`s Heerenloo

Eene historische schets

*****

Reeds sedert de vierde eeuw was`t gewoonte geworden om tot heil der ziel en tot boete voor een zondig leven bedevaarten naar Palestina te doen en -de voetstappen van den Heiland,der jongeren en profeten te zoeken-en op de plaats die men voor`t graf van Christus hield te bidden.

De pelgrims!

Gebogen onder den last hunner zonden,meenend door zelfkastijding te kunnen boeten of wel gedwongen door een kerkelijk vonnis maakten ze zich op ter bedevaart.

Den ruigen mantel omgeslagen,blootshoofds en barrevoets vaak,leunend op de pelgrimsstaf trokken ze voort van plaats tot plaats,van oord tot oord,meenigmaal door woeste hindernissen en onherbergzame landstreken,blootgesteld aan allerlei gevaren,tot eindelijk na maanden en maanden het doel van de reis werd bereikt-Jeruzalem-!

Hoe menigmaal echter gebeurde het,dat de arme zwervelingen ziek,uitgeput door allerlei ontberingen,afgemat door vermoeienis aankwamen, aan allerlei ellende ten prooi.Waar vonden ze na zoo lange,bange tocht huisvesting,waar verzorging?

Eenige kooplieden van Amalfi(N.Italië)die een levendigen handel dreven met het Oosten,bewogen met het lot der arme bedevaartgangers stichten omstreeks 1050 te Jeruzalem een hospitaal.

Daar vonden de vreemdelingen huisvesting,de lijdenden en kranken eene liefdevolle verpleging door monniken en priesters,die de gelofte van armoede,kuischheid en gehoorzaamheid hadden afgelegd.

Als herkenningsteeken droegen de broeders op den donkeren pij,een achthoekig wit linnen buis,terwijl in de gevel van het huis prijkte-het hoofd van Johannus den Dooper-dien zij zich tot schutpatroon hadden gekozen.

Naar hem noemde ze zich Joaniter broeders of broeders van St.Jan.

Voorbeeldig kweten de broeders zich van hun taak.Arm naar de wereld,kuisch en in stipte gehoorzaamheid levend,verzorgde ze hunne kranken,terwijl de priesters nauwgezet waar namen ,de plichten van hun Godsdienst.

Zoo werden ze door hun weldadigheid bemind door hunne Godsvrucht geëerd en stonden ze in hoog aanzien bij vriend en vijand.

Vijftig jaar later(omstreeks 1100)toen de ridders en edelen ter kruisvaart togen,bleef de arbeid der barmhartigheid door de Joaniters verricht niet onopgemerkt,integendeel.Vele aanzienlijke heeren vonden het streven zoo loffelijk,zoo verheven het doel,dat ze zich bij hen aansloten,om de christenen ende hare goederen,van de slavernye ende rooveryeder Turken ende Saracenen ende Cursairen door hare wapenen te beschermen.

Al hunne bezittingen schonken zij de orde,die in 1113 door paus Paschalis II erkend werd en daar weldra ook vorsten en heeren deze geestelijke ridderorde belangrijke inkomsten en voorrechten uit de kerken,landerijen en bosschen verzekerden nam ze zeer in rijkdom en aanzien toe.Na de val van`t koninkrijk Jeruzalem werden de Joaniter ridders verdreven.

De Grootmeester vestigde zich op`t eiland Malta en in alle landen waar de orde goederen bezat,ontstonden conventen,die door een commandeur werden bestuurd,die weder stond onder de Overmeester van Duitschland der welcke een Prince des Roomsche Rijk is.Ook op de Veluwe hadden ze uitgestrekt grondbezit en trokken ze niet geringe inkomsten uit bosschen en landerijen.Dit deed de commandeur van St.Catharijnen te Utrecht besluiten eenige broeders toestemming te geven zich daar te vestigen.Zij kozen ter woning een plekje aan den rand van het groote woud dat zich destijds nog over gansch de Veluwe uitstrekte en dat bij Horlo(Hoekbosch)zich verloor in de zeer moerassige oevers der Zuiderzee.

Dat dal,aan den grooten handelsweg van het toen zeer rijke Harderwijk naar Amersfoort en Utrecht,niet ver van de stad noemde ze`tSt.Jansdaal,later`tHeeren Loo.

Wanneer die vestiging plaats had is niet met zekerheid te zeggen.Uit een Giftbrief van Graaf Reinald van Gelre van 1307(de oudste in de Nederduitsche taal,die in Gelderland bewaard bleef)blijkt dat destijds reeds de Broeders der orde woonde –te Loe,dat geheete is sante Johannes dale-.Hij toch schonk aan de Joaniterorde o.m.de inkomsten der kerken van Spankeren en Hengelo op oorwaarden dat in de kapel van het door hem tot stad verhevene Staverden twee priesters en een leekebroeder der orde-alle dagen missen singhen ende Godesdienst duen zouden nadien dat wi es begeren-.Die voorwaarden waren goed omschreven,want ze hadden ook zorg te dragen voor de kapel en moesten de gebreken  daeraneen cleine dine van vensteren of van dake doen beteren op hun kosten tot een bedrag van 5 pond.Wat daar boven ging nam de graaf voor zijn rekening.

Bovendien ontvingen zij eenige mudden koren.

Later is deze dienst,bij de reformatie met de mudden rogge opgedragen aan de kerk van Ermelo.

Ongetwijfeld was het St.Jansdaal toen nog een schamel verblijf,waar slechts broeders van lager rang vertoefden.Eerst recht heerlijk werd het onder den zevende commandeur van den Spiegel.Toen werd door den mildheid van heer Paulus de gansche huizing vertimmerd en aanmerkelijk vergroot en verfraaid met groote kosten.

In den-regel voor St.Jansdaal-wordt hij daarvoor geprezen,omdat hij,als een goed ordebroeder-sonder eygenschap,gehoorsaamlick en kuyselick levend ons Godshuys`t santé Johannesdael bij Harewijck met groote koste van tymeringh,doe hij daar getymertheeft,ind erffenis,ornament,end boecken,die hij daar gekoft heefd end getuyget heeft,heeft versierd.

Het oude poortje,hoe ook verbouwd,herinnert nog door het symbool in den gevel en de schoone lijnen aan den bouwtrant van het geheel.

Was zoo door Pauwels de huizinge deftig ingericht,ook de orde zelf wilde een blijk geven van hare ingenomenheid met de stichting.

In die zelfden-regel-deelt de Grootmeester then Duitschenlande,broeder Hesse Slagenholtz mede,dat met goedvinden van den commandeur der Utrechtsche Balye,Arnt van Doenen,die vroeger commandeur van`t St.Jansdaal was,den hof van Callenbroek met deszelfs molen aan`t Loo toegevoegd worden.

Uit dankbaarheid waren de broeders verschuldigd jaarlijksch 80 goede rijnsche guldens op te brengen,terwijl ze verplicht werden gesteld den commandeur van St.Catharijnen met zijn gevolg en paarden lieffick te ontvangen ind guetlick doen in uytrichten naar onze orde goede gewoonte.

Nu konden de heeren onbezorgd hunne dagen slijten en overeenkomstig den regel der orde:Alsoe,zonder eigendom,gehoorzaam en kuisch levend ind Godes love te doen met singhen en lezen nachts en dages en voorts in allen Goddelicken zeden en ordinantie hen oefenen als geestelijke luden betaamt-.

Hoe het klooster er heeft uitgezien,is niet meer te zeggen.Alleen dit weten we,dat wanneer we van het poortje 35 roeden meten,we den binnenhof bereiken,die het klooster omgaf en welke een ruimte besloeg van 45 roeden in`t vierkant.

Prachtig,rijk moet de inrichting geweest zijn.In de kapel,die stellig met keurig gebrande vensters prijkten stonden drie altaren,door kapelaans bediend,in de nissen een schat van beelden en ornamenten,kostbare altaarstukken,waarvan er omstreeks 1700 een werd opgegraven,dat nog in bezit is der familie de Meester,terwijl de bibliotheek een schat van kostbare boeken en handschriften waren uitgestald.

In de boerderij trof men aan ruime stallingen voor de rijpaarden terwijl de verdere veestapel niet onbelangrijk mag genoemd worden.In 1527 had men o.m.65schapen en 66 ooien met lammeren.De schaapherder trok een lam.

Buiten de gracht op den molenkamp stond tot 1548 de korenmolen.In dat jaar werd hij voor 606 gld.5st.aan de stad Harderwijk voor afbraak verkocht.

Als eene bijzonderheid vermelden we,dat het loon van het werkvolk was 5 stuivers daags.

En de heeren zelf leiden in deze vermakelijke landouwe een prettig leven.

Spoedig vergaten ze hun armoede en zochten ze verstrooing in hun eenzaamheid door ook in Harderwijk een huis te betrekken tegenover het klooster van St.Catharijne,waar de Franciscaner begijntjes,der wereld afgestorven leefden.

In plaats van vrome overpeinzing en Gods lof te zingen nachts en daags weerklonken bij wijnfeestdrank de wanden van vrij wat wereldscher liedekens.

We zouden dit niet weten,indien niet in`t Archief te Harderwijk zich een boekje bevond inhoudende de rekening van ontvangen en uitgaven door Vincent then Stert van Martini 27 tot Petri 1528,uit de uitgaven teekenen wij aan Twaalf gold guldens en zes stuivers aan`t convent St.Catharina,bovendien zes vette ganzen.Onder de inkomsten werd vermeld de uitgangen van verschillende erven,o.a.Livermansere in Tonsel een oud Fransch schilt,Arnt Tymensen van Losenoort twee mudden rogge,Cornelis van Coeth van de rijke vijf mud rogge en 3 goudguldens.

Het hoofdstuk van der heeren nooddruft wijst aan een enorm aantal kannen wijn.Ook zalm was overvloedig,wild minder terwijl ook aan kleeding en uitrusting een aanzienlijk bedrag werd besteed.

Toch,genooten de broeders het vette der aarde,de armen werden niet vergeten.Elke week ontvingen die van Harderwijk ter verdeling 3 mudden rogge in natura of tot brood verbakken.

Niet altijd was de verhouding tot het convent van Utrecht van vriendschappelijke aard.Er waren klachten bij de Balye ingekomen en zoo vinden we in 1485 op de domproostkamer te Utrecht eenige edelen samen.

Engelbrecht van Fooreest commandeur van de Balye van Utrecht voert het woord.Voor hem is verschenen Willem Zas,conventuaal van St.Jansdaal als gevolmachtigde van zijne commandeur Helmich van Speulde.

Hij stelt hem eenige vragen,die beantwoord worden en met waardigheid besluit van Zas zijne verdediging aldus:Ziet heer Commandator,heer,gaat naar ons convent en stelt een nauwkeurig onderzoek in.Gaarne zullen wij den eerbaren rijken man ter gijsel in de stad Utrecht inzetten,zoolang tot gij wederkomt,opdat niemand mag zeggen dat wij ongehoorzaam zijn,hetgeen wij volgens onze privilegies altijd willen blijven.

Hoe dit onderzoek afliep,weten wij niet.

De jaren gingen voorbij.

Het tijdvak en vooral onze goede stad Harderwijk stond met zijne Burgermeester aan`t hoofd in de voorste rijen.

De verhouding tot de verkwistende heeren van St.Jan werd een gansch andere.Zij werd voortdurend meer gespannen.Wel zochten ze steun bij den Stadhouder van Gelderland,die hun zijn bescherming aanbood en hun het recht schonk zijn wapen op de huizen te plaatsen.Wel gaf hij bevel de conventualen niet met eenige lasten of leeningen te bezwaren.

De stadhouder stond machteloos.

In 1580 werden de bosschen die`s Heerenloo omgaven tegen de zin van den commandeur gekapt voor de versterking der stad en teekenend is in den lastbrief van den Hove van Gelderland de toevoeging:-De commandeur en de priesters verkoopen anders het hout en verdrinken het geld of brengen het in onnuttigheid door-.

Zoo zagen zich de heeren van een belangrijke inkomst beroofd.De jaarlijksche houtverkoopingen,naar bepaalde regels gehouden,werden tot in Schrasserts tijd in heel de omgeving gehouden,-naar commandeurs voorwaarden-,dat was een gewoonte of te contune die rechtsgeldig was geworden.

Banger tijd zou echter komen.

Er kwamen predikanten,er verrezen scholen waar de jeugd werd onderwezen naar de schriften.

De Regeering bepaalde,dat in het onderhoud van dezen moest voorzien worden uit der inkomsten der geestelijke goederen waarop beslag werd gelegd.

Een hard gelag voor de Joaniter broeders.

Hard was het voorzeker,doch men zou niet al te hard optreden en hun een jaargeld uitkeeren,waarvan ze stellig in eenvoud konden leven.

Aardig is het te vernemen hoe de stadbode van Harderwijk,die deze jobstijding naar`t Loo moest overbrengen werd ontvangen.Wij zien hem in ambtsgewaad,met de kleuren van de stad,blauw en zilver,aankloppen aan de poort.De poortier opent en geleidt hem tot binnen de groote zale waar alle heeren zwijgend doch met merkbaar klimmende toorn hem aanhooren.

Daar staat de commandeur Jochem van Speulde op.Met de gebalde vuisten op de tafel leunend,den zwarten mantel half over den schouder geslagen.Zóó,dat het blinkend harrenas schitterd,fier,een edelman,voegt hij de bode toe:

Noch nimmer hebben wij ridders van Malta,iets van de regering genoten en wij verkiezen dat ook niet,evenmin als ons convent en de ons toevertrouwde goederen vrijwillig verlaten.Bejegend ons niet strenger dan de andere orden en wanneer ons in ons genot letsel geschiedt,zal ik mij tot mijne overste,de voogd van St.Catharijnen te Utrecht en voorts tot den Prins van Oranje weten te vervoegen ten einde mij als ridder te gedragen en te zien welken uitslag de zaken alsdan zullen hebben.Geloof niet,dat dewijl ieder afvallig is wij de moed niet verliezen.Zeg aan Uwe Regeering,dat alzoo van Speulde,de commandeur van het Maltezer Convent spreekt.

De uitslag was ongunstig voor hem,Utrecht nam Callenbroek en de goederen kwamen aan de stad,doch geen aalmoes van stadswege beliefden de heeren te ontvangen.Ze lieten de jaarpenningen over aan hun bedienden.

Noodgedwongen dropen ze af in het laatst van 1582.Hun sieraden in veiligheid brengende en wat niet vervoerbaar was werd begraven tot betere tijd zou aanbreken.

Nog eens in mei 1599 kreeg het klooster bezoek.

Het was Gijsbert van Leesten,keurmeester van den Hove van Gelderland,met schout en kerkmeesteren,vergezeld van twee metselaars.Weldra dreunden zware mokerslagen.Alle beeldenschilderijen,alles wat aan Rome herinnerde werd gedemolieerd.

Het schoone St.Jansdaal een ruïne.

Wind en regen slaan door de verbrijzelde vensteren.De storm havent het dak.Het muurwerk verbrokkeld en als enkele jaren later de westelijke zeemuur van Harderwijk herstelling behoeft weet men daarvoor geen beter materiaal dan de brokstukken van beelden,dan de steenklompen van St.Jansdaal.Karvrachten worden aangereden.

O,bittere,bittere heiligschennis voor`t Katholiek gevoel.Willem van Speulde merkt dan ook op in zijn –aanteekeningen-,dat de Roomschen destijds verhaalden dat het beschadigen van de muur nimmer zal ophouden.

In 1600 werd s`Heerenloo verkocht,maar daar de stad daartoe de toestemming van het Hof en de gedeputeerden noodig had en deze geen toestemming gaven,was het bezit zeer twijfelachtig.Toch ging men voort.Achtereenvolgens kwamen alle bezittingen onder de hamer.

Eerst 60 jaar later werd echter de koop bekrachtigd en het Loo bleef ruim tweehonderd jaar in het bezit van de familie de Meester.

Eenzaam stond het daar,een verblijf voor uilen en nachtgedierten.

Somber, doodsch.

Geen Horsterboer zou het wagen bij nacht en ontijde langs of over het Loo te gaan.Dan toch zag men een monnik,ja,soms een stoet in processie,gebeden prevelend rond waren en nog heel onlangs vroeg iemand ons:Of dat ijzeren hek `s nachts nog niet gesloten kon worden,zooals in zijn jonge jaren.

Gelukkig,voor rondwarende monniken en hekontsluiters behoeven we niet te vrezen.Ze zijn voorgoed verdwenen toen een vijftig jaar geleden de volgegroeide vijvers en grachten werden opgegraven en verbreed.

Een park werd aangelegd een schoon landhuis verrees waar een adelijke familie den zomer doorbracht.

Dat landgoed werd ons `s Heerenloo.

XXXXXXXXXX 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *