruik zijnde spoel/urine lab. Toen de daartegenover liggende kamer, die jarenlang de spreekkamer van dokter van Nierop was, vrijkwam, werd deze ruimte bij het laboratorium getrokken. Maar ook dat was nog niet voldoende en in 1976 werd een groot, modern laboratorium gebouwd.

Hiervoor vond een verbouwing plaats van een ruimte voor bijeenkomsten, die als regel “het zaaltje” werd genoemd. Zeer vele verpleegkundigen die hun opleiding in Pius hadden gehad, herinneren zich nog hoe ze daar voor de eerste keer ontvangen werden en voorgesteld aan diverse medewerkers in het ziekenhuis. Verder werden er recepties e.d. gehouden.

De laatste veranderingen die er ten behoeve van het laboratorium werden gemaakt, waren de verplaatsingen van het priklab en de verbouwing van het oude priklab tot wachtkamer voor de bezoekers van het laboratorium.

Zo is er bijna geen dienst op te noemen, die in de loop der jaren niet werd uitgebreid en gemoderniseerd. Natuurlijk waren er nog wel eens wensen die niet direct konden worden vervuld, maar er moest nu eenmaal altijd rekening gehouden worden met de financiën.

pius29

    Toch mag wel gesteld worden, dat wat mogelijk was, ook werd uitgevoerd. Hoewel een ziekenhuis geen bedrijf is, dat er op uit is winst te maken, is toch ook in een ziekenhuis de “productie” belangrijk. En die productie is dan voor een belangrijk deel het aantal verpleegdagen, dat wil zeggen het aantal bedden dat het ziekenhuis heeft, vermenigvuldigd met het aantal dagen dat er ook werkelijk een Patiënt in zo’n bed ligt. Hoe meer verpleegdagen, hoe meer mogelijkheden, zowel voor zover het personeel betreft, als ook voor allerlei andere zaken. Men spreekt van een bedbezetting van 100% als alle bedden alle dagen van het jaar bezet zijn. Natuurlijk zitten hier nog veel meer haken en ogen aan vast, maar in de kern komt het toch wel hier op neer.

Het functioneren van de verschillende diensten in een ziekenhuis kan niet los van elkaar worden gezien. Een uitbreiding van laboratorium of röntgen is geen op zichzelf staande gebeurtenis, want alles heeft uiteindelijk te maken met de hoeveelheid hulp die aan de patiënt wordt geboden. In eenzelfde tempo als de genoemde diensten, groeiden ook de andere, niet met name genoemde, diensten mee. Al eerder werd bijvoorbeeld de uitbreiding van de keuken genoemd, maar zo breidde ook de linnenverzorging en het magazijn, de administratie en de technische dienst uit. Voor de noodzakelijke interne communicatie werd het telefoonnet uitgebreid. In 1965 werd de 500ste bedrijfstelefooninstallatie in Nederland in Pius geïnstalleerd, waarmee ons ziekenhuis toch ook weer tot één van de koplopers behoorde.

Vanzelfsprekend is de spil waaromheen alles draait, het specialisme dat in het ziekenhuis aanwezig is. In 1945 begonnen met uitsluitend de algemene chirurgie, breidde het aantal specialismen zich gestadig uit. In de loop der jaren kreeg Pius de volgende specialismen: interne geneeskunde, algemene chirurgie, orthopedische chirurgie, reumatologie, oogheelkunde, vrouwenziekten en verloskunde, kindergeneeskunde, anaesthesiologie, röntgendiagnostiek, neurologie, psychiatrie, psychologie en kaakchirurgie.

Niet alle specialismen zijn gebleven. De reumatoloog bijvoorbeeld is na een paar jaar hier spreekuur gehouden te hebben weer verdwenen. Andere specialismen hebben hun klinische werk hier op een opgegeven ogenblik beëindigd en hebben uitsluitend poliklinisch spreekuur in Pius gehouden. Maar alle genoemde specialismen hebben ooit in Pius gewerkt of werken er nog. Ongetwijfeld zal Pius ook één van de zeer weinige ziekenhuizen geweest zijn, waar een specialist een middernachtelijk spreekuur hield. Dit spreekuur werd op zaterdagen ’s avonds gehouden en liep herhaaldelijk uit tot na middernacht. Een enkele keer werd daarna nog wel eens zaalvisite gehouden.

Zoals reeds eerder is gezegd, begon Pius zich na de oorlog steeds verder en steeds  sneller te ontwikkelen. Het aantal verpleegdagen werd van jaar tot jaar groter. Het absolute hoogtepunt werd in 1969 bereikt met 48.246 verpleegdagen, een bedbezetting van 97,2%.

Dat wil in de praktijk zeggen dat Pius in dat jaar vol en meer dan vol lag. Er was  toen ook geen ruimte die niet voor de verpleging van patiënten werd gebruikt. Zo stonden op kamer 30 in die tijd 9 bedden, die ook altijd bezet waren. Een enkele keer is er zelfs in een noodgeval wel eens een tiende bed bijgezet. Kamer 30 was overigens wel een herenkamer, dames zijn daar nooit verpleegd. Op chirurgie lagen op de kamers 3, 4, 9 en 10 altijd vijf patiënten en soms zes. Kamer 5, die toen wel iets groter was dan nu, was een tweepersoonskamer.

Je kunt rustig stellen dat Pius in die tijd mudvol lag. Toen dan ook het aantal verpleegdagen in 1970 met 5000 terug liep, werd dat door de mensen eerder als een opluchting dan als een verlies gevoeld. Weinigen konden in dat jaar vermoeden, dat Pius, ondanks het harde werken van ieder personeelslid afzonderlijk, begonnen was aan zijn aftakeling. Een aftakeling van de bedbezetting van 48.246 in 1969 tot 29.210 in 1980.

En de cijfers voor 1981 geven een nog veel ongunstiger beeld.

pius30Wat is nu, zo hebben velen zich in die tien jaar tussen 1970 en 1980 afgevraagd, de oorzaak van deze enorme teruggang. Ieder aspect, iedere mogelijke oorzaak is bekeken, bepraat, bestudeerd.

Natuurlijk waren er altijd wel eenvoudige verklaringen te geven. En het is niet zo, dat deze verklaringen onjuist zijn, maar het meest waarschijnlijk is het toch wel, dat er een veelheid van factoren is, die deze teruggang heeft veroorzaakt.

Laten we eens een aantal van de aangevoerde argumenten bekijken. Vooral in de eerste jaren heerste er de vaste mening, dat Pius achteruit ging ten gunste van Boerhaave. Daarvoor werd dan bijvoorbeeld als reden opgegeven het verschil in geloof. Pius was van ouds een katholiek en Boerhaave een gereformeerd ziekenhuis. De bevolking in deze omgeving is overwegend protestant en dus is de voorkeur voor een niet – katholiek ziekenhuis niet ondenkbaar. Ongetwijfeld zal dit, vooral wat langer geleden, een overweging geweest zijn. Zelfs toen de fusie tussen de drie ziekenhuizen geheel een feit was en er nog maar één stichting, één bestuur en één directie was overgebleven, waren er nog steeds mensen die Pius als een katholiek ziekenhuis bleven zien en dus om die reden daar niet verpleegd wensten te worden. Een bevredigende verklaring voor de teruggang geeft dit toch niet en wel om de simpele reden dat wanneer het aantal verpleegdagen van Pius en Boerhaave bij elkaar werd opgeteld, er ook een achteruitgang te constateren viel. Zou een aantal mensen liever naar Boerhaave dan naar pius gaan, dan zou in ieder gevalpius-31 de som der verpleegdagen van Pius en Boerhaave gelijk moeten blijven. Een eenvoudig rekensommetje, waaraan toch een heleboel mensen voorbij keken.

Dan was er nog de beleidslijn van bestuur en directie, om nieuwe specialismen en moderne apparatuur in één van de ziekenhuizen te concentreren, om zodoende versplintering van het personeel en dubbele of misschien zelfs driedubbele investering te voorkomen. De beslissing in welk van de drie ziekenhuizen een dergelijke uitbreiding zou worden gerealiseerd werd meestal genomen op grond van de beschikbare ruimte. Dit betekende in veel gevallen dat het Pius Ziekenhuis niet in aanmerking kwam.

pius-32

    Een goed voorbeeld van de gevolgen hiervan is de daling van de bedbezetting in 1970, die voor het grootste deel ontstond door de vestiging van een hartspecialist in het Boerhaave Ziekenhuis. Tot die tijd werden deze patiënten veelal door de internist behandeld. Door gebrek aan ruimte om een goede hartbewakingsafdeling op te zetten kwam Pius niet voor de vestiging van dit specialisme in aanmerking. Naast de snelle achteruitgang van Pius, stond een veel langzamer verlopende, maar daarom niet minder ernstige achteruitgang van Boerhaave. Voor deze algemene achteruitgang zijn zonder enige twijfel ook een aantal factoren aan te wijzen.

Daar is in de eerste plaats het streven van de overheid om het aantal verpleegdagen te verminderen. Dit hangt natuurlijk ten nauwste samen met de kortere opnameduur. Zo daalde de gemiddelde verpleegduur van 1968 tot 1981 van 18 naar 12 dagen.

Vooral de wat oudere ziekenhuiswerkers weten nog heel goed dat de patiënt een aantal jaren geleden veel langer in het ziekenhuis bleef dan tegenwoordig. Bovendien bestaat er een neiging om meer ziekenhuiswerk te verplaatsen naar de poliklinieken. Landelijk gezien neemt duidelijk het aantal poliklinieken toe, ten koste van het ziekenhuis. Vanzelfsprekend heeft dit dus ook invloed op de situatie op de Veluwe.

Minder opnames en een kortere opnameduur moeten wel tot een lagere bedbezetting leiden. De veranderde opvatting van de regering over de opname op de kraamafdeling heeft er toe geleid dat vooral de kraamafdelingen geweldig achteruit zijn gegaan. Over de laatste drie jaar zien wij hier, dat het aantal verpleegdagen van de drie ziekenhuizen, dat in 1979 nog 19.180 bedroeg, daalde tot ± 12.950 in 1981, een daling van ruim 30%. Dan blijft er nog een derde punt over. Het is duidelijk dat een aantal patiënten liever naar Zwolle, Amersfoort of waar dan ook naar toe gaat, dan dat zij in Harderwijk of Ermelo wordt opgenomen. Juist voor dit punt is geen kant en klare oplossing te vinden. In ieder geval trekt een aantal patiënten weg naar andere plaatsen, hoewel we aan de andere kant moeten stellen, dat dit percentage gelukkig klein is.

Alles samenvattende kunnen we dus stellen dat er gedurende een reeks van jaren een gestage teruggang is in het aantal verpleegdagen binnen het Christelijk Algemeen pius-33Ziekenhuis. Deze teruggang is het eerst begonnen en het sterkst geweest in Pius. Daardoor bleef aanvankelijk de bezetting van de andere ziekenhuizen op een aanvaardbaar peil, maar vanaf den beginne is duidelijk geweest dat de bedbezetting van het totale Christelijk Algemeen Ziekenhuis terugliep. Toen dat tenslotte de bezetting van Pius zo gering was, dat het niet langer mogelijk was om op een verantwoorde wijze het ziekenhuis te laten functioneren, werd door directie en bestuur het plan gelanceerd om het verpleegkundige gedeelte van het Pius Ziekenhuis te verplaatsen naar het Boerhaave terrein, terwijl in Pius uitsluitend de poliklinieken zouden achterblijven.

Na de gebruikelijke strubbelingen over wel of niet gehele sluiting van Pius werd tenslotte, mede onder druk van de snel teruglopende economie, het bovengenoemd plan door iedereen aanvaard en in januari 1982 gaf de overheid officieel toestemming om over te gaan tot het bijbouwen van een aantal afdelingen aan het Boerhaave Ziekenhuis en het in stand houden van een buitenpolikliniek in het Pius gebouw.

Terugkijkend over meer dan een eeuw, zien we in 1873 het Pius – Gesticht startten met een naai- en breischool en een kleuterschool. In 1888 komt daar de verzorging van bejaarden en hulpbehoevenden bij, een taak waarbij langzamerhand steeds meer het verzorgingsaspect op de voorgrond komt te staan. Daaruit ontstaat dan de ziekenverzorging, die tenslotte in 1906 leidt tot de stichting van het ziekenhuis.

pius-34

    Dit ziekenhuis, klein begonnen, wordt langzamerhand steeds groter en steeds meer omvattend. Van 1930 tot 1955 was een deel van het ziekenhuis als sanatorium in gebruik.

De schoolfunctie en nog later de bejaardenverzorging verdwijnt. Nog weer later wordt, wanneer het aantal specialismen toeneemt, de polikliniek groter. Ook het aantal funktie onderzoeken neemt toe. In de afgelopen tien jaar komt dan voor Pius langzaam de teruggang. Het aantal verpleegdagen daalt en blijft dalen en het is die daling, die er tenslotte toe leidt, dat in 1982 de verpleging van zieken in Pius wordt gestaakt.

Maar voor de geschiedenis van Pius is eigenlijk alleen maar een volgende fase begonnen, want in het gebouw blijft een polikliniek.

Zoals reeds eerder gezegd, neemt het belang van de polikliniek toe.

In de eerste plaats doordat de poliklinische behandeling door de regering krachtig wordt gestimuleerd, in de tweede plaats, doordat het aantal mogelijkheden binnen de polikliniek toeneemt.

pius-35Overigens hangen deze punten natuurlijk ten nauwste met elkaar samen. In Pius is dan ook duidelijk te zien, dat de polikliniek zich de laatste jaren sterk ontwikkelt. Ook nieuwe specialismen zijn de laatste jaren in de polikliniek ondergebracht. Zo kon een paar jaar geleden een orthoptiste in Pius komen werken. Een belangrijke vergroting van de poliklinische funkties voor de hele regio was de vestiging van een kaakchirurgische polikliniek in oktober 1981.

Deze hypermoderne polikliniek behoort tot één van de fraaiste en best geoutilleerde van ons land. Ook voor reeds gevestigde specialismen werden de mogelijkheden verder uitgebreid.

Zo beschikt de internist thans over een uitstekende scopie – ruimte, waar hij letterlijk de patiënt van binnen kan bekijken.

De K.N.O.- arts krijgt de mogelijkheid om verfijnde onderzoeken naar afwijkingen van het evenwichtsorgaan te doen. En zo zouden er nog wel een aantal dingen op te noemen zijn.

In ieder geval zal er ook weer in de Pius Polikliniek naar gestreefd worden, in een goede en vriendelijke sfeer voor het welzijn van de patiënt te werken.

Op dit moment kan nog niemand precies zeggen wanneer het streekziekenhuis zal pius-36worden geopend en wanneer dus ook deze polikliniek dicht zal gaan. Zal de geschiedenis van Pius voor wat verzorging en verpleging betreft zich over een volle eeuw uitstrekken, m.a.w. zal het nog tot 1988 duren voordat Pius definitief gesloten wordt?

Wat we wel weten is dat er vanaf het einde van de vorige eeuw tot heden in dit gebouw aan de Bruggestraat gewerkt is voor de medemens.

In dit boekje ie er bewust naar gestreefd, geen namen van mensen te noemen, als dit niet absoluut noodzakelijk was. Hiermee wordt een tweeledig doel nagestreefd. Ten eerste is de taak van alle werkers in de gezondheidszorg gericht op een ander, op de zieke medemens die steun en hulp zoekt.

Te mogen werken aan de gezondmaking van de zieke is een genade waarvan een ieder diep doordrongen dient te zijn. Niet de man of vrouw die het werk doet is belangrijk , maar het werk dat gedaan wordt.

Ten tweede werken binnen het ziekenhuis allen aan dezelfde opgave.

De een op een belangrijke, de ander op een wat minder belangrijke plaats, de een met een grote, de ander met een minder drukkende verantwoording.

De een in direkt kontakt met de patiënt, de ander zonder ooit de patiënt te zien. Maar iedereen is nodig, de een kan niet functioneren zonder de ander.

Uitgaande van deze twee begrippen, is het een onmogelijkheid binnen het kader van deze geschiedenis van Pius, sommige mensen wel te noemen en andere niet.

Nu, in 1982, gaat Pius weer beginnen aan een nieuwe fase en, naar het zich laat aanzien, aan de laatste fase. Dit boekje wil een terugblik geven op alles wat er gedurende bijna honderd jaar binnen de muren van het oude Pius is gedaan. Als wij voor ons uit kijken zien we in gedachten een nieuw, modern streekziekenhuis, waar ook oud – personeelsleden van Pius zullen mogen werken.

Laten wij hopen dat ook daar in dezelfde geest van liefde tot de medemens en in het weten en aanvaarden van de afhankelijkheid van Hem die alles leidt, tot in lengte van dagen mag worden gewerkt.

 

Dit boek werd geschreven door A.J. Eleveld.

Het historisch onderzoek werd verricht door

                                 H.J. Fijnenberg.

                                 Fotografisch materiaal werd bewerkt door

                                 A.J. van de Kamp.

                                 En het typewerk werd gedaan door mevrouw

Lutterman – Cremers.

 

Verder werkten mee:

Carina Baay

Aalt Beerdsen

Zr. Blasia

Geeske Bolte – Hofstra

Fenny uit den Bosch

Pastor Gevers

Maria Haas

Zr. Henrica

Jan Hop

Anneke de Jong

Huub Lutterman

Lidwien Megens – Sloot

Bert Muitjes

Harmke Schuur

Frans van der Sterren

Gerrie Steijaert – van Eerbeek

Elly Veleke

Arleen Voogd

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Pius Ziekenhuis 1887 - 1982.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *