’s Heeren Loo door J.Kruisinga.

hendrik van grietjen

Harderwijk, 1893.

 

’S HEEREN LOO

Door

  1. KRUISINGA.

 

’s Heeren Loo – oudtijds ook St. Jans Dal geheeten – gelegen aan den ouden zoogenaamden Nijkerkerweg, op een uur afstands zuidelijk van Harderwijk, is nog een overblijfsel van een klooster of godshuis der Johanniterorde, welke een der eerste geestelijke ridderorden was, die tijdens de kruistochten ontstonden.

Reeds vóór dat deze ondernomen werden, hadden omstreeks 1048 eenige kooplieden uit Amalfi te Jeruzalem een kerk of klooster gesticht, waaraan tevens een aan Johannes den Dooper gewijde kapel en hospitaal werden verbonden, bestemd om zieken en in het bijzonder pelgrims op te nemen en te verzorgen. Als gevolg der kruistochten, waardoor duizenden van alle natiën naar het Heilige Land trokken, nam die inrichting steeds in bloei toe en breidde zich hoe langer hoe meer uit, waartoe zij voornamelijk in staat gesteld werd door de vele giften, die zoowel uit Palestina zelf, als uit Europa haar roestroomden.

Aan Johannes den Dooper als beschermheer of schutspatroon toegewijd, werden de monniken, die verplicht waren zieke en arme bedevaartgangers te verzorgen, Johanniter- of Hospitaalbroeders genoemd. Zij hadden tot zinnebeeld een achthoekig wit kruis op een zwarte mantel. Onder hun eerste opperhoofd Gerhard Tonque werden hun omstreeks 1100 de rechten van een orde verleend, die in 1113 door Paus Pachalis II beter geregeld en daarna bevestigd werd; o.a. gaf hij hun het recht zelf hun opperhoofd (grootmeester) te kiezen.

In 1118, onder den opvolger van Gerhard Tonque, Raimund du Puy, werden de leden der orde in 3 klassen verdeeld, n.l. in ridders, die tegen de ongeloovigen streden en de pelgrims beschermden; in priesters, die in den eeredienst voorgingen, en in dienstbroeders, die de zieken en vreemdelingen verpleegden en verzorgden.

Op die wijze ontstond de beroemde orde van de gastvrije ridders van St. Jan van Jeruzalem, die zich later na het verlies van Palestina, op het eiland Rhodos en vervolgens op Malta vestigden, waarna zij ook Malteser – Ridders genoemd werden.

Behalve de bezittingen in Palestina zelf, namen door de kruistochten niet alleen het aantal leden dier orde toe, maar ook voornamelijk de giften en geschenken, welke hen zoo van den Paus als van Vorsten werden gegeven, zoodat hunne goederen allengs ook in andere landen vermeerderden.

De grootmeester stond aan het hoofd der orde; onder hem de beheerders der tongen of natiën en vervolgens de bestuurders der afzonderlijke huizen of stichtingen ( commanderijen), die den naam droegen van commandeurs. Behalve enkele anderen in ons land, bezat die orde twee commanderijën op de Veluwe. Een van deze was te Arnhem gevestigd; de andere nabij Harderwijk en werd St. Johannesdal, St. Jans Dal of ’s Heeren Loo genaamd.

Hoewel de tijd der stichting van dat klooster niet met zekerheid kan worden opgegeven, behoorde het in begin der 14de eeuw reeds tot de bezittingen der Johanniter-orde, zooals blijkt uit een brief van graaf Reinald, waarbij deze eenige goederen aan die orde schonk en bepaalde, dat te Staveren op de Veluwe – waartoe ook het goed te Loo ( St. Jans Dal geheeten) behoorde – door de Johanniter broeders de eeredienst verricht zou worden.

Die Johanniters-broeders of Heeren stonden onder het Catharijne-Godshuis te Utrecht, en nadat een der commandeurs van de balie der orde aldaar Rutger Pauwels, aan het klooster te ’s Heeren Loo veel eigendommen had geschonken, werd spoedig daarop het gesticht meer geregeld. Blijkens den in 1403 gegeven stichtingsbrief ( zie Schrassert. Hardervicum antiquum deel I blz. 41.) werd bepaald, dat de inkomsten van St. Jans Dal met die van den Kallebroek – gelegen tusschen de dorpen Hoevelaken en Voorthuizen – zouden vermeerderd worden, dat er zich een commandeur zou vestigen met 8 of 10 personen, ridders van Malta uit de aanzienlijksten van den lande, ten einde daar een geestelijk leven te leiden, overeenkomstig de instelling der Johanniter-orde.

Behalve de hof Kallenbroek, bezaten de ridders ook in de stad Harderwijk woningen tegenover het vrouwenklooster van St. Catharina, waar zij soms een gedeelte van de winter doorbrachten.

De eerste commandeur is geweest Gerrit Nagel in ’t jaar 1406, die achtereenvolgens door anderen werd vervangen. Tijdens het bestuur van Nicolaas van der Aa – in 1451 als commandeur opgetreden – scheen er een kwestie te zijn voorgevallen met het opperhoofd te Utrecht over het niet betalen der jaarlijkschen respons, bestaande in 80 gouden Rhijnsche guldens. Die zaak is echter spoedig in der minne geschikt, want niet alleen werd aangeboden de achterstallige schuld te voldoen en verder af te rekenen, doch op nieuw werd door den commandeur erkend, dat ’s Heeren Loo ondergeschikt was aan Utrecht.

Nog gedurende een eeuw volgden de verschillende commandeurs elkander op; met den laatste van hen, Joachim van Speulde, die in 1558 als zodanig optrad, schenen ook de dagen van het klooster ’s Heeren Loo geteld te zijn.

Hoewel hij aanvankelijk nog op steun van den stadhouder van den Koning van Spanje in Gelderland kon rekenen, deed zich weldra in deze provincie ook de tegenstand tegen het Spaansche juk gevoelen; de hervorming breidde zich ook op de Veluwe uit, de oude eeredienst werd verlaten en met het opheffen der kloosters moesten hunne bezittingen aan den staat vervallen.

In dit lot moest ook het St. Jans Dal of het Godshuis te ’s Heeren Loo deelen; het hof van Gelderland schreef de regeering van Harderwijk aan, dat zij den bevelhebber van ’s Heeren Loo zou aanzeggen, dat hij het bewind zijner goederen verlaten en zich met eene jaarlijksche toelage tevreden moest stellen.

Ofschoon van Speulde niet verkoos de goederen vrijwillig te verlaten en er zich zelfs op beriep zich tot zijn Overste, den voogd van St. Catharina te Utrecht en verder tot den Prins van Oranje te zullen vervoegen, heeft die tegenstand hem niets geholpen.

Utrecht nam de goederen van Kallenbroek tot zich, en Harderwijk die van ’s Heeren Loo, dat spoedig daarna ontruimd werd. Door metselaars, van wege het hof van Gelderland daarheen gezonden, werden in 1599 niet alleen de gebouwen vernield, maar ondergingen ook de beelden, reliquiën, altaren en andere voortbrengselen van kunst hetzelfde lot. Het gebouw van St. Jans Dal werd geheel geslecht, met uitzondering van een steenen poort, die nog lange tijd is blijven staan en waarvan ook nu nog een gedeeltelijk overblijfsel is te vinden. In aantekeningen van W. van Speulde – berustende op het archief der stad Harderwijk – komt voor, dat bij het optrekken van den zeemuur aan het westeinde dier stad in het begin der 17de eeuw, o.a. de beelden van steen, gehaald uit St. Jans Dal of ’s Heeren Loo, onder de grondslagen van dien muur gelegd zijn; waarom de Roomsch Katholieken destijds verhaalden, dat het beschadigen van dien muur door zeestormen nimmer zou ophouden.

Wie weet wat daar nu nog te vinden is?

veiling altaarstuk

Toch schijnen ook de ridders van St. Jans Dal de in hun oog voortreffelijke stukken, door die te begraven, aan het vernielend geweld te hebben willen onttrekken, want pl.m. 50 jaar geleden werd door den toenmaligen eigenaar, wiens geslacht het landgoed ’s Heeren Loo reeds 1 ½ eeuw bezat, den bezoeker een altaar stuk getoond, dat, in een met een verguld kruis gemerkte kist besloten, in het begin der vorige eeuw daar opgegraven werd. ( Dat altaarstuk bevindt zich thans in het bezit van Mej. A.M. de Meester te Baarn ). Het hoofdonderwerp van dit altaarstuk stelt het laatste Avondmaal voor, in een soort van zacht, wit marmer gebeiteld; het oogenblik is gekozen, waarop Jezus, de bete broods in gedoopt hebbende, die aan Judas wil overreiken; deze laatste is kenbaar aan de aan zijn gordel afhangende beurs. Het geheele tafereel is gevat in een houten rand en rust tegen een houten paneel; ter weerszijden van dien houten rand staan Korinthische kolommen van marmer, waartegen houten ornamenten bevestigd zijn, saters voorstellende, die met een der pooten rusten op een vrouwelijke sphinx.

Het lofwerk boven het hoofdtafereel is van marmer; daarboven bevindt zich een groot houten versiersel, omvattende in het midden eene in marmer gebeitelde voorstelling van Maria, op wolken zittende, met het kind Jezus in den arm; naast haar staat een jongeling met een lam aan de zijde, wellicht Johannes de Dooper. Naast deze voorstelling zijn twee marmeren beeldjes op voetstukken geplaatst, terwijl het overige van het houten versiersel uit denkbeeldige dieren en engeltjes en uit lofwerk bestaat.

altaar 's Heeren Loo(1)

Onder het hoofdtafereel bevindt zich een marmeren bas – relief, waarschijnlijk de terugkomst van een ridder uit den strijd voorstellende; aan de poort van het klooster wordt hij door een geestelijken broeder ontvangen; die hem met ververschingen te gemoet komt; overgens ziet men nog het gewoel van den strijd.

Het marmeren werk in het altaarstuk moet tot vrij hoogen ouderdom opklimmen en wellicht behoord hebben tot de rijke geschenken, waarmede bovengenoemde Commandeur Rutger Pauwels het St. Jans Dal begiftigde.

steenen poort (2)

Na het slechten der gebouwen van ’s Heeren Loo is op de puinhopen een boerenwoning verrezen; de steenen poort, waarvan nog een gedeeltelijk overblijfsel is blijven bestaan, is tot eene kleine woning ingericht.

Die poort draagt in haar bouw alle kenmerken van hoogen ouderdom. Boven in de gevel bevind zich nog eene voorstelling van het hoofd van Johannes den Dooper op een schotel, in steen gehouwen. De beeltenis van het hoofd verheft zich geheel buiten de grondvlakte van de steen; gelaatstrekken zijn niet te onderscheiden, omdat het aangezicht geheel geschonden is.

Van tijd tot tijd worden op het terrein van ’s Heeren Loo nog overblijfselen gevonden die aan den kloostertijd aldaar doen denken. Omstreeks 30 jaar geleden wilde de bewoner der boerderij zijn tuin verlagen, bij welke gelegenheid een menigte doodshoofden en beenderen tevoorschijn kwamen, waaruit men de gevolgtrekking kon maken, dat men met een voormalige begraafplaats der Johanniter – ridders te doen had. Ook moet er , naar men zegt, een onderaardsche gang bestaan tusschen het klooster van ’s Heeren Loo en dat van Emmaus, dat pl.m. 100 M. zuid-oostelijk gelegen was en later ook in een boerenwoning is veranderd.

’s Heeren Loo is na de verandering, die het ondergaan heeft, telkens van eigenaar verwisseld. De Harderwijksche familie de Meester schijnt het ruim 1 ½ eeuw bezeten te hebben; na dien tijd is het door den Heer Mr. Baron Nahuijs  ( gewezen Commissaris des Konings in Overijsel) gekocht, die er een heerenhuis met stalling en koetshuis liet bouwen, hetwelk nu nog bestaat.

Tot 1883 bleef het in bezit van die familie; in ’t laatst van dat jaar, na het overlijden van Mevrouw Nahuijs werd ’s Heeren Loo met alles wat er aan verbonden was in veiling gebracht. De heeren Huisman en Termaat te Harderwijk werden eigenaren van het geheel en behielden dit een jaar lang, toen het heerenhuis, stalling en koetshuis, de daartusschen gelegen boerenwoning, benevens het aangrenzend geboomte en de moestuin, alles ter grootte van 6 H.A., bij verkoop overging in handen van den Heer Jhr. Sickinge, die het met zijn gezin bewoonde tot 1890.

In dat jaar verkocht deze het aan den Heer M.J. Chevallier te Ermelo, door wiens bemiddeling het landgoed ’s Heeren Loo in bezit kwam der Vereeniging tot opvoeding en verpleging van idioten en achterlijke kinderen, welke vereeniging erkend is bij Kon. Besluit van 3 Maart 1891.

Hoe was het n.l. te voren gesteld met die ongelukkige wezens?

Bekend is zeer zeker, dat Ds. Koetsveld de man geweest is, die er den stoot toe gegeven heeft om in 1855 hier te lande en wel te ’s Gravenhage een idiotenschool op te richten, waar een bepaald aantal van die stumperds kon worden opgenomen. Iets meer van dien aard bestond in ons land niet.

Toen evenwel in 1884 een andere wet op het krankzinnigenwezen tot stand kwam, waarbij idioten aangemerkt werden als behoorende tot krankzinnigen, kon de idiotenschool op den voet zooals zij was, niet langer blijven bestaan. Zij, die daarvoor in de termen vielen, gingen over naar de krankzinnigengestichten, terwijl de jongeren nog een tijd lang in die school opgenomen bleven of teruggegeven werden aan de diaconiën der gemeenten, waar zij thuis behoorden.

Bij de kerkelijke beweging in 1886 was het voornamelijk Ds. W.v.d. Bergh te Voorthuizen, wiens oog gevestigd was geworden op den ellendigen toestand van enkele diaconiën, aan wie o.m. ook de verzorging van idioten en achterlijke kinderen was toevertrouwd.

Hij is dan ook een van de eersten geweest, die daarin verbetering wilde brengen, die er op uit was om te doen begrijpen, dat men zich meer het lot dier ongelukkigen moest aantrekken, en dat er onder de jeugdigen vooral van dat soort nog wel velen waren, bij wien verbetering mogelijk was.

Zich met nog enkele andere heeren daartoe aansluitende, is op die wijze langzamerhand de Vereeniging ontstaan waarvan boven sprake is. Evenals voor krankzinnigen stond bij haar ook op de voorgrond de nieuwst ingerichte verpleging, het zoogenaamd paviljoenstelsel, in te voeren.

Door aankoop van ’s Heeren Loo zou zij daartoe in staat gesteld worden. Dit buitenverblijf, eenigsinds verscholen tusschen hoog en eeuwenoud geboomte, met heerlijke wandelingen, welke het tot een recht landelijke plaats maken, is per Centraalspoor zoowel van de stations Harderwijk als Ermeloo – Veldwijk af binnen een half uur te bereiken. Van laatstgenoemd station is evenwel de Officieele weg.

Gaande langs de zich daar bevindende inrichting voor zenuwlijders, “ Rustoord” genaamd, duiden verder een vijftal handwijzers voorzien van den naam “ ’s Heeren Loo “, de richting aan van den te volgen weg, zoodat deze zeer makkelijk te vinden en het buiten  spoedig bereikt is. Het hek binnengaande komt men weldra voor de 4 á 5 M. breede gracht, die zich rondom het landgoed bevindt en die nog aan den kloostertijd doet denken. Langs een oud tuinhuisje, thans bestemd tot timmermanswerkplaats, verleent een brug over die gracht toegang tot het terrein van het hoofdgebouw, aan welks noordzijde de boerenwoning staat, die tegen de oude steenen poort is aangebouwd en nu tot woning van den tuinman dient. Op 10 á 12 M. afstand daarvan bevindt zich het oude koetshuis met stalling, thans tot school en ziekenkamers ingericht.

Reeds in ’t laatst van 1890 werd ’s Heeren Loo betrokken; aanvankelijk werd het hoofdgebouw in gebruik genomen. De heer F. Kortlang J Ezn. , als Secretaris – Directeur der Vereeniging benoemd, vestigde zich met zijn gezin in een der vleugels, terwijl de overige localiteit ingericht werd tot opneming van 20 kleine jongens en 3 verpleegsters.

Aangezien al spoedig de aanvragen tot opneming vermeerderden, werd kort na het gebruik nemen van het hoofdgebouw de behoefte gevoeld om de inrichting uit te breiden. Nadat daarvoor een leening gesloten was, werd in den zomer van 1891 besloten tot het bouwen van 2 paviljoenen. Met krachtige hand werd het werk begonnen en reeds 1 November van dat jaar konden die beide gebouwen geopend worden.

Het oostelijke is ingericht tot opneming van 36 meisjes, het andere voor 16 groote jongens; behalve de woon- en slaapvertrekken, vindt men, evenals in het hoofdgebouw, in beide paviljoenen provisie- en linnenkamer, keuken en flinke badkamers. Bij het bezichtigen van die paviljoens treft ons reeds dadelijk de flinke en ruime bouworde, de eenvoudige, doch luchtige, frissche en door netheid en zindelijkheid uitmuntende zalen, welke beneden tot woon- en boven tot slaapkamers dienen, zoowel voor de patiënten als voor de verpleegsters en verplegers. Van deze laatsten bevinden zich in het groote paviljoen 1 hoofdverpleger en 5 verpleegsters, aan wie de verzorging en verpleging dier ongelukkige wezens is toevertrouwd; met volle toewijding wordt door hen dat alles verricht, zoodat men gerust kan zeggen, dat zij dit niet alleen uit zucht naar loon doen.

hoofdgebouw (3)

Het kleine paviljoen, bestemd voor de opneming van 16 jongens is op dezelfde wijze ingericht; hierin bevinden zich een hulponderwijzer –  hoofdverpleger, 1 verpleger – schoenmaker en 1 verpleger – tuinman, die al het mogelijke doen om hun minder bedeelde natuurgenooten het leven zoo aangenaam mogelijk te maken. Bezigheid en afleiding te bezorgen zijn twee voorname middelen, die bij die ongelukkigen doel kunnen treffen, en al worden slechts bij enkelen goede resultaten verkregen, toch is het een groote voldoening, dat ze waargenomen worden. Voor de kleine kinderen heeft men blokkendoozen, kegelspelen enz. en behalve de speelplaats voor het hoofdgebouw en voor het kleine paviljoen, waarop zich wip, schop, rekstok enz. bevinden, treft men bij elk paviljoen een of meer omheinde speelplaatsen aan, waar allen bij gunstig weder een groot gedeelte van den dag, onder behoorlijk toezicht, doorbrengen.

Van uit het kleine paviljoen op zijde langs het hoofdgebouw gaande, komt men aan het voormalig koetshuis, dat gedeeltelijk in schoollokaal is herschapen en waarvan het andere ingericht is tot drie ziekenzalen, waarover het toezicht voorloopig aan een ziekenmoeder is opgedragen. Een der ziekenzalen dient voor besmettelijke ziekten; tot nu toe is evenwel daarvan geen gebruik behoeven gemaakt te worden.

paviljoen (4)

In den geneeskundigen dienst wordt voorzien door den heer H.M. Numans, Arts, Genees-, heel en verloskundige te Harderwijk, die elken dag en zoo dikwijls zulks in het belang der patiënten noodig is, ’s Heeren Loo komt bezoeken. Het aantal zieken is gering; het aantal sterfgevallen nog minder, zoodat behoefte aan een begraafplaats zich nog niet heeft doen gevoelen; mocht het noodig zijn, dan kan daarvoor gebruik worden gemaakt van het kerkhof bij het dorp Ermelo.

Aan het hoofd van het onderwijs, dat behalve Zon- en feestdagen, dagelijks van 9 -12 en van 2 – 4 uur wordt gegeven, staat een hoofdonderwijzer, die aanvankelijk in het groote paviljoen woonde, doch voor wien later op den oostelijken grens van het landgoed een woning is gebouwd. Bijgestaan door een hulponderwijzeres en door genoemde hulponderwijzer wordt door hem in het dagelijksch onderricht op school voorzien, en opmerkelijk is het de vordering na te gaan, die enkele van die kinderen daarbij aan den dag leggen.

Aan de zuidzijde van het hoofdgebouw de gracht overstekende, bevindt zich de goed onderhouden moestuin, 1 H.A. groot en die meer dan voldoende in de mondbehoeften van de bewoners der inrichting kan voorzien.

Een bakkerij en slagerij zijn nog niet aan het gesticht verbonden; de inkoop van die levensmiddelen heeft te Harderwijk plaats. Ook wordt tot nu toe een waschinrichting gemist; voor dat doel wordt gebruik gemaakt van een der te Vaasen gevestigde wasscherijen en bleekerijen.

Tengevolge van gebrek aan ruimte kan de nog jeugdig bestaande inrichting te ’s Heeren Loo niet steeds voldoen aan alle aanvragen tot opneming. Met het oog daarop hoopt men nog dit jaar de stichting uit te breiden door het laten bouwen van een of meer paviljoenen, welke men voornemens is aan de overzijde van de vijver, die zich voor het hoofdgebouw bevindt, te doen verrijzen.

Voor plaatsing in de inrichting moet men zich wenden tot den Directeur, den heer Kortlang, die ten allen tijde bereid is op alle mogelijke aanvragen de zoo noodige inlichtingen te verschaffen.

Al naarmate de groote van het bedrag der vergoeding kunnen de patiënten verpleegd worden in drie klassen, waarvan de eerste of hoogste klasse nog in tweeën is gesplitst en de derde in drie onderdeelen, waarbij rekening wordt gehouden met den leeftijd der ongelukkige kinderen. Omtrent verdere voorwaarden vervoege men zich tot genoemden Directeur te ’s Heeren Loo te Ermeloo.

En hiermede nemen wij afscheid van ’s Heeren Loo, daarbij den wensch uitende, dat door lezing van het vorenstaande meerdere belangstelling moge opgewekt worden voor eene inrichting, die hoewel eenigzins afgelegen en nog niet voldoende bij het Nederlandsche volk bekend, toch zoozeer in het belang der ongelukkige lijders en lijderessen, welke daar zulk eene uitstekende verpleging en verzorging ontvangen, alle mogelijke waardeering, hulp en steun verdient.

Moge dit zoo worden!

Harderwijk, 1893.

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *