Samenzweerders hoofdstuk 7

 

 

 

Hoofdstuk 7

Samenzweerders

Gosen zeegers bleef middenin de Schoenmakerstraat staan. Er kwam een vrolijke schittering in zijn ogen en voor het ogenblik was hij al de narigheid waarvan Diedel had verteld, vergeten.

Drie jongens deden bok – bok – stavast, zoals hij het vroeger met zijn makkers ook deed. Het waren Claes Knienenberg, Joost Stincturf en Tyme Altegaerse, uit de Vulderstraat. Claes zat op de stoep. Zo deden de jongens dat destijds met dit spel. Tyme stond voorover gebogen voor hem, het hoofd op zijn knieën. Joost sprong op de rug van Tyme en stak twee vingers in de hoogte.

“Pik, olie of graaf,”zei hij.

Zo zeiden de jongens het destijds met dit spel.

Gosen glimlachte.

Wanneer Joost één vinger omhoog stak, was het pik, twee was olie, en de hele hand, dat betekende graaf. Tyme ried mis. Joost liet zich nu op de grond glijden om weer te doen. Gosen deed plotseling een stap zijwaarts.

Toen kreeg Tyme een klap voor zijn achterste, dat het door de Schoenmakerstraat daverde.

“Je had “olie”moeten zeggen, slaapkop,”lachte Gosen.

Toen hij zich omwende om verder te gaan, wierp hij zo terloops een blik in de richting van de Wolleweverstraat, niet met een bepaald doel, zo maar. Toen schoot hij opeens recht en er kwam een peinzende blik in zijn ogen.

Hé, wat deed die vent daar op dit ogenblik?

Onwillekeurig keerde Gosen terug. Arend de Wilde moest nog maar wat wachten.

“Lelijke Geus,”werd er achter hem geroepen, “sla je eigen.”

Gosen hoorde het niet. Hij had zijn gedachten bij veel belangrijker dingen.

De woorden van Diedel spookten weer door zijn hoofd, dat de weesvader en Andrys Roest de koppen bij elkaar hadden gestoken en zaten te smoezen over de verdwijning van de Jezuïetenpater en dat Wege Elbertse daar waarschijnlijk meer van wist. Dat betekende gevaar.

Gevaar voor allen die er bij betrokken waren geweest. In gedachten hoorde hij al sluipende schreden door de Kleine Oosterwijk, langs de herberg van Henrick Hase, zelfs langs het Broerenklooster.

Daar voor hem in de Luttekepoortstraat liep Andrys Roest in de richting van de Luttekepoortstraat.

Zijn argwaan was gewekt. Misschien was het niets en moest Andrys een boodschap voor de vroedschap overbrengen. Maar het kon geen kwaad om te proberen er achter te komen met wie de schout contacten onderhield. Misschien was hij wel op weg naar Wege Elbertse om die eens aan de tand te voelen, zo met een praatje in het algemeen. Andrys Roest had er slag van om iemand met strikvragen in het nauw te brengen. In ieder geval, hij ging achter hem aan.

Een spion werd bespioneerd.

Gosen besefte, dat zij van nu aan wel heel goed op hun tellen moesten passen. Zelfs een kleinigheid kon voor de vijand van belang zijn. En hij  moest proberen uit te vinden, waar het lek zat, dat Andrys Roest op het spoor van de Jezuïet had gebracht.

Zou deze zich nog op huize Ten Ham bevinden? Hij had er sindsdien niets meer over gehoord. Er werd niet over het gebeurde gesproken. Misschien was het verstandig om Brand van Delen te waarschuwen. Je kon niet weten.

In het huis van Jan Theeuwissen in de Luttekepoortstraat hoorde hij het gegons en geklop van de weversspoelen. Daar werd gewerkt en hard ook. De lakenwevers hadden hun bedrijf aan huis en daar kwamen de mensen werken, tot zelfs wel in het woonvertrek toe. Zo was het hier niet, wist Gosen. Het huis van Jan Theeuwissen was een der grootste van Harderwijk.

Jan Theeuwissen was goed voor zijn werkvolk, wat niet van iedereen gezegdkon worden. Hij was nogal bevriend met Mr. Willum Barbier, de chirurgijn in de Bruggestraat. Fijne kerels waren het, allebei.

Maar zo zou Filips II er wel niet over denken. Waarom moesthij nu opeens aan de koning van Spanje denken?

Filips II, een onbetrouwbaar mens, die zwoer de rechten en privileges van Harderwijk te zullen eerbiedigen, maar zich er niets van aan trok.

Och, maar hij zou de namen van de twee vrienden wel niet weten.

Nee, maar mogelijk stonden ze wel op de een of andere lijst van verdachte personen. Het was de Jezuïet niet gelukt zo’n lijst aan te leggen, maar anderen konden dat wel gedaan hebben.

De geruchten bleven aanhouden, dat de inquisitie strenger zou gaan optreden. Nu, na de aanbieding van het smeekschrift de edelen, had men meer moed gevat, maar het antwoord van Filips was nog strenger dan verleden jaar. En de geruchten werden sterker, dat een Spaans leger naar de Nederlanden zou worden gezonden.

O, in Harderwijk zou het met die inquisitie niet zo’n vaart lopen. De burgermeesters lieten de plakkaten uit Brussel niet eens bekend maken. Ze beriepen zich steeds op hun stadsprivileges, dat niemand hier het recht zou hebben tot het uitvaardigen van ordonnantiën dan de op wettige wijze gekozen leden van de regering der stad, zijnde Burgermeesteren, schepenen en gemeenslieden, tezamen vormende de Raad der stad.

Op 15 oktober 1549 had Filips gezworen, dat hij Harderwijk zou beschermen en volgens tractaat van Venlo in het bezit van hun privilegieën, vrijheden en goede gewoonten zou laten. Sweer thoe Boecop mopperde wel in de vergadering van de schepenen, dat de plakkaten niet onder het oog van het volk gebracht werden, maar het hielp hem weinig. Ze waren er wel, o zeker. Niemand zou heren regeerders er ooit een verwijt van kunnen maken, dat zij de beleefdheid niet in acht hadden genomen de door de landvoogdes gezonden plakkaten te verscheuren. Ze lagen veilig weggeborgen achter de zware kastdeuren in de burgemeesterskamer.

De zon glinsterde in de klapmutsen en vazen om de torens van de Luttekepoort, die de twee spionnen steeds meer naderen. De schout keek geen enkele maal achter zich en Gosen verloor hem geen ogenblik uit het oog.

De schout verdween in het poortwachtershuis.

Aha, dus het was om Herman Leyendekker begonnen. Jawel, Herman Leyendekker met zijn loerende blikken, twee goeden bij elkaar.

Dat de schout de poortwachter opzocht, was niets bijzonders. Het werk van de schout was in de eerste plaats toezicht houden op vreemdelingen. Nu, die kwamen in de regel door de poorten van de stad binnen. Het sprak vanzelf, dat de schout zijn inlichtingen bij de poortwachters haalde.

En toch, Gosen kon het gevoel niet van zich afzetten, dat achter de dikke muur van de poorttoren iets werd uitgebroed. Als Wege Elbertse naar de stad kwam, moest hij door de Luttekepoort en dan moest Herman leyendekker hem wel zien. Maar dat was ook weer iets heel gewoons.

Gosen ergerde zich een beetje. Was hij misschien toch nog een verkeerd spoor gevolgd? Hij stapte door de poort en bleef voor de brug staan om een blik te werpen op het vroegere Selhorst.

Het pesthuis met de witgekalkte muren viel het meest op. Op een musketschot – afstand daar voorbij stond de hofstee van Wege Elbertse, achter die twee machtige olmenkronen.

Ondertussen hadden Herman Leyendekker en Andrys Roest in een hoek van het vertrek plaatsgenomen. De poortwachter keek de schout aan met een vragende blik in de ogen.

Deze streek eens met de hand over zijn baard en zijn scherpe blikken boorden zich in die van de man voor hem.

“Herman Leyendekker, vóór ik met mijn vraag kom, vraag ik stipte zwijgzaamheid. Alleen tegen mij spreekt ge wanneer ge iets te weten zijt gekomen. Het is belangrijk. Ik moet weten met wie Wege Elbertse spreekt als hij naar de stad komt. Gij moet hem doen schaduwen en het mij laten weten.”

In de blikken van de poortwachter stond opeens meer dan gewone belangstelling te lezen. Wat hij ook verwacht mocht hebben, dit zeker niet. Wege Elbertse, een rechtschapen landbouwer, die stil zijn weg ging, die nimmer iemand iets in de weg legde, die met iedereen goed overweg kon, over wie hij nog nooit één verkeerd woord had gehoord, waarom kon Andrys Roest het hem voorzien hebben?

Daar moest iets achter schuilen.

Zijn nieuwsgierigheid was gewekt.

Hij zij niets, keek de schout alleen maar, schijnbaar ten zeerste verbaasd, aan. Het ontging de schout niet.

Hij voelde woede in zich opkomen. Een hard woord lag hem op de tong, maar hij hield het in. Voorzichtigheid was geboden. Het plan, zoals hij dat had uitgekiend mocht niet mislukken. Wanneer hij Herman Lyendekker tegen zich in het harnas joeg, zou deze dwars worden en niet genegen zijn om mee te helpen. Maar hij begreep dat de poortwachter er meer van wilde weten en dat ergerde hem. Zijn gezag ging niet zo ver, dat hij de poortwachter bevelen kon geven.

Twee smuigers probeerden elkaar vliegen af te vangen.

De nood van het land en volk speelde bij hen geen rol. Zij hadden elkaar nodig om er beter van te worden en ze zouden elkaar bijstaan, echter alleen voorzover ze er zelf belang bij hadden. Deugnieten hadden geen vrienden.

Herman Leyendekker had begrepen, dat achter die opmerking van de schout iets belangrijks moest steken. De boer van Selhorst was niet de eerste de beste. Wat kon het zijn, dat Andrys Roest het op hem begrepen had?

“Wege Elbertse? Ik zou zeggen, heer schout, wanneer iemand een verkeerde slag met een stok doet, dan zeker Wege niet. Het verwondert mij meer dan ik u kan zeggen, dat uw oog gevallen is op de boer van Selhorst, de man, misschien wel de enige, die geen vijanden heeft en die nooit iemand kwaad zal berokkenen. Het moet wel erg belangrijk zijn. Wat kan hij misdreven hebben? Wat is er aan de hand?

Andrys Roest liet een nors gegrom horen. Hij keek de poortwachter niet aan, maar deed alsof hij een noest in het tafelblad bekeek.

“Er is niets aan de hand. Ik wilde het alleen maar weten. Erkomt steeds meer vreemd gespuis de stad binnen. Ze houden zich rustig, dat moet ik zeggen, maar ik kan het gevoel niet van mij afzetten, dat er iets op til is. De komst van zoveel vreemdelingen kan best iets met die nye lere temaken hebben, waartegen zijner majesteits plakkaten zijn gericht. Die nye lere is verboden, dat weet ge. Ge kunt ook weten, dat Wege Elbertse zich niet meer in de Vrouwekerk laat zien. Nu zou ik graag willen weten of die vreemdelingen ook verbinding zoeken met Wege. Ik heb sterke vermoedens, dat dit zo is, maar ik moet zekerheid hebben. En wanneer ge hart hebt voor de heilige moederkerk, dan helpt ge mee, haar vijanden aan de kaak te stellen.”

Ziezo, daar zou de poortwachter niet van terug hebben. Andrys Roest keek hem zegevierend aan.

Herman Leyendekker voelde een kriebeling langs zijn rug gaan. Hij wist, dat de schout zat te liegen. En dat deed hij nog stom ook. Wanneer vreemdelingen contact wilden zoeken met Wege Elbertse, dan zouden ze dat heus niet in de stad doen, waar iedereen hen kon zien, maar dan zochten zj hem wel buiten de poort op zijn hofstee. Onzin. Wege een vijand van de heilige moederkerk. Misschien. Maar dan waren er grotere vijanden, fellere tegenstanders, die in het oog dienden gehouden te worden. De schepen Wolf van Ommeren bijvoorbeeld, Marten Coolwagen, Gerrit Voeth Geerlofs, de hele schepenbank bijna en nog een leger kerkverzuimers meer. Maar dat durfde Andrys Roest blijkbaar niet aan. Een plotseling invallende gedachte deed hem het voorhoofd fronsen.

“Kon Wege Elbertse mogelijk te gruw zijn om een grote vis mee te vangen?”

Het begon intressant te worden.

Andrys Roest kwam niet voor een beuzelarij naar hem toe. Wel, misschien zat er iets voor hem aan. In ieder geval, hij zou niet direct toehappen. De schout zou over de brug moeten komen. Hij keek hem aan met een raadselachtige blik, waarin iets misleidends was.

“Van Wege Elbertse krijg ik altijd een vriendelijke groet,”zei hij, “en wanneer hij van de markt terugkeert en niet alle warmoes is kwijtgeraakt, laat hij hiet nogal eens iets achter. Ik weet ook, dat in de weduwehuisjes in de Sint Catharijnestraat en het straatje van Sevenhuysen dikwijls iets om een hoekje van de deur geschoven wordt. Wege Elbertse mag een ketter zijn, maar dan is hij toch een goede ketter. Waarvoor moet ge hem hebben? Niet omdat hij een ketter is in de stede van Harderwijk. Zal ik hen met name noemen? Waarom precies Wege Elbertse?”

Andrys Roest keek hem met een venijnige blik aan. Hij begon er spijt van te krijgen, dat hij naar de Luttekepoort was gegaan. Hij had verwacht, dat alles gemakkelijk zou gaan om Herman Leyendekker voor zijn plannen te winnen. Het bleek evenwel minder eenvoudig te zijn, nu deze de nekharen opzette. Hij moest beter op zijn woorden letten. De laatste woorden van de poortwachter wezen er op, dat deze achterdochtig was geworden. Bovendien, en dat bedoelde hij er mee, toen hij zei, dat Wege hem af en toe wat toestopte, hij zou moeten afschuiven. Dat was nog het ergste. Hij zou die poortwachter wel wie weet niet wat willen doen. Maar hij was aan handen en voeten gebonden. Hij had al te veel gezegd.

Hij voelde zich heetgloeiend worden. Door zo’n luizige poortwachter moest hij, schout van de stede Harderwijk, zich de wet laten voorschrijven. Het was om razend van te worden. Hij wilde iets zeggen, doch de poortwachter voorkwam het.

“Uw verzoek heb ik gehoord, heer schout en ik begrijp, dat gij van uw kant in de biecht gesproken wilt hebben. Maar ik heb mij te houden aan wat heren schepenen mij opdragen. Heer Wolf van Ommeren en Wilt van Broeckhuysen zijn dit jaar poortmeesters. Ik zal hen uw voorslag voorleggen. Zij zullen er geen bezwaar tegen hebben, maar ik dien hen er wel mee in kennis te stellen. Heer Wolf is nu niet in de stad, maar wacht tot zijn terugkeer, dan zal ik u hun en mijn besluit doen weten.”

De schout zat aan alle kanten vast en dat wist hij. Zijn handen balden zich tot vuisten. Herman Leyendekker had hem in de hoek gekregen. Razend snel gingen zijn gedachten, om een weg te vinden, hoe hij zich nu nog kon terug trekken zonder zijn gezicht te verliezen.

Er was geen weg terug. Wanneer hij nu opstapte, kon hij er van verzekerd zijn, dat de schepenen vandaag nog op de hoogte zouden zijn met zijn poging, de poortwachter om te kopen. Dat was nog niet zo erg, maar het zou achterdocht wekken en de mannen, die pater Ludovicus verdonkermaanden, zouden van zijn naspeuringen weten. Dat moest, het koste wat het koste, voorkomen worden.

“Laat Wolf er buiten. Laat iedereen er buiten. Luister, dan zult ge weten hoe belangrijk het is. En de koninck van Hispaniën zal u er voor belonen.”

“Die gierige vrek zeker.”

Andrys Roest deed of hij het niet gehoord had.

Enkele minuten later was Herman Leyendekker op de hoogte van de verdwijning van de Jezuïetenpater en had hij de toezegging, zeven stuivers te zullen ontvangen voor het verstrekken van de juiste inlichtingen. Dát was de prijs voor het verraad in de Nederlanden.

“En zwijgen als de toren van onze lieve vrouwen,”waarschuwde de schout.

De poortwachter lachte luid. Gosen hoorde het in de poort.

“Mis gesproken, schout. Daar hoort ge duizend stemmen van boven komen, die de wind van zee meebrengt. Maar stel u gerust, de mond van Herman Leyendekker zal gesloten zijn.”

Andrys Roest stond op en haaste zich naar buiten, trillend van ingehouden woede. Zonder groet verdween hij.

Het gezicht van de poortwachter vertrok in een brede grijns.

“Hij zal vermaledijd zijn,”gromde de schout, toen hij weer op het poortplein stond. “Maar hij zal Wege in het oog houden. En Wege heeft vrienden. Onder hen moet ik de scharluinen zoeken.”

Hij merkte niets van de gestalte onder de poort, die zich in een donkere nis drukte.

Gosen Zeegers had de gemompelde woorden opgevangen.

Einde hoofdstuk 7

 

Dit bericht was geplaatst in 't Geuzenjonk van Harderwijck.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *