Politie uitbreiding in Harderwijk.

Het belang van orde.

 

  De uitbreiding in’t begin van 1876 van’t politie-corps met een tweetal agenten wijst er op,dat de gemeenteraad en het stadsbestuur de noodzakelijkheid inzagen van meer en verscherpt toezicht. En dat was wel nodig. Toen bestond het ganse politie-corps uit één commissaris van politie, vijf agenten en één hoofdagent,ongeacht de nachtwachts,die mede waakten voor de rust der slapende ingezetenen,terwijl de rijksveldwachters,onder wie bekend was de brigadier Lamens,( die later als consierge van’t Paleis van Justitie te Amsterdam),een werkzaam aandeel namen aan de maatregelen,welke genomen werden in’t belang der openbare orde en veiligheid.

   Zo herinner ik mij, dat op den hoek van de St.Annastraat bij de Grote Poortstraat een soldaat heen en weer liep en iedereen verbood, de weg naar den Vuldersbrink te betreden.

    Landbouwers,eerzame burgers,kortom, elk ontving kort en bondig de waarschuwing:”terug!”. De winkelier die daar op de hoek woonde,zat op een stoel voor zijn woning rustig een pijpje te roken en schudde het hoofd over de dwaasheid van den koloniaal en was bevreesd, dat er vlak bij zijn huis een vechtpartij zou worden geleverd.

    Nu,dat duurde niet lang. Een jonkman,kort van stof,wilde er door,maar werd evenals de anderen,tegengehouden.

    Dat was het sein tot een algemene kloppartij. Hij nam de stoel van den winkelier,liep naar den soldaat toe,sloeg hem daarmede zodanig op’t hoofd,dat het arme soldatenhoofd tussen de stikken zat en trok den vermetelen landsverdediger een eindweegs door den straat,tot groot vermaak van den omstanders. Inmiddels kwam eruit de Grote Marktstraat een troep soldaten opdagen,die,op de drukte afgaande,hun krijgsmakker trachtten te ontzetten;echter zonder succes.Bezems,schoffels,harken,dorsvlegels,emmers,gieters,etc. vlogen door de lucht en binnen enkele minuten was het pleit beslecht; er was geen koloniaal meer te zien.

    In Maart 1876 had de burgerij veel overlast van de aangeworven Fransen.

Op den tienden dier maand pleegden die vreemdelingen allerlei baldadigheden. Zo verbrijzelden zij de ruiten bij een burger,die hun,op hun vraag moest bekennen,dat hij geen sterke drank verkocht en die dus ook niet kon verstrekken. De man ontving een drietal steken met een dolk en was blij,dat de onverlaten vertrokken. Op denzelfde avond werd de 70 jarige Peter Kok,die een schotel pap naar zijne zuster wilde brengen,in de Schapenhoek aangerand en kreeg een dolksteek in den buik,tengevolgen waarvan de grijsaard later is overleden.De aanvallers hadden zich verdekt opgesteld onder de hoge bomen van de Vismarkt en werden eerst niet opgemerkt.

    De lichtwachter Jan Olofsen,die even daarvoor daar passeerde en niets van de zaak wist,vermoedde bij’t zien van een blank wapen,onraad en had zijn deur veiligheidshalve gesloten. De brigadier Lamens en de agent van politie Hendrik van Beek joegen later de Bende met getrokken sabel uiteen en stelden er twee in arrest.

    Dat geval bracht heel wat gisting teweeg. Vele mannen wapenden zich met stokken of latten,waarin met de punten naar buiten,enige spijkers waren geslagen,om daarmede op de Fransen in te hakken. Menig koloniaal heeft er kennis mee gemaakt.

    Vroeger merkte ik reeds op,dat vele kolonialen die geen zin hadden,’s nachts in de kazerne te vertoeven,buiten in de weilanden vertier zochten onder ’t genot van een glas wijn of jenever. Dan kostte het moeite,de mannen te bewegen naar de aangewezen verblijfplaats weer te keren;zelfs met geweld werd het doel niet bereikt,de sergeant,die de patrouille aanvoerde,keerde niet zelden onverrichtterzake terug.

    Zo stond op een avond in de maand Mei de lichtwachter,hierboven genoemd,aan de Vispoort.’t Was stil,geen zuchtje werd vernomen. De sterretjes fonkelden met helderen glans,terwijl ginds op zee tal van schuiten ten anker lagen. Hij meende evenwel dat in’t hoge gras der Wellen niet alles even rustig was en scherp toeluisterende,vernam hij duidelijk mannenstemmen en ook gerinkel van glazen. Als onbezoldigd gemeenteveldwachter was terstond zijn besluit genomen. Kolonialen moesten het zeker wezen,die daar zo laat zaten te keuvelen en te drinken en daarom begaf hij zich onverwijld naar de kazerne.

    Hij waarschuwde den adjudant en binnen een kwartier kwam er een patrouille aan,bestaande uit acht manschappen,aangevoerd door een sergeant. Deze,bij de Wellen aangekomen,begon te twijfelen aan de waarheid des lichtwachters beweren,maar op diens herhaald aandringen en waarschuwing,er anders “rapport van te zullen opmaken”,Kregen de manschappen bevel,zich in de richting te begeven,vanwaar het geluid kwam. Dat ging schoorvoetend,want de mensen bevonden zich op voor hen vreemd terrein. Maar toen de sergeant zelf mee ging,deed ieder zijn plicht.

    Maar met welken uitsag!

Drie van de acht,benevens de sergeant lagen in de vieze moddersloot,eer ze recht wisten,waar ze waren en krabbelden tegen de wal op. De andere vijf bleven voor de sloot staan,terwijl de “deserteurs”, onraad bespeurend,het op een lopen zetten en voor’t merendeel in de sloot terecht kwamen.

’t Was een verward geloop en gescharrel in het hoge gras,waarbij het niet aan humor ontbrak.’t Eind van de zaak was,dat de sergeant en vier manschappen zijner patrouille zich weer bij elkaar voegden;het overige deel met de deserteurs waren gevlogen. De lichtwachter werd onthaald met een vloed van scheldwoorden,waaraan hij zich echter niet stoorde.

    ’s Morgens vond men de vermisten terug op een kamp grasland in de Broeksteeg,vanwaar ze met een wel uit 20 manschappen bestaande patrouille naar de kazerne werden gebracht. Dit ging gepaard met heftig verzet.

    Temidden van al die drukte deed één man steeds vrolijk en welgemoed zijn plicht. Die man was onze bekende Lutjes,bijgenaamd Disco. Als oppasser van des kolonels paard-een oud trouw dier-zag ik hem dikwijls met bewondering na. Kwam hij met het paard bij een goot,dan weigerde het beest zijn poot op te lichten. Disco omvatte dan eerst den linker poot,plaatste dien er over;vervolgens omvatte hij den rechtervoorpoot,en plaatste dien naast den vooruit gezetten linkerpoot;daarop bracht hij heel bedaard zijn hand aan’t gebit en zo leide hij den ouden viervoeter door de straten.

    Die kalme bedaardheid temidden van zoveel drukte heeft ieder getroffen.

XXXXXXX

   

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *