Schokland

 

 Schokland-Vollenhove

Schokland.

 

U denkt wellicht dat Schokland enkel maar zoo’n klein smal streepje land is dat ergens in de Zuiderzee ligt.

Ja, ja, dat lijkt ook zoo, maar het is nog iets anders ook.

Het is namelijk de plaats van samenkomst van alle mogelijke heksen, spoken en toovenaars die in en om de Zuiderzee huizen.

U hoorde b.v. nog nooit van de Motketel?

Ja, maar de Motketel bestaat toch en hij wordt op Schokland gestookt.

Op een van de punten van dat eilandje komen de heksen op stormachtige nachten  bijeen en stoken er onder de Motketel haar helsche vuur.

Ze laten het lustig branden en als het heet bobbelt en pruttelt in de ketel dansen ze er haar spookachtige heksendansen omheen. Op zulke stormnachten kun je daarvinden de heksen  van Urk, van Marken, van Wieringen heel en ook die uit Molkwerum.

Maar vooral de heksen van Schokland zelf zijn het die er haar bezemdansen uitvoeren. Er zijn verscheidene schippers die ze gezien hebben wanneer ze dicht langs het eiland zeilden in ruwe nachten wanneer de bleeke maan achter woeste wolkenflarden schuilkroop. De Schokkers ook weten er van mee te praten.

Wanneer de Motketel gestookt werd was het niet raadzaam, dicht daar in de buurt te komen. In zulke nachten kwamen de Schokkers niet naar buiten maar schoven een stoel voor de deur en gingen dicht bij elkaar zitten bij de heerd. Maar zelfs in de beslotenheid van hun huis waren ze niet veilig want is het niet eens voorgekomen dat een oude vrouw bij zoo’n gelegenheid ineens een Marker tegenover zich aan de heerd zitten zag?

Niemand had ooit gezien hoe ie er kwam.

De man deed geen kwaad, daarvan niet en hij sprak ook geen woord maar hij zat er toch maar. Te zwijgen.

Goed, maar zijn geheimzinnige tegenwoordigheid was ijselijk genoeg.

Even plotseling en geheimzinnig als ie gekomen was verdween ie weer om even later om de Motketel te dansen natuurlijk. Ja, wat anders?

O ja, er gebeurden in vroeger dagen wonderlijke dingen op Schokland.

Of is het soms niet wonderbaarlijk wanneer er ’s nachts een groot schip boven het eiland laveert. Nee, niet er langs, in de Zuiderzee, maar er boven, in de lucht!

schokland tek.

En toch is dat daar volgens ooggetuigen gebeurd. Een compleet koopvaardijschip was het, met witte zeilen. Het kruiste eenige malen over het langgerekte eilandje, en men kon de wind door het want horen fluiten. Zelfs de stuur kon men aan het roer zien staan en de kapitein ijsbeerde over het dek. Het schip had alle zeilen bij. Die bolden in de woeste wind die boven het eiland de wolken uit elkaar joeg.

Zilverwit glansden die zeilen in het bleeke licht van de maan die angstig door de wolkenspleeten gluurde.

Ja, oude vrouwen hebben het spookschip gezien op een nacht toen het er weer bar toeging op de punt. Toen de heksen van alle Zuiderzee eilanden bij elkaar om de Motketel dansten en allerlei vreeselijke dingen in haar schild voerden.

Op zulk een nacht is ook het volgende gebeurd.

Een fiksche jonge Schokker was naar de meid geweest.   Uit vreien.

Tot laat in de nacht had ie bij zijn schoone vertoefd maar aan al het zoete komt een einde. Er kwam een tijd dat ie afscheid nemen moest.

Noode liet het meisje hem gaan. Denk toch vooral om, waarschuwde ze. Het is een vreeslijke nacht. Hoor de wind eens huilen en hoe buldert de zee.

Maak maar geen zorg stelde zijn liefste gerust. Ik kom er wel door. De wind kan ik wel tegen en de zee is buiten het eiland.

Ja, maar de punt, antwoorde het meisje en haar stem trilde van angst.

Ik kom er wel door was al wat de vrijer antwoordde. Voor de laatste maal nam ie zijn meisje in de armen, drukte haar zoo stijf tegen zich aan dat ze bijna knapte en klappend zoenden ie r op de beide blozende wangen. En nou genacht Lijsje, zei hij.

Genacht Berend, antwoordde ze, klapte de deur van de hut dicht en ging naar kooi om te droomen van dingen die hier niet verraden mogen worden.

Maar Berend stond buiten in de barre nacht. De storm gierde over het lage eiland en de jonge man had moeite om op de beenen te blijven. De verradelijke wind schoot met zulke rukken uit dat ie er zich met alle kracht tegenin zetten moest. Welnu, dat deed Berend dan ook.

Hij haalde de muts diep over de ooren en de oogen en stapte met zijn stevige zeemansbeenen tegen de ruwe storm in.

De zee donderde donker en onheilspellend. Hij beukte de kust en schuimende vlokken lilden over de pallissaden. Groote wolkenflarden zeilden door de spookachtig verlichte hemel. Berend stapte flink door. De wind kon ie wel tegen in komen en de zee, daar had ie gelijk in daar straks, de zee was buiten het eiland. Van die twee had ie dus niet veel last maar Lijsje had er straks op gezinspeeld: “denk om de punt.” Ja, en daar moest ie nu juist heen. In die kontreie woonde n ie. Als ze er maar niet waren, het was er juist een nacht voor.

Scherp tuurde Berend voor zich uit of ie ze wellicht ook dansen zag. Hij wist dat ze in zulke nachten soms de Motketel stookten.

Dikwijls had ie er de afgrijselijkste verhalen over gehoord.

Maar nee, er wás niets te zien dit keer. Scherp keek ie voor zich uit, doch er werd blijkbaar niet gedanst. Toch was het zaak op je hoede te wezen. Al waren ze er nu niet, ze konden komen. Wie zei hem, dat ze net plotseling met hun afschuwelijke streken zouden beginnen, juist op het oogenblik dat ie op de punt aankwam en het dus te laat was om terug te hollen? Wie verzekerde hem dat ze niet plotseling zouden verschijnen op hun bezemstelen om als razende furies om hem heen te suisen? Nee, hij moest oppassen.

Maar er viel niets voor.

Bijna was ie thuis en het eenige waar ie tot nu toe mee te maken gehad had was de woedende storm die hem moeite genoeg gaf, en het bulderen van de nabije zee die hem geen kwaad deed zoolang ie aan vaste wal bleef.

Maar wat was dat. Dat akelige gemiauw? Waar kwam dat vandaan? Berend was ras besloten.

Met één greep had ie zijn mes uit de schee en slingerde dat blindelings tusschen de troep afgrijselijk krollende katten.

Een vreeselijke schreeuw en daarna een akelig kreunen en steunen.

Van de krollende katten was geen spoor meer te bekennen.

Niet dat Berend daar lang naar zocht.

Hij zette het op een loopen zoo hard ie maar kon en geheel buiten adem kwam ie eenige minuten later het huis binnen gevallen. Uitgeput en geheel in de war viel ie op een stoel bij de heerd neer en bracht daar in een soort van bezwijming het verdere deel van de nacht door.

Jaren verliepen.

De vrijer van Lijsje was allang de man van het aardige vrijstertje geworden en vier blonde kinderen speelden op het erf van de stoere visscherman.

Het gebeurde met de katten was zoo goed als vergeten.

Maar op een keer moest Berend in Harderwijk wezen en liet zich daar in een zeemanslogement wat eten geven. De waardin bracht het hem maar als Berend zijn brood wil snijden, zit ie ineens stom van schrik en verbazing.

De waardin ziet hoe Berend verschiet en vraagt: “Ken je dat mes, Berend?”

Berend die een beetje tot zichzelf gekomen is antwoord bibberend: ja,dat is mijn mes, vrouw.

Juist, zei de vrouw, en van dat mes heb ik een lidteeken in mijn voet, weet je dat wel Berend?

Nee, daar wist Berend niets van.

Ik wil je een ding raden, Berend, zeide de waardin, en in haar oogen glinsterde een onheilspellende uitdrukking, ik wil je een ding raden, Berend: gooi nooit meer je mes tusschen een koppel krollende katten. Je kunt nooit weten wat daaruit voortkomt. ’t Is deze keer nog goed met je afgeloopen, maar als ik je had kunnen krijgen die nacht, nou, dan was je er niet goed afgekomen. Dan had het je je leven gekost.

Berend begreep heel goed met een van de heksen van de Motketel te doen te hebben. Die hadden zich die nacht natuurlijk voor de aardigheid eens in katten veranderd.

Nu wist ie meteen dat het wel echt waar was dat de kollen van wijd en zijd naar Schokland kwamen. Als zelfs Harderwijk niet te ver was.

’t Ja, zulke dingen gebeurden vroeger op het lange, lage eiland dat vóór Kampen ligt.

Ook waren er eens twee schippers die het niet al te best met elkaar konden vinden. Wanneer ze aan de wal waren ging het wel, want dan zagen ze elkander niet. De ouwe schipper bedronk zich zoodra ie land zag en wanneer ie zijn roes uitgeslapen had goed en wel moest ie weer naar boord.

En de zoon ging naar een roodwangig visschersmeisje en dat hield hem zoolang in haar ronde mollige armen gevangen dat ie zich meestal haasten moest nog op tijd aan boord te zijn.

Maar dan begon het lieve leven.

Zoodra waren ze niet bijeen in de kleine ruimte die de nauwe botter hen bood of de vloeken waren niet van de lucht. Dan hadden ze ruzie van het eerste uur dat ze bij elkander waren tot aan het vastmeeren van de botter bij het binnen brengen van de vangst.

Ze scholden elkaar uit dat de stukken er af vlogen.

Maar ze werden er voor bezocht.

Want eens op een nacht, toen het St. Elmsvuur brandde, de vlammetjes flakkerden onheilspellend op de punt van de mast en van de boegspriet klauterde met een zwaar geplas en geplons een vreeselijk gedierte aan boord.

Als een reusachtige kwal lei het zich om het achterschip en haalde dit langzaam maar zeker naar de diepte. Vreeselijk schrokken de schipper en zijn zoon en dadelijk luwde de ruzie die ze juist bezig waren met vreeselijke scheldwoorden uit te vechten.

En in eens flitste het door beider bewustzijn, “Dat is de straf voor onze eeuwige ruzie.”

Ze meenden dat het uur van hun ondergang gekomen was en onder de indruk daarvan stond het berouw op in hun borst.

Over het vele leed dat ze elkander aangedaan hadden. Met tranen in de oogen omhelsden ze elkaar en dachten “als we het leven nog maar eens over mochten doen, dan…..”

En zie, op dit oprechte berouw week het gedierte…..

De schipper en zijn zoon hebben elkaar niet meer uitgescholden maar leefden voortaan met elkaar in vrede.

Sagen en legenden rond de Zuiderzee

Door

S. Franke

XXXXXXXXXXXX

 

 

Dit bericht was geplaatst in sagen en legenden rond de Zuiderzee.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *