’s Heeren-Loo

 

’s Heeren – Loo.

 

   Onder de geestelijke ridderorden, die tijdens de kruistochten tot stand kwamen, is die van St. Jan de oudste, daar zij reeds van het jaar 1048 dagteekent, toen door eenige bedevaartgangers uit Italië, te Jeruzalem een kapel benevens een hospitaal gebouwd werd ter verpleging van zieke pelgrims.

Ten tijde der kruistochten werd deze orde onder Gerhard, omstreeks 1100, een afzonderlijk genootschap en meer bepaalde ridderorde, die zich daarna zeer beroemd

tempeliersmaakte. Hare ridders kozen “Johannes den Dooper” tot hun beschermer of patroon, en werden daarom “Ridders van St. Jan” of wel “ Hospitaal Ridders” genoemd. Een zwarte mantel met een wit kruis was het teeken dezer orde, welke weldra met groote geschenken, zoo van den Paus als van de vorsten, begiftigd werd, waardoor haar rijkdom en aanzien meer en meer toenam.

Sasso

Na het verlies van Palestina vestigden de Ridders zich op het eiland rhodus en vervolgens op Maltha, waarom zij Maltheser Ridders genoemd werden. Ook in ons Vaderland woonden zij, en het was in het begin der vijftiende eeuw, dat zij zich op de Veluwe metterwoon vestigden, en wel op een uur afstands van Harderwijk, waar zij een klooster stichtten, dat toen tot deze stad behoorde nl. ’s Heeren – Loo of “St. Jans Daal”. ’t Was voorwaar geen arm klooster of godshuis, want het bezat vele landerijen en houtgewassen, waaruit aanzienlijke inkomsten werden getrokken. Het had ook onder zich “den Hof tot Callenbroeck”, tusschen Voorthuizen en Hoevelaken, en ook binnen de stad Harderwijk had het klooster huizen in eigendom. Blijkens de stichtingsbrief, gegeven in 1403, stonden de Janniter – Heeren onder het Catharine – Godshuis, te Utrecht, en daarin werd hun o.a. voorgeschreven: “ gehoorzaam en kuisch te leven, volgens de instellingen, hunner orde, en om Gode te loven met zingen en lezen des nachts en des daags. Voorts moest elk op bepaalden tijd, bij de samenkomsten, de Heilige Schrift lezen en in geestelijke zeden zich oefenen.” Zij ontvingen bij die gelegenheid ook den genoemden ” Hof van Callen – Broeck” met al zijn toebehooren, terwijl de Kommandeur verplicht was, jaarlijks tachtig gouden Rhijnsche guldens aan het Godshuis St. Catrijne te Utrecht te betalen. Deze moesten in twee termijnen voldaan worden: de eene helft op St. Maarten en de andere helft op St. Petrus. Tevens moesten zij de verplichting op zich nemen, om telkens wanneer de visiatoren uit Utrecht kwamen om het klooster te bezoeken, dezen met hunne paarden gastvrij te ontvangen.

Acht of tien eerbare ridders der orde, of meer ook, indien de inkomsten van het klooster toereikend waren mochten er wonen. Het was den Kommandeur verboden, om zonder verlof of toestemming van de Utrechtsche Heeren, iets van goederen, het klooster toebehoorende, te verkoopen. Van tijd tot tijd zijn de Janniter – Heeren ook wel naar Harderwijk getrokken, om daar eenige weken te wonen in een gedeelte der stad het “ St. Jans Dal” geheeten, dat tegenover het Catharina Klooster lag in eene straat bij de “Wal”. St.JanToen er in 1548 een misverstand ontstaan was, tusschen de bewoners van ’s Heeren – Loo en de oppervoogden te Utrecht waren de Ridders beducht voor onheilen en ongenade en zonden daarom hun medebroeder Willem Sas naar Utrecht, om de geschillen bij te leggen en te vereffenen. Daar verscheen deze voor den Domproost, den Heer van Brederode, Jonkheer van Duyvenvoorde en den Oppervoogd van ’t Catharine – Godshuis, Egbert van Foreest, en anderen. Hij bood aan drie eerbare en welgestelde mannen tot gijzelaars binnen Utrecht te stallen, om aldaar te blijven tot de oppervoogd terugkwam, en zoo hem eenig leed of wrevel wedervoer, wanneer hij hun klooster kwam bezoeken, kon hij zich aan deze mannen wreken. Dit schijnt eene geldkwestie geweest te zijn, want er werd al dadelijk aangeboden met hem af te rekenen en de achterstallige schulden te betalen.

Evenwel schijnt het den heeren Ridders niet aan geld ontbroken te hebben, want toen in 1556 de Franciskaner broeders, die toch rijk genoeg waren, de oude, verbrande en bouwvallige huizen aan hun klooster gelegen aan de stad overgaven, om er een “ Weeshuis” van te maken, voegde de Kommandeur Barend ten Stert, eenig geld en een stuk lands daarbij. Dit zal natuurlijk wel met bewilliging der Utrechtsche Heeren geschied zijn.

Dan, de reformatie der kerk brak ook op de Veluwe uit, en wel het eerst te Garderen, waar de ijverige Priester, Jannes Versteeg, alias Jan Geeraerds, of Anastatius de nieuwe leer predikte, en eene menigte toehoorders, die uren ver kwamen loopen om hem te hooren, onder zijn gehoor telde. Al verder en verder verbreidde zich het nieuwe geloof; ook in Harderwijk en omstreken. En toen ook waren de dagen van het klooster ’s Heeren Loo geteld. In 1581 schreef het hof van Gelderland aan den Raad der Stad Harderwijk, dat deze den bevelhebber van ’s Heeren – Loo, Joachim van Speulde, van Hoves wegen zoude aanzeggen, dat hij het bewind zijner goederen zou hebben verlaten, en zich met eenen jaarlijkschen penning tot levensonderhoud te vergenoegen, met bedreiging, om, indien de Joaniter Heeren onwillig waren, ook deze gelden in te trekken. Maar van Speulde, die dezen brief ten overstaan van twee schepenen hoorde voorlezen, verklaarde hierin niet te zullen bewilligen en hij voegde er bij, dat hij, indien men hem durfde ontzetten, zich tot zijnen overste, den voogd van St. Catharina te Utrecht, en voorts tot den Prins van Oranje zou weten te vervoegen en dan te zien, welken uitslag deze zaak aldaar hebben zou. Zijne weigering heeft hem echter weinig gebaat, want de Overheid heeft het woord bij de daad gevoegd; ’s Heeren – Loo werd ontruimd, de beelden en andere versierselen, werden door daartoe gezonden metselaars stuk geslagen en de goederen werden aangeslagen om tot andere doeleinden gebruikt te worden.

Harderwijk profiteerde er bij. Het boomgewas werd niet gespaard; vele boomen van ’s Heeren – Loo werden met bewilliging der regeering omver gehouwen, om tot versterking en onderhoud der stad te dienen. Het Loo verviel. Eene boerenwoning werd er op gebouwd en er bleef alleen maar een steenen poort over.

s`Heerenloo

Het Loo is daarna telkens van eigenaar verwisseld. De Harderwijksche familie De Meester schijnt het eene eeuw lang bezeten te hebben, tot het aangekocht werd door den heer baron Nahuys, comm. Des Konings in Overijsel, die er een villa op liet bouwen, en de gedeeltelijke overblijfselen der steenen poort ongedeerd liet bestaan.

Een zeventig jaren geleden wilde de bewoner der boerderij zijn tuin eenige voeten verlagen en bij het uitgraven kwamen eene menigte doodshoofden en beenderen tevoorschijn. Men begreep toen, dat men eenen tuin had op de voormalige kapel en begraafplaats der Joaniter Ridders.

Het volksgeloof zegt dat er eene onderaardsche gang tusschen de voormalige Kloosters ’s Heeren – Loo en Emaus bestaat. Deze is evenwel nimmer gevonden.

hendrik van grietjen

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *