Schoonderbeek.

 

 

 

Schoonderbeek.

Door

Mr. G. A. de Meester.

 

De tijden zijn voorbij, dat een smid den toegang tot de gedenkschriften der voorvaderen moest banen; doch zijn de tijden evenzeer voorbij, dat de komenijswinkel of de papiermolen pakketten gebruikt, waarin de geschiedvorscher nog menig belangrijk punt opgehelderd zou vinden? Zijn er op zolders, in kisten of kasten nog geene schatten onder het stof bedolven en aan de vergetelheid overgegeven? Wij vreezen het te zeer.

Elders zag ik mij in staat gesteld, vroegere regten van de Veluwsche wouden, inzonderheid der eeuwen tellende bosschen in de nabijheid van Putten, voor vernietiging te beveiligen. Geen wonder, dat ik toen de wensch uitte, dat nog meerdere dusdanige schriften der vergankelijkheid mogten ontrukt worden. En weldra bleek het mij, dat het ook den Putter aangenaam geweest was, iets van zijne gemeente voor meer dan duizend jaren te vernemen.

Het zal niemand bevreemden, dat, in een zoo boschachtig oord als Putten, vele beken den grond bevochtigen. Ook daar leschten eenmaal de wolf en het wilde zwijn hunnen dorst, maar de jager en de toenemende bevolking heeft ze allengs verdreven. Aan de boorden der beken werden woningen gevestigd en het water werkte later den nijvere papiermaker in de hand.

schoonderbeek_webimage

Wanneer men van Harderwijk den Zuiderzeeschen straatweg naar Nijkerk volgt, dan ligt, even voor het dorp Putten bereikt is, het huis Schoonderbeek tusschen de bossen verscholen aan de regterhand; doch het is niet meer het oude kasteel van vroegere dagen, waar de fiere ridder zijnen nabuur, den zwakken geetelijken broeder van Abdinkhof, verdedigde, waar de oorlogzuchtige Karel van Egmond zoo dikwerf vertoefde; neen, ook dáár zien wij, dat hier alles voorbij gaat; want van het huis is slechts zooveel over, dat het nog even ter bewoning kan strekken, en het lommerrijk geboomte heeft ondervonden, dat de beide laatste eigenaren houtkopers waren. ( het Tegenwoordige staat van Gelderland, zegt: Het oud adelijk huis Schoonderbeek heeft eene graft en lommerijk geboomte om zich. Men ziet er nog verscheidene puinhoopen, ten teken dat het gebouw van ouds veel aanzienlijker was.) De beken alleen blijven rustig vlieten, en al omringt het water het huis thans zoo niet meer als in vroegere dagen, toch stroomt het altijd even overvloedig en zegt u, dat gij u op Schoonderbeek bevind.

De heer W. Arendsen, tegenwoordig eigenaar van Schoonderbeek, herinnerde zich, oude papieren betrekkelijk zijn eigendom op zolder te bewaren, en bood mij die ter inzage aan; mogelijk toch verspreiden zij nog eenig licht over het door hem bewoonde dorp Putten.

Brieven van den hertog Karel aan zijnen getrouwen Henrik heer tot Gent en anderen, door vroegere eigenaars herwaarts gebragt, leg ik ter zijde, en bepaal mij tot de stukken, die het huis Schoonderbeek betreffen.

De havesathe Schoonderbeek werd eerst in het jaar 1694 aan Gelderland Leenroerig. ( De beleeningsbrieven zeggen: “Het huis en havesathe Schoonderbeek op de Veluwe in den ambte van Putten gelegen, met alle sijne ap- en depedentiën, regten en geregtigheden desselver, geen van allen uitgezonderd, papiermolen, geregtigheid van het water en waterleidingen, aan den furstendom Gelre en graafschap Zutphen, ten Zutphenschen regten, met een paar witte handschoenen van de waerdye van een ducaton te verheergewaden, leenroerig.” Een leen was een onroerend goed, huis, hof of land, waarvan een ander, de heer, het volle eigendom, dominium directum had, zonder het gebruik, en de leenbezitter of vasal het gebruik en bezit voor zich en zijne regtverkrijgenden, dominium utile, onder voorwaarde dat hij zekere regten betaalde, zoo dikwerf hij eenen anderen heer verkreeg, of het goed op eenen anderen bezitter overging, welk betalen men verheergewaden noemde; terwijl hij verder aan zijnen heer, bij eede of handtasting, trouw moest beloven; waartegen deze verpligt was, zijnen vasal of leenbezitter in zijn bezit te beschermen tegen alle geweld.

   Een leen ten Zutphenschen regte. Het leenregt is de kennis der regten, welke de leenbezitter op het leen en het gebruik had, en der regten van den heer. Bezat men nu een leen ten Zutphenschen regte, dan moest het leenregt, in het graafschap Zutphen over het algemeen geldende, ten aanzien van dat leen gevolgd worden; welk regt dáárin van de andere leenregten afweek, dat de opgaande linie, bij versterf zonder nederdalende linie, erfde; eerst bij ontstentenis van deze werd de zijlinie geroepen; doch steeds mannen en vrouwen.

 Veel vroeger was zij een eigendom van het geslacht VAN ALLER, dus genoemd naar zijne oudste bezitting, de hofstad Aller, mede onder Putten gelegen. De vroegste eigenaar van Schoonderbeek, dien wij hebben kunnen opsporen, is Klaas van Aller, in de geschiedenis bekend als mede onderteekenaar der verbondsbrieven tusschen de ridderschap en de steden des lands van Gelre en graafschaps van Zutphen in 1418 en 1436, verbintenissen, waarvan te regt de heer Nijhoff zegt: “Hoogst gewigtige uitkomst voorzeker, voor eeuwen over het volgende lot van Gelderland beslissende! Van nu af, waren ridderschap en steden op een vasten voet tot één ligchaam van landstenden ( schoon nog niet onder den naam van staten) vereenigd; de bijeenkomsten, welke zij, zonder door den vorst zamengeroepen te zijn, gehouden hadden, waren gewettigd; hunne inzage in het landsbestuur moest de hertog gedoogen, ja, zij waren zelfs uitdrukkelijk gematigd, om van ’s vorsten beschikkingen kennis te nemen, en, zoo zij het geraden vonden, de uitvoering te beletten, en het verbond, waarbij zij zich vereenigd hadden, om geenen heer te huldigen, dan welken de keus der meerderheid daartoe zou bestemmen, was ongekrenkt gebleven. Dit verbond bleef niet alleen bestaan tusschen diegenen, welke het aanvankelijk aangegaan hadden; maar ook van de stonde aan, en van tijd tot tijd, traden een aantal andere ridders en knapen, gezeten en geërfd in elk der kwartieren, tot hetzelve toe, totdat het in 1436 nog naauwer werd toegeknoopt, en daarbij plegtig bekrachtigd door den vorst, wien de landzaten, in spijt van het keizerlijk gezag, hadden weten te handhaven, maar die ten laatste, ten prijs daarvan, de meeste takken des bestuurs in hunne handen overlaten moest.” Klaas van Aller, die hieruit blijkt een man van den vooruitgang geweest te zijn, schijnt tevens een, voor dien tijd, meer dan gewoon vermogen bezeten te hebben; want in 1463 leende hij den hertog 500 Rijnsche gulden, nadat deze hem twee jaren vroeger tot burggraaf te Rozendaal benoemd had. Niet onwaarschijnlijk komt het ons voor, dat hij, bij zijn vertrek naar Rozendaal, Schoonderbeek aan zijnen zoon Gijsbert van Aller heeft overgedragen. De plaats kwam later, door huwelijk, in het geslacht van Bentinck. In welk jaar dat voorviel, is ons niet gebleken; maar zéker is het, dat zij in 1519 bezeten werd door Sander Bentinck, die den post van keukenmeester des hertogs, een der aanzienlijkste hof- ambten van dien tijd, bekleedde. Deze verkocht Schoonderbeek, in het genoemde jaar, aan zijne meester, hertog Karel van Egmond, en het was deze verkoop, die nog, meer dan eene halve eeuw daarna, aanleiding gaf tot een proces, waarbij niet in het voordeel van Bentinck beslist werd, doch welk arrest later door het hof van Gelderland vernietigd is.

De Zuiderzee toch was meermalen het tooneel, waar de vloot van Karel krijg voerde; van hare kusten in Gelderland vertrokken zijne benden dikwerf naar Friesland, en daarom zal den hertog welligt een kasteel, daar gelegen, welkom geweest zijn; maar daardoor was Schoonderbeek te meer een doorn in het oog des vijands, en bij de zoo menigvuldige strooptogten door de Veluwe in 1521 kon het niet wel anders, of het huis, niet naar behooren versterkt, moest den vijand in handen vallen. Weinige jaren na den verkoop was het door den vijand verbrand en eene puinhoop geworden.

Het is bekend, dat Karel geene wettige, maar verscheidene natuurlijke kinderen heeft verwekt. Het lag in den geest dier tijden, dat dusdanig kroost niet verstooten, maar overeenkomstig den staat des vaders werd verzorgd. Dikwerf vinden wij dan ook, in tegenoverstelling met de gebruiken van onze eeuw, den vader bekend, doch de moeder onbekend. Zoo was Karel eene dochter Anna van Gelder geschonken; den naam van hare moeder kunnen wij niet mededeelen; maar deze schijnt zeer in de gunst van den hertog gedeeld te hebben, daar hij bij haar nòg eene dochter, Ismeria, verwekte. Anna bezat den aard van haren vader; want in de Geldersche Oudheden, door den heer van Hasselt uitgegeven, vinden wij, dat “op den vijfden dag in Augustus 1527 syn furstliche genaedes dochter, van Roesendael, met eene maghet en eyn kynt by huer, op Wyldenburch is gecomen, ind is drye weecken lanck by mijn joffer van Buren gewest.” En dat deze dochter de door ons bedoelde Anna was, wordt bewezen door eene akte uit het schepenboek van Arnhem. Hendrik de Groiff, erfvoogd van Erkelents, de boezemvriend en vertrouwde van Karel, verklaarde, “dat hy met Claes Vijghe van onsen gen. Heer geschikt is gewest ter Wyldenborch by sijn furstelicke gen. Natuerlicker dochter, Anna geheyten, die aldaar gevenckelick onthalden wort, om myt hoer te spreken van wegen sijner furstelicke gen., ind onder anderen derselver vurgehalden, off sijn furstelicke gen. Oer enen man geven, off zy oick daer mede to vreden wolde zijn, daer op zy geanrwortt, dattet oer waell to willen weer wess zijn furstelicke genade deden; daerom Erckelens huer voirgehalden hefft van Claes Vijghe, daer myt zy to vreden was; soe is Erckelens wederom gekoemen by sijn furstelicke gen. Ind ter antwort, dat zy willich weer t’ doen, wess zijn furstelicke gen. Wolden; daer op zijn furstelicke gen. Gesacht, dat sijn furstelicke gen. Oer Claes Vijghe geven wolden; Daerop Erckelens geantwort, woe dat oer erf fund guet oer kynde toequeme ind oer nyet, nae luydt der hyelicxvurwerden, dat sijn furstel. Gen. Oer soe voell geven wolde als sijn furstel.gen. Michiel van Pamborchs huysfrouwe, drostynne to Hattem gewest is, gegeven hadden”. (van Hasselt)

Zoo de lezer zich ergert aan het hier medegedeelde, hij vergete dan niet de mindere beschaving dier dagen en merkte tevens de liefde van Karel voor zijne bloedverwante op. In hare jeugd zien wij haar op het vorstelijke Rozendaal, waar hij zelf zoo dikwerf vertoefde, en dus onmiddellijk onder zijn opzigt; toen ook zij eenen jeugdigen misstap beging, werd zij op het slot de Wilgenborch, achter Zutphen gelegen, gehuisvest, waar zij zich meer dan drie jaren ophield; (Het eerst gemelde stuk bij van Hasselt is geschreven in 1530 en zegt, dat zij toen er reeds drie jaren en zeven weken gewoond had, en, daar wij haar kort daarna op Schoonderbeek ontmoeten, schijnt zij ook in dat jaar gehuwd te zijn.) daarna zorgde hij voor een huwelijk overeenkomstig haren stand; want Nicolaas Vijgh behoorde tot een aanzienlijk Geldersch geslacht en bekleedde de belangrijke bediening van ambtman van Tiel en de Neder – Betuwe. Het huwelijk werd inderdaad voltrokken. Volgens eene aanteekening van den heer van Hasselt werd aan Nicolaas Vijgh driehonderd goudguldens jaarlijks uit de inkomsten van de Veluwe, en daarnevens het huis Schoonderbeek, toegezegd. (Van Hasselt, in het aangeh. Werk: In den bundel van schulden van hertog Karel kwam voor: “Claes Vijghe, zelige Derick Vijghen zoen die ons g.l. Heren natuerlicke dochter heeft, Anna geheyten, is gelaefft alsoe voel erfflicken renthen, als zelige Michiels van Pamborchs huysfrouwe, drostinne to Hattem was, gegeven is, to weten IIIste g. gl. Sjaers uyt sijn furstelijke genaden renthen van Veluwen ind Schoenrebeek myt zynen toebehoeren, des Erckelens gestandt deet, die durch beveel ons gen. Lieven Heren den hyelick gededynght heefft, inhalt sijner certificatien.” – Michiel van Pamborch was waarschijnlijk dezelve, wien Slichtenhorst Michaël van Bamberghen toegenaamd van Pomeren noemt. Dezen toch had Karel Hattem verpand en de dochter van zijnen bastaardbroeder tot vrouw gegeven. Van elders weet men, dat hij bij Anna zes kinderen verwekte, waaronder vier zonen, en dat, eerst hij zelf meer bedektelijk, maar later drie van die zonen opelijk, de zaak der vrijheid tegen Spanje voorstonden en gewapenderhand verdedigden. Zonderling blijft het evenwel, dat Anna, in de oorkonden, die van het huis Schoonderbeek afkomstig zijn, nergens als gehuwd voorkomt, maar steeds jufvrouw Anna van Ghelre genoemd wordt.

In Augustus 1531 vinden wij Anna op Schoonderbeek. Wel mogen wij de jonge vrouw daar beklagen; want onderscheidene brieven geven ons van den toestand der havezathe een treurig denkbeeld. Zij bezat, ja, een adelijk goed, maar het huis was verbrand en in een puinhoop verkeerd, een klein brouwhuisje tot woning verstrekken; de boomen waren gekapt, op negen ooftboomen naa; maar de wilskracht van haren vader was haar eigen en haar heerlijk gezag stond haar ten dienste. Het kasteel werd herbouwd, plantsoenen werden aangelegd, de grachten gediept, en ziet, niet lang daarna was zij in staat, haren vader als leenheer en hertog te herbergen.

Karel schijnt zeer met die ontvangst van zijne dochter ingenomen te zijn geweest; indien wij ten minste daaraan mogen toeschrijven, dat hij haar den 16 Augustus 1531 de konijnwaranden en vogelvangst in het ambt van Putten schonk. ( Karel, hertoghe van Gelre end van Guylich, greve van Zutphen, heer van Groenynghe, der Omlanden, tot Couerden end Drenthe. Wy doen kondt, soe wy verstaen onse konijnenwarandan en vogelvanck in onsen ampte van Putthen vast vergaen, end eyn yder sijne handen daer inne sleet, dat wy ons lieue bysonderynne Anne van Gelre geconsenteren end toelaten, mitz desen onsen openen placaet, dat zy deselve waranden end vogelvanck van onsen weghen sall moghen regeren, in eer ind gerack brenghen, doen halen ind daer van hebben end genieten gelick sich dat behoert. Beheltlicke, dat zy ons van idt geynen zy vanghen lett, het zy vogellen off kanijnen, onse deel end nymantz anders schicken sall. Bevelen dairomme int eerste u Geert van Scharpenzeell genannt Paelick drosst op Veluwe, doerweerder enz., ind u Reyner van Arller schultz to Putthen, dat ghy hoer, ind die oer, hyertoe van onss weghen hanthalden ind helpen, dat nymantz sich meer hyrinne steeke noch onderwynde, ind die geynen dair en bauen deden daervur behoerlick ind scherpelick aensien ind straffen, sonder einighe gebreck offt simulatie dairinne t’laeten vallen, dat is alsoe onse gantze wille ind ernste meynonge. Sonder argelist. Oerkonde onss gewoentlicken hantleyeken en secreet segell hyrop gesat, den XVIden dach Augusti Anno XXXI.                                                                            ( get.)   Charles.

Een vreemd geschenk – zal menige lezer zeggen – maar het Germaansche leven was den voorvader in dien tijd nog meer eigen, een leven dat gesleten werd in den wapenhandel en in het jagtbedrijf; en wie Utrecht, dezen zomer, toen de Muzenzonen het voorvaderlijk leven aanschouwelijk voorstelden, bezocht, zal niet ligt vergeten, dat het jagtbedrijf innig aan den riddertijd verknocht was. Die ridderlijke geaardheid bezat Anna. Haar was het een genot, den jagthoorn door de omringende bosschen te laten schallen; dan vergezelden haar de edelen uit den omtrek, en de bewoners van het dorp en van den brink volgden, met hand- en spandiensten het huis te versterken, of te verdedigen en te bewaken. Van daar welligt, dat wij het kasteel zoo spoedig herbouwd zagen, en zoo menigwerf Karel daar vertoefde, hetzij vroeger, of toen, bij zijne dochter Anna, gaven zij eene wacht om hem te beschermen; maar daarentegen waren zij ook van de landweer bevrijd. Wanneer toch het land vijandelijk werd aangevallen, dan werden de vrije ingezetenen bij klokslag ter verdediging opgeroepen; velen moesten met paarden en wagens volgen, anderen met schoppen en spaden; want tot het opwerpen of slechten van bolwerken, het graven van grachten en loopmijnen, het aanbrengen van krijgsvoorraad en levensbehoeften, tot dat alles werd de bewoner van het platte land gebezigd. ( In het begin der zeventiende eeuw hebben dorpen zich tegen de diensten, voor zoo ver het versterken der steden betrof, verzet; ofschoon een landdagsreces d.d. 10 Maart 1578 de verpligting nog duidelijk had opgelegd; maar het hof handhaafde de steden, bij een arrest van 16 Julij 1624. Zie hierover het Berigt aangaande het oud archief der stad Hattem, door P. Nijhoff; een copie van het arrest berust op het archief te Harderwijk.

   Menigvuldig zijn de stukken aangaande dit regt van Schoonderbeek; in 1554 handhaafde het hof Anna in deze hare regten en in 1592 den toenmaligen heer. Zoowel Reinier van Vaneveld schout van Putten in 1575, als Gerrit van Aller schout in 1592 verklaarden destijds, “ dat solanghe hy ( Vaneveld) eertijds scholt to Putten geweest was, nywerelts dat dorp Putten noch den Brynck ende de inwoenders van dien tot pijonieren, waghengelden, clockenslach, heeren reysen ende tochten ende dergelicken gedaen offte gebodet sijn geweest woe well sulcx by mijne tyden geschiet, als voer Buyren, Deventer. ( Slichtenhorst, Geldersche Geschiedenis, zegt op blz. 539, “na ’t bezetten van Kampen trok Rennenberg ( 1578) met tien benden knechten op Deventer, hierby komende verscheidene vaendels van landluyden ende burghers door Gelderland allenthalve opgeligt) ende anders, daer ick doch selver in persone met de karspel luiden van Putten mede byn henne getogen, dan de dorpers van Putterdorp ende de Brynkers noyt daerom angesocht, noch gevordert synnen geweest, om redenen sy den huise van Schoenderbeeck daarvoer ten diensten stonden.” In andere stukken verklaren onderscheidene personen, de door ons genoemde diensten te hebben verrigt, en daarbij niet het minst, den hertog bij zijn veelvuldig bezoeken van Anna te hebben bewaakt, of haar en volgende heeren op de jagt te hebben vergezeld.

Van waar dat regt, door Schoonderbeek over de kom van het dorp en den brink gevoerd? Mogen wij hier dnken aan die eerste tijden onzer geschiedenis, toen de oude bewoners des lands met het grondgebied aan de overwinnaars werden geschonken en onderling verdeeld, toen die overwinnaars hun het leven en het gebruik hunner goederen lieten, op voorwaarden van tijns te betalen en diensten te verrigten; mogen wij dan besluiten, dat zoodanige overwinnaar, heer van Putten geworden, zich aan de boorden der beek vestigde en Schoonderbeek stichtte? Geheel onwaarschijnlijk is dit niet: de oorkonden toch bij Bondam, in zijn Charterboek, te vinden, tonen aan, dat er in Putten een groot aantal vrije goederen bestond, waarover in de vroegste tijden beschikt werd. Of zoude eene verklaring, in 1691 voor den schout van Putten, Maurits van Aller, afgelegd, dat het dorp van Putten, als ook de Brink, van alle heeren – diensten, uitgezonderd  die aan het huis Schoonderbeek te bewijzen, door Anna van Gelder voor het bewaken van den hertog gevrijd waren, ons op het spoor moeten brengen?

Wij willen in deze niet beslissen; doch indien Anna zonder toestemming des hertogs zoodanige vrijheid schonk, dan heeft zij voorwaar meer als veelvermogende dochter, dan als burgvrouw van Schoonderbeek gehandeld, en dan verwondert het ons, dat dit misbruik van gezag na haren dood en dien van haren vader niet gefnuikt en hare handeling als onregtmatig beschouwd is geworden.

Veel zal gewis ook Anna bij den dood van Karel in 1538 verloren hebben. Zoo lang hij leefde, vond de dochter steun in den vader; zij was toch altijd de dochter van de vorst. Ware nu maar zijn opvolger Willem van Kleef aan het bestuur gebleven; maar wij weten het, dat deze zich in 1543 aan den keizer Karel onderwierp en Gelderland moest bukken. Zal nu de keizer de verbintenissen van zijnen vijand gestand doen, en ook Anna in het bezit laten blijven van hare renten en goederen?

Deze vragen rezen ook bij haar op en baarden haar onrust. Zij wendde zich dus tot den keizer, en nòg is de beschikking, namens dezen, door kanzelier en raden van Gelderland in het jaar genomen, aanwezig, waarbij bevolen wordt: “die drostinne by oer gebruick oer leven langk te halden”, terwijl de schout zorg moest dragen, dat de bewoners van den Brink niet in gebreke bleven haar te dienen; want ook deze waren, nu zij in Anna niet meer de dochter van den hertog zagen, in het volbrengen harer bevelen traag geworden.

Lang heeft Anna deze beslissing niet overleefd; in het begin van het jaar 1557 betreurt hare zuster Ismeria van Gelder haren dood op Schoonderbeek – en niet ten onregte; zoo derfde zij toch niet alleen haren steun, hare eenige zuster, maar buitendien, aan Anna was het gebruik van het slot gedurende haar leven toegestaan, niet aan hare zuster. Wel toonde Ismeria, door verklaringen van getuigen, aan, dat Schoonderbeek eene puinhoop geweest was toen Anna het ontving, dat deze het uit hare middelen in den tegenwoordigen staat gebragt had en dat zij nu als erfgenaam in hare plaats trad; maar vruchteloos. Volgens een brief van Johan Bentinck d.d. 29 April 1577, werd den schout van Putten gelast, om, namens den koning, aan Ismeria de bewoning van het huis tot den 24ste van zomermaand als eene gunst toe te staan, maar haar te bevelen, om het dan te ruimen. Aan wederstand was voor de zwakke vrouw niet te denken; zij begaf zich naar Harderwijk en stierf daar den 15 September 1588, na eenen kommervollen ouderdom doorgeworsteld te zijn; want zij genoot uit de domeinen van het vorstendom en van Steenbergen eene lijfrente van vijftig caroli gulden, “dan dair van in lange tit egeene betalingh gekregen, und hefft also allein moeten leven op die voorschreve liefrente ut die domeinen komende, und anders geen goett gehadt, alsoe dat sy alle ire gereede goederen, mede om sich noitruftiglich te erhalden, hefft moeten verteeren.” Ofschoon zij in de groote kerk op het hooge koor werd begraven, zoo verbood hare afkomst geschieden zou. ( Zie de stukken bij G.van Hasselt, Geldersche Oudheden, blz. 242 en volgende, waar echter niet volgens waarheid door hare nicht Anna van Gelder wordt gezegd, dat zij Putten “om het verloop der husluiden”had verlaten.)

Schoonderbeek werd nu in het openbaar namens de koning te Nijkerk verkocht en met “alle zyne in- en toebehoeren, coninwaranden, holt, thienden in den ampte van Nykerke, genant Steenler, renten en die Duysthiende, aan eenen van adel dezer lande, mit name Elbert van Voorst en jonkvrouwe Johana van Arnhem, den 27 Maart 1560 overgedragen.” Van Voorst of van Voerst verklaarde later, dat hij daartoe zijn vaderlijk en moederlijk erfdeel in den lande van Kleef, de Betuwe en andere oorden verkocht had en groote kosten tot verbetering besteed; want hij wenschte tot zijn gemak en nut ingerigt te zijn. En inderdaad, wanneer wij nagaan, hoe van Voerst zijne regten op de jagt handhaafde, hoe bemind hij bij de ingezetenen zijner woonplaats was, dan mogen wij besluiten, dat Schoonderbeek zich in waardige handen bevond.

Vreemd moet het hem daarbij zijn voorgekomen, na zestien jaren in het rustig bezit te zijn gebleven, eensklaps over het eigendom in regten geroepen te worden. Wel kwam de momber van Gelderland namens de koning voor hem in vrijwaring; maar wat baatte hem dit, zoo de heerlijkheid, waar hij nu rustig gezeten was, ontruimd moest worden, en derwaarts scheen de schaal der geregtigheid te neigen. Reeds had het landgerigt en daarna de beroemde klaarbank aan Engelanderholt verklaard, dat Sander Bentinck nimmer het regt bezeten had, om die havesathe te verkoopen; dat niet hij, maar het geslacht der van Aller’s, eigenaren waren; reeds was de uitvoering van het vonnis gelast, toen over die uitvoering op nieuw een twistgeding werd toegelaten, waarin eerst in 1579 ten voordeele van van Voorst uitspraak gegeven is. ( In strydiger executionis saecke, hangende voor den have des furstendoms Gelre en graefschaps Zutphen, tusschen Christophoren van Voshuysen und Wolteren van Buuren, vur oer selfs, und van wegen oer consorten, clegeren eens, und den momber deser landschap, als intervenierende und garand vur Elbert van Voerst, beclachten und opponenten anderdeels. Gesien die beider sijdts by maniere van eisch, antwoordt, replick und duplick ingediende schrifturen, und daerby gefuechde onderscheitlicke bewijsstucken, als oick die acten van furnissement und conclusie in rechte. Tselve hoff, gecommunicieert hebbende mit die heeren, die die alinge landtschap daertoe specialiek gecommitteert heeft, und op alles gelet daerop eenigsints to letten stonde, doende recht, rejecteert die vonnissen und decreten in punctum executionis by die aenleggeren ingebragt, als abusivelick und nulliter geobtineert. Verclaren voorts, dat ’t huys Schoonrebeeck und die guederen van olts und rechte wegen tot derzelver huyse gehooren, der versochter executionis niet onderworpen sijn, und sulcx onvermindert und sonder praejuditie van die gerechtigheid, die die clageren muegen hebben tegens andere personen und guederen, rakende off gekomen uit dat erfhuys Gijsberts van Aller Claasz. Die onkosten om redenen compenserende. Aldus gepronuntieert in den hove provintiaal des furstendoms Gelre und graefschaps Zutphen tot Arnhem den 19 Martii 1597.

(Get.)  Sluijskens.

Het kan het dorp Putten niet onverschillig geweest zijn, eenen man van invloed als van Voorst onder zijne inwoners te tellen. Zoo vinden wij toch eenen brief waarbij Robert van Leycester den 10 April 1586 aan zijne onderhoorigen beval, om jonkheer Elbert van Voerst, zijn huis en huisgezin, mitsgaders alle de ingezetenen van het ambt Putten, hunne huizen, stallingen, beesten, vruchten, granen en verder alle roerende goederen en onroerende goederen als zijn eigen te beschermen, van alle overlast, brandschattingen, geweld en schade voortaan te vrijwaren, waarom zijn wapen op het huis Schoonderbeek gesteld mag worden. Uit dien hoofde beleende dan ook welligt de abdij van Abdinckhof hem met zadelleen Schoutmansgoed, bij Putten gelegen; want de kelnerij had voorwaar in deze onrustige tijden wel eenen magtigen beschermer noodig, en wij hebben het reeds gezegd, dat die goederen onmiddellijk aan elkander grensden. ( Een zadelleen verstierf alleen op eenen mannelijken erfgenaam en moest verheergewaad worden met een paard, een reizig paard genoemd, omdat het gezadeld en alzoo reisvaardig moest zijn; doch in plaats van dusdanig paard werd dikwerf eenig geld, door den heer bepaald, betaald. Zoo zegt de beleeningbrief: “te verheergewaden zoo dikwerf het komt te erledigen met zeven oude fransche of keizersschilden, of de regte waarde daarvan, binnen een maand na het overlijden van den bezitter, en zal de regte volger het leen wederom werven en verheffen. Ook zal de vasalle, zoo dikwijls een nieuwe abt verheven wordt, aan denzelven het gewoonlijke eed van getrouwigheid vernieuwen, mits betalende de jura van ouds daartoe staande.”

De verdere oorkonden van Schoonderbeek maken ons slechts bekend met de latere bezitters, of met huisselijke omstandigheden, zoodat zij geene stof leveren om iets meer dan slechts namen mede te deelen. Volgens eene akte, verleden voor Diderick van Lijnden in 1645, verzekerden Elbert van Voorst en Assuera Hackfort echtelieden, heer en vrouwe van Schoonderbeek, elkander het vruchtgebruik van deze plaats; daarna wordt in 1670 als heer van Schoonderbeek genoemd Elbert Assuer Reinier baron van Voorst, vrijheer van Gent enz., erfkamerheer des vorstendoms Gelre en graafschap Zutphen, gehuwd met Mechtelt Adriana de Renesse. Na hem treffen wij Hendrik van Middachten, gehuwd met Ernestina van Raesfelt, door koop omstreeks het jaar 1691. Maar nogmaals werd dit goed met het geslacht van Voorst verbonden, want na van Middachten was Anna Cunegonda van Voerst, douarière den heer Frederik Gerrit baron van Zuijlen van Nijeveldt, vrouw van Schoonderbeek. Zij hertrouwde met Johan Peter Becker, hofraad des konings van Pruisen, doch, bij scheiding met hare kinderen in 1735, bleef meergemeld goed haar toebehooren en Becker werd er mede beleend. Maar nu volgden onderscheidene eigenaren spoedig na elkander, tot dat, in 1812, T.E. Hoynck van Papendrecht, gepensioneerd generaal – majoor, gehuwd met Johanna Maria Heshusius, en spoedig daarop F.H. Schmidt, voorkomt, waarna het goed in handen der tegenwoordige eigenaars komt.

Zie daar hetgeen mij door meergemelde stukken omtrent Schoonderbeek bekend werd: mogt het aanleiding geven, dat ook anderen hunne zolders en kisten of kasten onderzochten.

XXXXXXXX

Dit bericht was geplaatst in Geldersche Volks-almanak, Redactie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *