Het Schipluden-Gilde te Elburg 1339 – 1798.

 

 

Het Schipluden – Gilde

Te Elburg in 1339 – 1798.

 

Het volk der steden en vlekken was reeds in de X1 eeuw, door het werk zijner handen en door eenen geringen, maar levendigen koophandel in bezit van goederen en rijkdommen geraakt, en begon zijnen slaafschen toestand als lijfeigenen te beseffen; het had nu ook een eigendom en zocht natuurlijkerwijze een middel om dien tegen de hebzucht der leenheeren te verdedigen. Dit middel vonden zij in de oprigting van vereenigingen, die zij Gilden noemden. Deze Gilden, ook onder den naam van Eede bekend, bestonden uit de burgers en geringe lieden, die bij Eede zich verbonden elkander met lijf en goed, in alle gevaren en ongelukken bij te staan, en altijd gewapend te zijn ter verdediging der Gilden en van elk harer leden.

Men begon vervolgens de steden te versterken, en schonk aan hare bewoners zekere burgerregten, waardoor zij, boven de zoogenoemde lijfeigenen, vele vrijheden genoten.

De stedelingen begonnen allengskens onafhankelijker, magtiger en rijker te worden; koophandel en zeevaart beurden het hoofd op, en een derde stand, die van gezetene burgers of poorters, kwam tevoorschijn, waarin de Graven en Heeren des Lands een steun tegen den dikwijls oproerigen adel vonden, en in tijd van ongelegenheid in dezen betere geldschieters, waarvoor dan weder, van den kant der steden, eenige vrijheden bedongen werden, welke handel en scheepvaart met vernieuwde krachten deden herleven. Gelijke belangen, gemeenschappelijke nooden, hetzelfde doel, en vooral de behoefte aan onderlingen bijstand bragten de handelaars tot verdere vereenigingen van wederkeerig hulpbetoon, waarop in 1241 door Lubeck en Hamburg eene overeenkomst gesloten werd, onder de benaming van het Hanze – Verbond, met het doel om de welvaart, het bestaan en onderling verkeer der deelgenooten, vooral met betrekking tot den zeehandel, te bevorderen. De Geldersche steden waren reeds in de XIII eeuw de voornaamste stapelplaatsen voor den handel over zee met het Noorden, engeland en de Oostzee, als ook met Holland en Friesland. Belangrijk vooral, door aanzienlijke voorregten beschermd, was de handel, welken Harderwijk en Elburg destijds dreven op Schoonen, waar de Gelderschen eene aanzienlijke plaats bekleed hebben, want met hunne koggen, geladen met wijn, zout, wollen, laken, was en fabriekwaren, landden zij te Schoonen aan en losten aldaar, volgens verkregene voorregten, hunne waren, tegen betaling van minder dan gewone tolgelden, welke waren destijds nog door de neringzoekende kooplieden naar de Overzeesche markten in persoon werden geleid, om die met voordeel af te zetten en nieuwe inkoopen voor de terugreis te kunnen bewerkstelligen. Voornamelijk was het haring, die zij te Schoonen tegen hunne aangebragte waren inruilden, welke haring, in hunne provincie het gansche jaar door het gewone voedsel van alle standen uitmaakte, en tevens in hoeveelheden van lasten en groote tonnen naar Duitschland in het Overkwartier, verzonden werd.

hanzeschip

Deze haring werd in de omtrek van Schoonen in grooten overvloed gevangen, vooraf aldaar met zout, door de onzen te dien einde in groote hoeveelheid aangebragt, tot verzending toebereid; vervolgens deels hier verbruikt, deels den Rijn- en Maas – stroom opgevoerd en bijzonder geacht, want de hertog Reinald zond niet alleen in 1340 drie tonnen aan den voogd van Aken, maar zelfs naar het Roomsche hof, aan de toen aldaar vergaderde kardinalen, achtien tonnen ten geschenke. Al deze voordeelen en de voortdurende aanwas van den zeehandel verspreidden welvaart over alle standen, en zoo waren deze, naar de gewoonte van dien tijd, er ook op bedacht, om vereenigingen van min of meer godsdienstig karakter, nevens de Gilden, daar te stellen, bestaande in liefdadige Broeder- en Zusterschappen, die arme kranken en allerlei ellendigen verpleegden. Hiertoe werd, in de eerste plaats, in het jaar 1335, te Elburg een gasthuis of Beijer opgerigt, daar de vreemde en reizende arme man zijn nachtrust en gemak vond. Dit Godshuis, bij het Hoog Soerel op de Ell gelegen, werd door godsdienstigheid der voorouders, ook met een kerkje voorzien, nevens een weem of woning voor een priester. Hetzelve werd aan den H. Geest toegewijd, en een bekwaam priester aangesteld, die voor de zieken godsdienstige plegtigheden verrigtte op een draagbaren altaar – steen, daartoe gewijd.

In 1339 werd het Scipluden – Gilde opgerigt, waarvan ieder lid de verpligting op zich nam, om, op bepaalde tijden, geld en spijzen onder de armen uit te deelen, voor elkanders begrafenis en die van anderen te zorgen, en aan de versiering der gasthuiskerk veel ten koste te leggen. ( In 1336 schonk graaf Reinald aan de poorters te Elburg eene gemeene Weide Henschemuden land, het Goor genaamd, ( zijnde 60 bunders land) tot een erftingsgoed en twee windmolen – steden, aan zee gelegen. )

    Ruim honderd jaren later, en wel in het jaar 1442, ziet men den voorspoed der inwoners, die welligt aan den invloed van het meerdere buitenlands handelsverkeer, door de plaats gehad hebbende toetreding tot het Hanze verbond in 1365, moet worden toegeschreven, zoodanig toegenomen, dat eene tweede Broeder- en Zusterschap werd opgerigt, welke in 1445 door schriftelijke bepalingen geregeld werd, en waarin voorkomt: “ dat de gemeene gildebroeders eendragtelijk eens geworden zijn om eene Memorie en Gilde te stichten, in de eere Gods en in de eere Onze Liever Vrouwe ter Noet; dat niemand in dit voorgenoemde gilde zoude mogen worden opgenomen, dan burger ter Elburg zijnde, staande ter goeder naam of faam, die voor intréegeld als zoodanig drie olde schilden moest bijdragen. Voorts, geen Gildebroeder of Zuster mogt aannemen buiten toestemming der Gildebroeders, bij verlies van het lidmaatschap der Gilde” Verder werd nog vastgesteld: “ dat, wanneer ter gelegenheid der maaltijd en der zamenkomst om te drinken – welke ééns in het jaar gehouden werden, – een Gildebroeder onbetamelijke woorden bezigde, welke schade of schande aanbrengen mogten, of met een mes iemand wondde, deze alsdan ten behoeve der Gilde drie pond was zou verbeuren, terwijl het lidmaatschap der Gilde ook hem zou ontzegd worden.”

“Dat jaarlijks eene begangenis zoude plaats hebben, daags na Onzer Lieve Vrouwendag, op welken de gemeene Gildebroeders en Zusters, daar gemeenschappelijk over zouden komen offeren, en waarbij de niet verschijnende beboet werden met een Old-butgen. Dat de Gildebroeders, welke bij de jaarlijksche bijeenkomsten, eenen of meerdere gasten mede bragten, deze echter binnen twee mijlen afstands van Elburg woonachtig zijn moesten; voor elken gast de Gildebroeder betalen twee Clijmmer; en eindelijk, wanneer een der Gildebroeders stierf, waren de overigen verpligt daar te komen en te helpen den dooden overluiden en mede begraven, en wie hieraan niet voldeed, verbeurde aan het Gilde éénen Clijmmer.”

Ten genoemden dage der begangenis toog de geestelijkheid van Elburg, begeleid door de regeringsleden en het Scipluden-gilde in statigen optogt naar de voormalige haven op het Elletje en den Haalboomskamp, waar reeds in den vroegen morgen eene menigte volks verzameld was. De schepen en kleinere vaartuigen, die in de haven buiten de Meen-poort voor anker lagen, hadden ten teeken van deelneming de vlaggen opgehaald en vergulde vijfarmige windmolentjes in den top van den mast geplaatst. Van hier bewoog zich de trein langzaam naar de Heilige Geest Gasthuiskerk, op de Olde-strate of de Ell, waar de kerkdienst verrigt, en tevens eene openbare dankzegging voor de gelukkige aankomst der zeevarenden gehouden werd.

De volksmenigte, ter gelegenheid van deze plegtigheid, werd nog vermeerderd door eene grooten toevloed van kramers en soetelaars, welke, dewijl er veel voorraad van spijs en drank noodig was, meer zelfs dan de stad en omliggende dorpen konden leveren, met hunne kramen en ventwaren naar Elburg togen, om aldaar in de behoeften te voorzien, en een groot getal vreemdelingen stroomde herwaarts, om bij deze plegtigheid aan Onzer Liever Vrouwe ter Noet de schatting hunner dankbaarheid te betalen, “ waarbij een aflaat van veertien dagen werd toegezegd aan alle geloovigen, die op zoodanige feestdagen, hetzij om de preek te hooren, hetzij op eene bedevaart zijnde, het hospitaal bezochten; of die de misse, vroegpreek, vesper of eenige andere godsdienstige verrigting bijwoonden; of, bij het kleppen der vesperklok, volgens de gebruiken der R.K. kerk, met gebogen knieën, driemaal het Ave Maria baden, of het hospitaalkerkhof, biddende voor de zielen aldaar begraven, driemaal rond gingen; of iets van hun vermogen ten behoeve van het godshuis afzonderden; of de armen en kranken in gemelde gasthuis godsdienstig bezochten; of, eindelijk, bij de begravenis der dooden is gemeld gesticht waren tegenwoordig geweest, en voor hunne zielen zouden gebeden hebben.” Terwijl in het Stads-Wijnhuis in de Groenstraat ( thans Kerkstraat) een feestelijke maaltijd gehouden werd, alwaar tevens aalmoezen aan ongelukkigen en armen werden uitgedeeld, die onder het gedreun van:

Geef wat in min kromme haend!

Min’ vaeder is naar Schokkelaend

Min’ moeder is naar Scheven’

Min’ breurtien kan niks geven.

Dezelve in ontvang namen.

In het midden der 16e eeuw zien wij het Gilde van Onze Liever Vrouwe ter Noet in het Scipluden Gilde ingelijfd, één genootschap uitmaken, onder de benaming van het Schipluden-Gilde, waar omtrent in 1579, de eerste schriftelijke bepalingen voorkomen, onder anderen: “ dat de Burgemeesters en Raden twaalf gildemeesters verkiezen, welke twee aan twee, op Sint Maarten, de gilden zouden bedienen. En dat iedere gilde tot onderhoud van den schoolmeester ( zie den brief van Johannes, bisschop van Utrecht, op St. Peter ad Cathedran 1335 ) , jaarlijks eene bepaalde som aan de stad zoude uitkeeren.” Dat de schepenen en gildemeesters de dagen zouden bepalen, waarop de Scipluden-Gilden tweemaal ‘sjaars vijf tonnen bier, en ook de andere gilden een gelijk getal tonnen biet zouden verteren; deze mogten echter geen nabier koopen, op eene boete ten behoeve der armen, welke zij alsdan aan schepenen en gildemeesters verantwoorden moesten.

Niemand mogt in eenig gilde worden opgenomen, dan alleen gezetene burgers, die, in geval zij zich aan verzuim schuldig maakten en beboet werden, aan de gildekas vijftien penningen verbeurden, en daarenboven tien pond ten behoeve der armen; eindelijk was hierbij algemeen vastgesteld, dat alle leden der Gilde niet langer dan gedurende den dag mogten drinken, en zich ook van andere herbergen onthouden, op verbeurte van zes gulden.

Het volgende jaar, 1580, werden deze voorschriften nog met eenige punten vermeerderd en daarbij bepaald: dat, zoodra men begon te drinken, de gildemeester en gildemannen volgens oud gebruik, eenen Scholtus uit hun midden moesten kiezen, welken rwee dienaren ter hulp werden toegevoegd, die de overtreders moesten aanklagen, op welke klagten de gildemeesters en gildemannen zouden regt spreken, waarbij uitdrukkelijk voorgeschreven was, dat Scholtus en dienaren zoodanig vonnis als volgde moesten helpen ten uitvoer brengen, en waken tegen diegenen, “ welke den anderen wonde; – met een pot aan den hals worpe; – geweer op hem toge; – uitdaagde of scheldwoorden toevoegde;  – twist verwekte;  – moedwilligerwijze potten of kannen tegen den grond worpe en op die wijze het bier storte;”  – kortom, wanneer iemand zich onbehoorlijk gedroeg, dien zonde men dadelijk voor het gerigt der gildemeesters en gildemannen brengen; indien hij in het ongelijk gesteld werd, werd hij van stonden aan zwart gemaakt, en het lidmaatschap van het Gilde ontzegd. Des avonds bij het slaan der trom, moest men den kelder sluiten en niet meer drinken, en ook die zich hiertegen verzette, zou men eveneens zwart maken.

In 1585 werd door gemelde vereeniging uit de fondsen en bezittingen, in navolging der naburige steden, een Weeshuis gesticht, ten behoeve van poorters – kinderen beneden de tien jaren oud, die, wanneer zij zich tot een ambacht bepaald hadden, gedurende hun verblijf in het Weeshuis, van het Gilde vrijgesteld waren, terwijl zij daarentegen hunne verdiensten aan het Weeshuis moesten leveren, doch zij mogten niet langs de deur gaan bedelen; hiervoor zoude wekelijks eene collecte gedaan worden.

weeshuis elburg

In 1634 schijnen de Burgemeesteren, Schepenen en Raden er op bedacht geweest te zijn, om te waken tegen het verloop en misbruik van alle goede instellingen ( waaronder vooral dit gilde konde gerekend worden). Om dus deze bijeenkomsten van goede vrienden en burgeren, die hunne liefdegaven uit een godsdienstig oogmerk offerden, en niet, zoo als men voorgaf, om goedkoop te drinken, te willen bevorderen, werd er bepaald: dat voortaan niemand meer in het Schipluden – Gilde mogt worden aangenomen, dan na betaling van een half gres in ’t Goor, of dertig daalders voor dezelve.

In 1651 werd voorgeschreven, dat alle vroegere wetten volgens den Olden – brief in haar geheel zouden blijven bestaan, doch er werden nog eenigen bepalingen bijgemaakt, namelijk: dat niemand in dit gild tot Scholtus mogt worden gekozen, die niet gedurende tien jaren lid van het gilde geweest was.

In 1692, den 18 September, stortte het stads – wijnhuis in de Groenstraat, ten gevolge eener aardbeving in, en, werd dit gebouw door gemelde gilde herbouwd, en tot herinnering daarvan vinden wij thans nog in den voorgevel van hetzelve op eenen steen de woorden:

RAISON

VALT

MAISON

1692.

    In 1708 werd omtrent de intree – gelden eene verandering gemaakt, en bepaald: dat die een en twintig guldens zouden bedragen; – verder, dat ieder gildemeester en gildebroeder zonder degen of rotting in het gilde moest verschijnen, op de boete van een daler; – dat geen gildebroeder aan iemand, buiten de gildekamer tabak mogt rooken op twee daler boete; – dat niemand den schepter van den Scholtus of zijne dienaren mogt aanraken, dan na behoorlijk verlof van den Scholtus of zijne dienaren, en dat de jaarlijksche bijeenkomsten tweemaal ’s jaars zouden plaats hebben: de eerste maal op Dinsdag, Woensdag en Donderdag na Pinksteren, en de tweede maal den eersten Dinsdag, Woensdag en Donderdag in den oogst, nieuwen stijl.

In 1747 was het bierdrinken afgeschaft en door wijn vervangen, waarbij Oldermannen en Gildemeesteren bevonden, dat vele onordelijkheden en buitensporigheden in het schenken van den wijn, en het geven van eetwaren aan kinderen en andere onberechtigden, in de zamenkomsten van het gilde plaats vonden, om welke reden bepaald werd: “ dat niemand, ten tijde dat de gilde teerde, eenige wijn of eetwaren zou mogen uitdeelen, zoowel buiten als binnen de gildekamer, bij eene boete van één daler.”

In 1769 werd door Oldermannen en tijdelijk Gildemeesteren goed gevonden te bepalen, “ dat voortaan de gilde zou beginnen te drinken ten vier ure, en eindigen ten negen ure.”

In 1771 werd het artikel, aangaande behoeding van den schepter vernieuwd, dewijl de voorschriften daaromtrent niet opgevolgd werden, waarbij uitdrukkelijk bepaald werd: dat de schout of zijne onder-Schouten verpligt zouden zijn, gedurende de gewone drinktijden, altijd bij den schepter te blijven en denzelven te bewaren, terwijl de overgave ter bewaring van den schepter geschieden moest, in tegenwoordigheid van ten minste twee gildebroeders, en den schout of één zijner onder-schouten hetgeen dan plaats moest hebben op de gewone drinkdagen, in de gildekamer, des namiddags ten viere ure, waar alsdan de schout moest aanwezig zijn om den schepter te ontvangen en denzelven verder te bewaren. – De opening van het gilde geschiedde in dezer voege: de schout nam den schepter in de hand, gebood stilte en deed alsdan den verdienstelijken gildebroederen eenen vol geschonken zilveren beker met eerewijn toedienen, den nalatigen de boeten volgens de gildewetten kennen, en hen aan hunne verpligting voldoen. Gedurende de feestviering werd ook van de kloeke daden, welke in storm en onweders tot hulp en redding van anderen verrigt waren, met lof gewag gemaakt; aan ieder der gildebroeders, naar gelang zijner verdiensten, de zilveren beker andermaal toegebragt en allen tot volharding in hun beroep aangemoedigd, terwijl door allen op het welvaren en de bloei van het Schipluden-Gilde nog eens de volle bekers geledigd werden. Op den derde dag der teringen, werden des avonds één uur vóór het scheiden, de proefdronken ondernomen, bestaande daarin, om de aanwezenden te toonen, op welke hoogte het ieder in de kunst van veel te drinken gebragt had, ten welken einde ieder gildebroeder, telkens na het nuttigen van eenen beker wijn, eerst over eene bank en dan vervolgens over eene brandende kaars, welke te dien einde op den grond geplaatst werd, moesten springen.

De schepter, welke in 1691 was vervaardigs en sedert gebruikt werd, is nog aanwezig, en bestaat in eenen van nootenboomenhout gedraaiden staf, ter lengte van 95 Ned. Duim, met vier platte zijden, waarop de zilveren gedenkpenningen, voorzien van den naam en het wapen van den gekozen Scholtus, die alle jaren een dergelijken aan het gild ten geschenke gaf, bevestigd werd.

schaal elburg

Daarenboven bestaat er nog een zilveren schenkbord van 30 duim middellijn op een verheven voet, waarop een schip gegraveerd is; op de achterkant staat het wapenschild van het Weeshuis, gedekt door eene W, en in tweeën gedeeld, regts rood en links blaauw , met het opschrift: “ Deze hier genoemde Eerwaarde Scholtussen, in der tijd van het Schipluigilde, hebben dit schenkbord geschonken aan ’t Schipluiden – Gilde binnen Elburg, zeer milde van ’t jaar 1691 – 1727.”

( Hierop volgen de namen.)

De zilveren drinkbekers, uit welke de gildebroeders bij hunne maaltijden en bijeenkomsten eenen hartigen dronk namen, en waarin de eerewijn geschonken werd, zijn mede nog aanwezig; zij zijn geheel van zilver, en de grootste derzelve heeft eene hoogte van 17 duim, bij 13 duim wijdte van boven en 8 duim in den bodem, terwijl de andere 15 duim hoogte bij 10 duim wijdte van boven en 7 duim in den bodem heeft.

Onder op den bodem van den grootsten beker, staat het volgende rijmptje gesneden:

{ “Schuiters van het Schipluij-Gilde }

{“Schenken dees’n beker milde }

    In 1749 schonken de heer W. van Neresse en Sara Maria Beijer aan het gild, om als versiersel boven op de schepter geschroefd te worden, een zilveren wapenschild, gehouden door eene Fama, met het omschrift:

    Faman Extendere Factis. ( door daden zijnen roem verbreiden.)

Bij publicatie van ’t Uitvoerend Bewind der Bataafsche republiek van den 5 October 1798, werd gelast, de gilden te ontbinden en overgifte te doen van alle effecten, gelden, boeken en charters het gilde betreffende, waaraan destijds voldaan zijnde, alleen nog de opgenoemde zilveren voorwerpen zijn terug gehouden, waarna de gilde in verval geraakt is en in een doelloos gezelschap nog eenigen tijd bleef voortleven.

G.H.W.

hendrik van grietjen

 

Dit bericht was geplaatst in H.G. Haasloop Werner..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *