Het Putter- en Sprielderbosch.

 

 

Het

Putter – en Sprielderbosch.

 

Tusschen Putten en Garderen, westwaarts van den straatweg van Amersfoort en Harderwijk, liggen het Putter – en het Sprielderbosch. Wie het Putterbosch bezoekt, moet niet verzuimen de zoogenaamde Hunnebedden in oogenschouw te nemen. Met de Drentsche Hunnebedden hebben zij niet anders dan de naam gemeen, maar zijn toch, evenmin als deze, van het volk der Hunnen afkomstig. Zij bestaan uit ronde uithollingen van den grond, omgeven door eenen kleine ophooging, waarin zich urnen bevinden, en wel van ruwe bewerking, niet in het vuur gebakken en grijs van kleur. Ze zijn met boschbeziënstruiken en eikenschaarhout begroeid.

Een weg, bekend onder den naam van de Malen-beuken-laan, voert, langs een flaauw afhellend pad, naar eene opmerkenswaardige plek, het Solsegat of Heidensdal genoemd. Het heeft, van het noorden naar het zuiden, eene lengte van 90 schreden, bij eene breedte van 30 schreden. De bodem bevat een blaauwachtig leem; ook is er een bron van zuiver water, waar de, hier nog niet zeldzame, herten en reeën den dorst komen lesschen. Deze bekoorlijke plek is aan de oostzijde met fraaije beuken en aan de westzijde met eikenboomen omgeven. Over den grond zijn een menigte brokken van zandsteen en schilfer verspreid.

Sprielderbos

De benaming van Solsegat zou reeds doen vermoeden, dat men zich hier op een plaats bevindt, die oudtijds aan de heidenschee eredienst was gewijd en waar bepaaldelijk de zon werd aanbeden, zooals daarvan in ons land ook elders de sporen worden gevonden. Hetgeen dat vermoeden versterkt is de overlevering, dat hier in vroegere eeuw een kerkgebouw heeft gestaan, terwijl de oudste christelijke tempels, zoals men weet, gemeenlijk gesticht werden op plaatsen waar vroeger aan de Goden werd geofferd; ook is het opmerkelijk, dat hier in latere tijd en zoo lang de geheugenis reikt, de maalmannen of deelgeregtigden in het bosch hunne vergaderingen hielden.

In den zomer wordt het Solsegat op zon – en feestdagen, door stedelingen en anderen uit den omtrek, druk bezocht. Het gezin, doorgaans met rijtuig aangekomen, vleit zich neder op het koele gras, de mand met voorraad wordt geopend en op een open plek, onder de schaduw van het statig geboomte, het landelijk maal in eenvoudigheid genuttigd. Meestal zijn dan de boschbeziën tot rijpheid, en het blaauw aan handen, lippen en tong getuigt van de graagte, waarmede die vrucht, hier door de natuur in kwistigen overvloed voortgebragt, door die leden van het gezelschap, welke de kinderjaren niet ontwassen zijn, opgezocht en genoten wordt.

Waar het Sprielder- aan het Speulderbosch grenst is een laagte, onder den naam van het Bambergsche gat bekend. Men verhaalt, dat een schaapherder, Bamberg genoemd, niet tevreden met de verdeeling van zijnen tijd tusschen het weiden van het wollig vee en het breijen van kousen, onder het dolen op de ruime heidevlakte, zijn verlangen naar standsverwisseling niet kon bedwingen en zelf een einde aan zijn leven maakte. Het lijk van den ongelukkige werd op het kerkhof van het naburig Garderen aan de aarde toevertrouwd. Maar de christelijke gemeente van Garderen, den man geen eerlijke begrafenis waardig keurende, kwam hiertegen in verzet: de kist werd bij nacht opgegraven en in regtopstaande houding voor de deur van den schoolmeester-doodgraver neergezet. Daar deze echter niet gezind was om dit geschenk te aanvaarden, besloot men het lijk op de heide te begraven. Maar hiermede konden nu de oude beroepsgenooten van Bamberg zich niet vereenigen; misschien beducht, dat de geest van hun kameraad daar rondwaren zou. Zij dolven dus de kist weder op en  – opdat de naam der gemeente, waar het ontzielde ligchaam rustte, niet met zekerheid bepaald zou kunnen worden – werd het nu juist op de scheiding van Ermeloo en het Sprielderbosch onder de aarde bedolven, in de laagte die daarvan sedert den naam heeft gedragen.

Het Putterboch was reeds in de negende eeuw onder dien naam bekend. Het Sprielderbosch, dat er onmiddellijk mede samenhangt, werd in 1597 met het Putterbosch onder één beheer gebragt. Beiden te zamen beslaan eene uitgestrektheid van ruim 900 bunders, waarvan weinig meer dan 360 bunders tot het eigenlijke Putterbosch behooren. Het bestaat grootendeels uit eiken akkermaalshout; maar sommige gedeelten zijn opgaande eiken en beuken bezet, die, nog in hunnen natuurstaat aanwezig, geen blijk van aanplanting door menschen vertoonen en er het voorkomen van een oorspronkelijk of oerwald aan geven.

Het Putterbosch bevat zestig aandeelen (deilingen), waarvan er zeven aan het bosch zelf in eigendom behooren, zoodat de opkomsten daarvan in de gemeenschappelijke kas verblijven. Het Sprielderbosch is verdeeld in vier en veertig hoeven, ieder gelijkstaande met drie deelingen. Eigenaren zijn de maalmannen en malen, benamingen waarvan de oorsprong in de hoogste oudheid moet worden gezocht en die tot hiertoe nog niet genoegzaam opgehelderd schijnt. Om maalman te kunnen zijn, verschijnt men, eigenaar geworden zijnde van een deeling of eene hoeve, op de malenspraak, de vergadering der maalmannen, en geeft den wensch te kennen, om als zoodanig erkend en toegelaten te worden. Vroeger werd hierin niet altijd zonder bezwaar toegestemd. Voor ruim een halve eeuw namelijk bezat het bestuur van het Putterbosch de bevoegdheid om ieder te weren wien het niet als maalman wilde toelaten. Men vroeg hem dan den prijs dien hij besteed had om in het bezit van een aandeel te geraken, en voor het geval dat men hem niet wilde erkennen, werd hem die prijs uitbetaald. Hiermede moest hij zich vergenoegen, en zijn eigendomsregt ging daarmede aan het bosch over. Wel zocht de kooper, daar geen tegenspraak baatte, den aankoopsprijs zoo mogelijk geheim te houden, daar bij voorb. Een aandeel in het bosch met een elders gelegen stuk lands in éénen koop te bevatten; maar zelden kon men hiermede zijn doel bereiken, want het bestuur deed dan het een zoowel als het ander waarderen, en bepaalde, na aftrek der waarde van het elders gelegen grondstuk, die van het tegelijk aangekochte deel in het bosch. Later werd deze maatregel vervangen door de bepaling, dat slechts een beperkt aantal eigenaren als maalmannen zou kunnen worden toegelaten. De nieuw aankomende eigenaars moesten dan wachten, totdat, door het overlijden van een maalman, door den verkoop van diens aandeel of door andere oorzaken, eene plaats openviel. Maar ook deze bepaling is vervallen, zoodat thans ieder als maalman wordt toegelaten, die in het Putterbosch eene deeling of in het Sprielderbosch eene geheele of ook maar eene halve hoeve bezit.

Het beheer dezer bosschen berust bij holtrigters. Zij zijn twee in getal, moeten deelhebbers in beide bosschen zijn en worden verkozen voor den tijd van vier achtereenvolgende jaren, zoodat telkens om de twee jaren een hunner aftreedt, die echter terstond weder verkiesbaar is. De keus geschiedt door de malen of deelgeregtigden, en wel, sedert het jaar 1849, bij besloten en ongeteekende briefjes, terwijl vroeger een hoofdelijke en mondelinge stemming plaats had, die toen wegens de daaruit meermalen ontstane moeijelijkheden afgeschaft is. De holtrigters worden in hun beheer bijgestaan door drie gecommitteerden, van welken er één door de maalmannen van het Putter-, en twee door die van het Sprielderbosch verkozen worden. Even als de holtrigters worden zij voor een tijd van vier jaren verkozen en zijn bij hun aftreden terstond weer herkiesbaar.

schilder Kees Kleijer Putterbos

De holrigters beschikken alles wat ten nutte van het Putter- en Sprielderbosch moet gedaan worden. Zij bepalen, welke gronden omgespit of op nieuw ingepoot moeten worden; den aanleg van nieuw plantsoen, den houthak, het snoeijen van boomen, het bewerken van nog niet ontgonnen heidegrond enz. Dat door dit een en ander aan vele handen werk wordt verschaft en de hieruit ontstaande gelegenheid tot verdiensten vooral in den winter niet onbelangrijk is, valt ligt in het oog.

De gecommitteerden beraadslagen over alle zaken, die de belangen van het bosch betreffen, voor hetwelk zij verkozen zijn. Als de zaken, die overwogen worden, op de belangen van beiden bosschen in ’t gemeen betrekking hebben, dan vormen allen, holtrigters en gecommitteerden, een vereenigde vergadering. Bij staken van stemmen wordt de zaak verdaagd tot op de bijeenkomst der malen.

Op den laatsten dinsdag der maand Augustus worden de maalmannen ter maalspraak opgeroepen. De malen, die wel medeëigenaars, maar niet als zoodanig bij het bestuur van het bosch erkend zijn, worden niet mede opgeroepen, maar wel ter vergadering toegelaten, om hunne belangen voor te dragen of klagten en bezwaren mede te deelen; ook wordt hun het regt van stemming niet vergund. De vergadering, die door het luiden der groote dorpsklok aangekondigd wordt, werd voormaals bij het Solschegat onder de boomen gehouden; maar sedert het jaar 1606 heeft dit plaats in het kerkgebouw. Eerst worden de belangen van het Putterbosch behandeld, daarna die van het Sprielderbosch; ten laatste die, welke het gemeenschappelijk beheer der beide bosschen betreffen. Met gemeen overleg wordt vastgesteld, wat in het aanstaande jaar gehakt en verrigt zal worden; de rekeningen der holtrigters werden afgehoord; de aftredende holtrigters en gecommitteerden worden op nieuw ingekozen of door anderen vervangen enz. Met een gemeenschappelijken maaltijd wordt deze vergadering besloten.

Acht dagen na deze maalspraak komen de bestuurders en maalmannen op nieuw te zamen, om in het Putterbosch de deelingen te maken. Bij deze gelegenheid genieten zij zoogenoemd presentiegeld, echter alleen voor zoo ver zij zich ook op de vergadering in Augustus hadden laten vinden: die dáár niet tegenwoordig waren worden hier niet toegelaten. – Gezamenlijk begeven zij zich nu naar het bosch, waar de holtrigters door hunne boschwachters de plaats doen aanwijzen, waar het tot deeling bestemde hout op stam staat. Twee maalmannen hakken dan een klein stuk schors van iederen boom die vallen moet, hetgeen men vlekken noemt. Zij worden gevold door twee anderen, gewapend met een gekromden of getanden bijl, waarmede een herkenningsteeken in den gevlekten boom wordt geslagen. Daarop volgen ten derden male twee maalmannen, die de berekening maken, dat ieder deelgeregtigde 600 tot 1000 stuks groothout (perceelhout) in zijn aandeel vindt. Tien deelen worden dan te zamengevoegd, zoodat de zestig deelingen, uit welke het Putterbosch bestaat, tot zes tientallen gebragt worden. Deze worden vervolgens bij loting aan even zooveel tientallen van eigenaren toegewezen, die daarna het hun ten deel gevallen tiental weder onder elkander verloten, zoodat ten laatste ieder zijn juist aandeel verkrijgt.

Op gelijke wijs worden den volgende dag de hoeven in het Sprielderbosch ( ieder 3000 stuks groothout inhoudende) eerst in vier elftallen verdeeld en deze vervolgens onder de maalmannen bij loting verdeeld.

Ieder deelhebber is bevoegd, met het hem toegekende aandeel naar welgevallen te handelen: hij kan het op stam verkoopen of voor eigen rekening doen vellen.

Met het stijgen van de prijzen der vaste goederen gedurende de laatste jaren, hebben die van de deelingen in het Putter- en van de hoeven in het Sprielderbosch gelijken tred gehouden. Een deeling in het putterbosch, die men voor dertig of veertig jaren met weinig moeite aankocht voor 150 gulden, wordt thans met 1000 gulden en meer betaald; een hoeve in het Sprielderbosch, die toen 1000 gulden gold, is thans naauwelijks voor 2700 of 2800 te verkrijgen. Voor deze gunstige uitkomst is men ongetwijfeld dank verschuldigd aan het zorgvuldig en wijs beheer van hen, aan welke in de laatst verloopen jaren de belangen dezer bosschen toevertrouwd waren; maar vooral moet hierbij in rekening worden gebragt de verbetering, welke de middelen van gemeenschap, in den aanleg van straat- en kunstwegen, door de ijverige bemoeijingen van het gewestelijk bestuur ondergaan hebben, en waardoor het vervoer van hout, vroeger uiterst bezwaarlijk, gemakkelijk en minder kostbaar, en alzoo de toegang tot zee en rivieren, en verder naar voordeelige marktplaatsen, geopend is geworden. Voor den welstand der arbeidende klasse, evenzoo als voor de geërfden, laat zich hieruit, bij voortgaande beschaving, een nog beter toekomst voorspellen.

H.G. Haasloop Werner.

Geldersche Volks-Almanak 1863.

hendrik van grietjen

 

Dit bericht was geplaatst in H.G. Haasloop Werner..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *