Plannensmeders hoofdstuk 3

 

 

Hoofdstuk 3

Plannensmeders

Een paard zwenkte af naar links in de Smedepoortstraat en niet naar rechts. Op zichzelf was dat niet vreemd. Nu echter wel. Deze handelswijze van Wolter Hubrechtse zou voor de stad en voor verschillende poortes van grote betekenis blijken te zijn, voor later.

Dit was het begin van het verzet tegen de snode plannen van de Spaanse koning, die eens gezworen had, de rechtenen privileges voor het volk te zullen eerbiedigen. Een eed betekende niets voor hem. Wolter Hubrechtse was tot de tegenaanval overgegaan.

Er lag een grimmige trek op zijn gezicht, toen hij in een wilde ren zijn paard langs de straat joeg. Voor de herberg “Het vergulde Hert” ( nu de winkel Smeepoortstraat 6 ), sprong hij uit het zadel en bijna met diezelfde beweging werkte hij zich naar de deur. Hij wist, dat alles nu op spoed aankwam.

Henrick Hase stond achter de toog, een natte vaatdoek in de hand, waarmee hij de toog had afgeveegd, toen hij een schaduw voorbij het raam zag gaan. Daarachter ontdekte hij de omtrekken van een paard. Wie kon dat zijn? Welke ruiter kwam om deze tijd naar hier? Een bierdrager, een bijlhouwer of zo, dat zou gekund hebben. Maar een paardrijder? Het kon niet een reiziger zijn, die door de Smedepoort was gekomen. Door de Lutteke – of de Grote Poort? Maar dan zou hij dáár een herberg zijn binnengegaan, die van Henrick van Zevener of van Wijntje Cronnen, de waardin van Int Leersken.

De deur zwaaide open en toen was zijn gezicht opeens een en al glimlach. Hij had inde bezoeker een vriend herkend.

“Ben jij dat, Wolter Hubrechtse? Ik zag je een tijdje geleden langsrijden en verwachtte je, alleen niet nu. Betekend een pint Hasebier meer dan mooie Wiempien?”

Wolter maakte een afwerend gebaar met de hand, terwijl hij met snelle stappen naar de toog kwam.

“Luister, Henrick. Ik was op weg naar huis, maar bij de wehme ( pastorie ) zag ik een verdacht persoon naar buiten komen. Daarom ben ik spoorslags hierheen gereden. Pater Doesburgh moet gewaarschuwd worden en met spoed. Hij loopt gevaar en meerderen. Wij allen.”

De kastelein keek hem een ogenblik verbaasd aan. Wat bazelde Wolter? Of boertte hij maar wat.

Maar de ernstige blik in diens ogen was niet mis te verstaan. Er moest wel iets heel bijzonders aan de hand zijn. Maar waarom kwam Wolter dan bij hem en zocht hij niet zelf de pater op?

“Je spreekt in raadsels Wolter Hubrechtse. Welk gevaar kan in een vredige stad als Harderwijk ons wedervaren?”

De stadsloper vertelde hem in het kort, welke geruchten de ronde deden en hoe hij de Jezuïet uit de wehme had zien komen.

“Ik moet Everhardus Doesborgh hebben en zo snel mogelijk. Stuur jij die jongen van je naar hem toe om te zeggen, dat hij hier moet komen en op slag. En laat Wessel rap zijn, vóór de Jezuíet het klooster bereikt. Zelf kan ik er niet heengaan. Die Jezuíet mocht mij eens herkennen zoals ik hem, en argwaan krijgen.”

Henrick Hase kwam snel in actie, nu hij begreep, dat spoed vereist was. Hij verdween naar achteren en een ogenblik later snelde zijn zoon Wessel langs de Doelen naar het Broerenklooster. Grote gebeurtenissen wierpen hun schaduw vooruit in Harderwijk.

“Zo en nou bijzonderheden, Wolter Hubrechtse. Het zal even duren voor Doesborgh komt. Spreek op.”

De stadsloper steunde zijn ellebogen op de toog, toen hij van wal stak.

“Och, veel valt er niet te vertellen. Het voornaamste weet je al. Ik heb in Arnhem mijn oren te luisteren gelegd en mijn ogen de kost gegeven en wanneer je dan het een en ander bij elkaar telt, kom je wel ergens achter. Vanuit Spanje willen ze het nu anders gaan inpikken met de inquisitie als destijds met Berend Gruwel. Ze hebben best in de gaten, dat onze magistraten zich er niet druk over maken en geen medewerking geven. Nu, de aanwezigheid hier van die Jezuïet zegt mij,dat Fillips II er geen gras over laat groeien. Er gaan geregeld, bijna dagelijks, ijlboden heen en weer tussen Brussel en Madrid, dat is een weet. Geloof me, Hendrick Hase, ons land ligt onder het open slagnet van de koning van Spanje en de vogelaar maakt zich gereed om het dicht te doen slaan. Wij hier in Harderwijk kunnen het er nog op aan laten komen om niet bij Rutger van Baer ter kerk te gaan. Al is de taal van Everhardus Doesborgh niet altijd even kuis, hij onderwijst ons in de Heilige Schriftuur. En dat geeft je troost in alle moeiten. Dát doet je het hoofd opheffen, zoals de psalmist er ook van spreekt. Maar die Jezuïet betekent gevaar voor ons allen. Geloof me, kerels als hij, het zijn geheime spionnen van Spanje. Zij sturen namen van volgens hen verdachte personen naar Madrid en vandaar, niet vanuit Brussel, komen bevelen terug. Het rechte kom je niet te weten, want alles gaat zeer bedektelijk, maar hier en daar verdwijnen soms plotseling mensen, van wie je nooit meer iets hoort. Het verraad loert overal om je heen. Zo ver is het hier nog niet, maar zo ver zal het wel komen, neem dat van Wolter Hubrechtse aan. De konink van Hispaniën heeft zijn boze oog ook op Harderwijk geslagen. Van nu af aan zullen wij voortdurend op onze hoede moeten zijn. En die pint bier kun je mij wel geven. Wijmpien wacht wel, al zal zij, indien Koert haar van mijn terugkeer op de hoogte heeft gesteld, zich wel afvragen, waar ik blijf. Wijmpien weet, dat Wolter haar graag heeft.

De kastelein veegde zijn handen af aan het voorschoot, een gewoontegebaar, schonk een kroes schuimend bier in en schoof het over de toog Wolter toe.

“Dit is voor rekening van “Het Vergulde Hert”, Wolter. Een mens moet toch weleens iets afschuiven om er wat voor terug te krijgen, al bedoel ik dit niet zoals met spiering en kabeljauw. Ik kreeg het al vooraf. Maar ik begin mij af te vragen of er verband kan bestaan tussen wat jij mij aan de neus hebt gehangen en dat met die dolkop van dat Roestenjong. Heb jij dat mogelijk al gehoord?”

“Dat was vrijwel het eerste wat mij in de oren werd gegild, toen ik Harderwijk binnenreed. Er wordt nogal ophef van gemaakt, geloof ik. De worp was per ongeluk raak, maar zo niet bedoeld.”

“Daar heb ik het niet over. Moet je horen. Toen die jongens aan het bakkeleien waren, moet die wolvenwelp van Andrys Roest Gosen uitgemaakt hebben voor ketter. Weet jij mogelijk, wanneer die scheldnaam voor het laatst in Harderwijk heeft geklonken? Het is zo lang geleden, dat de mensen, dat de mensen het zijn vergeten. Maar nu vraag ik je, wanneer is die Jezuïet bij Roest gekomen? Zo zie ik een mogelijk verband.”

Wolter knikte nadenkend met het hoofd en nam dan een teug bier.

“Je kunt best gelijk hebben, Henrick. In ieder geval, ik heb die Roest nooit vertrouwd. Trouwens, allen niet, die bij een stelende en scheldende pastoor ter biecht te gaan. Ik zal oppassen met wat ik tegen hem zeg, van nu voortaan.”

“Alle verzwegen Paternosters, Wolter Hubrechtse, daar zeg je zowat. Wel, je kent me, dat ik nogal voortvarend iemand ben. De eerste klap is nog altijd twee zesthalven waard. Zie jij geen kans om die Jezuïet te verdonkermanen? Als wij hem eens lieten verdwijnen, vóór hij de kans krijgt, nieuwe namen naar Spanje door te geven? Dat moet toch kunnen? Vriend, ik zou er een hand vol gouden rijders voor over hebben.”

Wolter Hubrechtse richtte zich in zijn volle lengte op, keek de kastelein met grote ogen aan sloeg zich dan op de dijen van plezier. Met een tinteling in de ogen keek hij over het glas heen Henrick Hase aan. Diens ogen lachten eveneens. Deze mannen wisten wat ze aan elkaar hadden. Ze begrepen elkaar en zouden samen heel wat aandurven.

Nu weer dat vermetele voorstel van de kastelein. Wolter raakte het niet meer kwijt. Iets dergelijks had er ook al door zijn hoofd gespookt, hoewel het nog niet tot een vast plan was uitgedijd. Daarvoor moest je Henrick Hase hebben, die onmiddellijk begreep wat er gedaan moest worden. Twee samenzweerders staken de hoofden bij elkaar.

“Willem van Oranje zou aan jou een goed officier hebben, Henrick Hase, bij zijn plannen om Granvelle aan de kant te zetten. Jij zou er wel weg mee weten. Maar goed, het is heel iets anders om een Jezuïet in Harderwijk te laten verdwijnen. Hoe in vredesnaam wilde je dat voor elkaar brengen? Je plan heeft iets aantrekkelijks, maar als je het uitvoert, hoe minder er dan van weten, hoe beter. De verrader slaapt niet, laat dat je gezegd zijn.”

Henrick Hase keek hem aan met guitige blik in de ogen, terwijl hij achter de toog vandaan kwam en zich bij zijn vriend voegde.

“Dat zoeken wij later wel uit. Nu komt eerst het plan om hem te pakken te krijgen. Ik heb in mijn gewelfde kelder altijd wel een plekje waar we hem een tijdje kunnen opbergen. Hij zal wel in het Broerenklooster slapen. De gardiaan is niet om te kopen en we kunnen hem ook niet in ons plan betrekken. Maar ik denk, dat Everhardus Doesborgh onze man is, wanneer je hem kunt overtuigen,dat die kerel een Jezuïet is en niet een Fraciskaner liefdebroeder. Maar daar heb je hem. Laat hij zelf zijn oordeel geven.”

Een monnik in een bruine pij schoof door de deur naar binnen. Terwijl hij naar de toog stapte, leek het alsof de kwasten van zijn wit gebedenkoord een dansje op zijn heupen maakten. De handen kwamen uit de wijde mouwen te voorschijn, grove, gespierde handen, die niet bij een prediker hoorden, maar bij een sjouwersman, knuistige werkhanden. Everhardus Doesburgh keek de beide mannen met een doordringende blik aan.

“Pax,”zei hij en glimlachte. Henrick Hase knikte hem toe.

“Je maakt het steeds korter, frater Everhardus. Vroeger zei je dat anders. Maar het doet er niet toe. Jij denkt nu als Joannes Calvinus. Hier, deze zwerver langs ’s heren wegen heeft je wat te vertellen. Je zult het wel prettig vinden,want het gaat zijdelings ook over jou. Over ons allen trouwens.”

“Dat is niet plezierig, zoals het varken zei, toen het op de deur getrokken werd,”zei de monnik, terwijl hij zich naar Wolter Hubrechtse wendde. Drie mannen staken de hoofden bijeen tot nut en heil van land en volk.

Wolter Hubrechtse moest opnieuw zijn wederwaardigheden vertellen. Hij deed het kort en zakelijk. Hoe verder hij met zijn verhaal kwam, hoe meer het gelaat van de monnik verstrakte. Het relaas scheen nogal indruk op hem te maken. In zijn ogen kwam een diepe glans, als van vuur, dat op het punt stond in laaiende vlammen uit te slaan. Zijn lippen trilden af en toe en over zijn voorhoofd trokken diepe rimpels. Opeens liet hij zijn vuist met een daverende slag op de toog vallen.

“Die vermaledeide hontskont van een pastoor!”riep hij. “Dit is zijn werk, vrienden. Hij is woest omdat hij de mensen de kerk uitpreekt en dat ze naar Everhardus Doesborgh gaan horen. Awel, nu zal de hele parochie en de hele santekraam van Veluwen weten, dat hij hout heeft laten stelen in de Putter bossen en dat hij zijn medepastoors op een loze manier geld afhandig heeft gemaakt. Maar goed, dat is zijn zaak. Het is oppassen met hem, makkers.”

Henrick Hase schonk hem een kroes bier in.

“Drink man. Zo weten we het weer, als de bottelier en de kok kijven, weet de schipper waar de boter blijft.”

“Ge hebt gelijk, Henrick. Een peerd en dient ter wedloop niet, dat geern een ander voor hem ziet. Maar die Jezuïet, dat is onze zaak, ge hebt dat goed begrepen, Wolter Hubrechtse. Dat hij bij heeroom Rutger vandaan kwam is voor mij bewijs genoeg, dat hij niet deugt. Ik zag hem over de Broeren naderen, toen ik het klooster verliet. En dan misbruik maken van onze eerwaarde bruine pijen. Een Franciskaner zou zich onmiddellijk bij de gardiaan hebben vervoegd, wanneer hij de veste Harderwijk binnenkwam. Een kat kruipt toch ook niet in een hondenest? Maar dat mannetje zal wel het een en ander te verklaren hebben als ik hem te spreken krijg. Zo, dus op die manier willen ze proberen het geloof in onze landen uit te roeien? Voorheen was het vooral de leer van Luther en van de wederdopers, nu krijgt die van Calvijn steeds meer de overhand en daarmee kunt ge zeggen, de Heilige Schriftuur. O, ik…..ik..”

Hij wond zich steeds meer op. Everhardus Doesborgh was een driftkop, die gekke dingen kon doen als hij het op de heupen had en de drift hem de baas werd.

“Kalm aan, frater,”maande Henrick Hase. “Men moet zijn voeten niet verder steken dan het bed lang is. Ons voegt geduld bij ons overleg.”

“Ge hebt alweer gelijk, Henrick. Maar die pastoor maakt me wild. Gelijk hebt ge. Vergeef me. Ik liet me even gaan, dacht dat hij achter dit zaakje stak. Dat zou kunnen, maar waarschijnlijk is het toch niet. Daar is hij te stom voor. Het sprak bijna vanzelf, dat de Jezuïet hem opzocht. Dáár kon hij het beste zijn inlichtingen krijgen. En Rutger van Baer heeft elders wel de naam een onvervalste paap te zijn. Alleen maar, hij had het niet in een Franciskaner pij moeten doen. Dat kan hem niet vergeven worden. Blij, dat hij het toch gedaan heeft. Nu hebben wij houvast.”

Wolter Hubrechtse gaf de monnik een por in de zij. Zijn gezicht was één brede grijns. “Henrick hier dacht, dat wij hem misschien zouden kunnen verdonkeremanen.”

De predikheer van de Broeren dronk zijn kroes leeg en schudde zijn ruige kop alsof hij op een vijand wilde afstormen. Dan richte hij zich in zijn volle lengte op. Zijn ogen leken brokken vuur.

“Henrick Hase kun je rustig om een boodschap sturen.”zei hij dan met nadruk. “Zo zou je dat heerschap onschadelijk kunnen maken voor een tijdje. Maar het zou allemenselijk snel moeten gebeuren, nog vóór hij er in is geslaagd, zijn inlichtingen te krijgen en die door te kunnen geven naar Madrid. En dat betekent dus vanavond nog.”

De man achter de toog knikte bevestigend.

“Precies, Everhardus, zo had ik ook gedacht. Maar dat is nu net de moeilijkheid. Wanneer het ons gelukt hem buiten het klooster te krijgen, dan is er wel een manier te vinden om hem ergens te overvallen. Ik zei al tegen Wolter, dat ik in mijn kelder nog wel een paar plaatsjes vrij heb waar hij het een poosje zou kunnen uithouden. Maar daar kan hij niet blijven. Waar moeten we met dat heerschap heen? Zeker, we zouden hem stiekem buiten de poort kunnen brengen en hem dan laten lopen. Maar dan zie je hem toch de of andere tijd terugkomen of een ander en die al extra op zjn hoede zijn. Ik vind het wel moeilijk, als je het mij vraagt.”

“Die niet en zoekt en vindt niet, die niet en waagt die wint niet,”zo liet de stadsloper zich horen. En toen kwam de opmerking van Everhardus Doesborgh, die de anderen deed schrikken.

“Er is wel meer een pater in de Zuyderzee verdronken.”

“Dat meen je niet, frater Everhardus, hem verdrinken.”

“Meende ik ook niet. Ik zeg altijd meer dan ik kan verantwoorden. Maar wacht eens. Wat let ons om hem naar het spijker van Brant van Delen in Harscamp te brengen? Heer van Delen zal hem daar maandenlang kunnen vasthouden, zonder dat iemand er iets van merkt of weet, zolang, tot Harderwijk zich over hem geen zorgen meer behoeft te maken. Houden jullie nou eens de mond en laat mij nadenken.”

Het bleef enkele ogenblikken stil. Henrick Hase en Wolter Hubrechtse keken belangstellend naar hun vriend in de bruine pij, wiens handen als klauwen op de toog lagen. De frater staarde van onder samengetrokken wenkbrauwen naar de eikenhouten vloer. Een stroom van gedachten joeg door zijn hoofd.

Op de Smedepoortstraat riep een sleper iets tegen zijn paard en schoof even later langs de ramen voorbij. Dat was voor het ogenblik het enige geluid hier. De bedrijvigheid lag meer aan de andere kant van de stad. De monnik richtte zich op.

“Luister, mannen, ik denk dat ik het gevonden heb. Ik keer naar de Broeren terug. Ik verwacht, dat die Jezuïet juist mij graag eens aan de tand zal willen voelen. Rutger van Baer zal hem wel aan de neus hebben gehangen, dat ik met het Calvinisme besmet ben. Nu, ik zal hem boordevol inlichtingen stoppen, alleen niet over personen, die daardoor in gevaar zouden kunnen komen, en van wie hij graag iets zou willen weten. En ’t avond, als de nachtwachthet uur van negen heeft geroepen, zal ik met hem door de Luttekepoortstraat lopen bij het huis van Putgen Aelberts. Wanneer hij daar dan door sterke handen wordt gegrepen, die van jullie namelijk, dan ga ik ook bakkeleien. Ik zal doen alsof ik hem wil ontzetten. Maar ik kan natuurlijk niet tegen twee woestelingen op. We kunnen hem hier door de achterdeur naar binnen loodsen. Zouden jullie denken, dat wij het met zijn drieën af kunnen?”

“Dat kunnen we,als er niets misgaat. Die rabauw zal zich wel verzetten. Reken maar, dat ze er geen Jan Salie op uitsturen. Dit soort spionnen draagt wapens onder de pij en deinzen zelfs voor een moord niet terug. Die Jezuïet lijkt me niet een kerel, die zich zo maar zal laten verdonkeremanen. Maar hij mág ons niet ontglippen. We zouden ons de haat van de hele Jezuïetentroep op de hals halen en van Madrid. Hun wraak zou in dubbele mate Harderwijk treffen. Maar mij dunkt anders, dat wij dat zaakje met zijn drieën toch zullen moeten klaren. Kun jij achter je toog gemist worden, Henrick? Het zal hier vanavond wel weer druk worden, nu het veerschip is binnengevallen,”zei Wolter.

“Ik zal Kil Jans vragen hier te zijn, die weet van wanten met tappen. En maak jij nou maar, dat je bij Wijmpien komt. Ze zal het helemaal niet leuk vinden, dat je haar vanavond al weer alleen laat. Afijn, Wijmpien is van jou wel het een en ander gewend.”

“O, ik ga al. Ik zal tijdig bijje zijn. Kijk uit voor die Jezuïet, Everhardus. Hij is een van de meest geslepen spionnen, die Fillips naar de Nederlanden heeft gestuurd. Maar nee, luister, ik weet iets beters. Op de roep van negen in de Kleine Oosterwijk. Kom jij daarheen Henrick. Hoort ge het, Everhardus Doesborgh? Ik weet wel een manier om hem vandaar ongezien en ongehoord buiten de poort te krijgen. Gerrit Zeegers zal ons daarbij behulpzaam zijn. En zo is daar dan ook weer een samenbotsing tussen de namen Zeegers en Roest. Het is om te lachen, maar hoe meer ik er aan denk, hoe meer verband ik begin te zien. Nu, Roest zal niet veel plezier van zijn stiekem gedoe beleven. En ik zal Wege Elbertse Waarschuwen, die de Jezuïet de wereld uit zal helpen.”

Wolter Hubrechtse begaf zich naar zijn paard. De frater verdween door de achterdeur, zodat niemand hen tezamen zag.

“Zo, wijf, daar heb je me. Wanneer je met heren van bestuur en gerecht te maken hebt, ben je nooit zeker van je eigen tijd. En’t avond er weer op uit, hoewel niet de hele nacht. Valt er nog wat te schransen?”

Met die woorden stapte Wolter Hubrechtse zijn woning binnen. Wijmpien had al meer dan een uur op hem zitten wachten.

De ogen van Wijmpien stonden blij, omdat ze hem weer terug had. Ze had om haar man in angst gezeten. Altijd overviel die haar wanneer Wolter de stad uit moest. Ze wist, dat allerlei gevaren hem op eenzame paden bedreigden. Maar zij morde er niet over. Ze verdrong haar angst en liet er niemand iets van merken.

Ze wist waar Wolter van hield, warme, gebrokte melk met roggemik. Ze had het klaar staan en schepte op. Het zeewater klotste tegen de noordoostelijke stadsmuur, waartegen hun huis gebouwd was. Het klonk als muziek door de middag.

Einde hoofdstuk 3

 

 

 

 

.

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in 't Geuzenjonk van Harderwijck.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *