Schutgilden op de Veluwe.

 

Aanteekening

Omtrent de oude

Schutgilden op de Veluwe.

 

Onder den naam van gilden waren oudtijds in ’t algemeen zulke genootschappen bekend, wier leden zich vereenigden tot bereiking van hetzelfde doel, en wier verordeningen, in algemeene vergaderingen vastgesteld, door bestuurders, onder den naam van meesters, hoofdmannen, overlieden of dekens, ten uitvoer werden gebragt.

Onder die gilden onderscheidt men ambachtsgilden en schutgilden. De laatstgenoemde waren zulke genootschappen, wier leden zich in den wapenhandel oefenden en zich verbonden om de stad of het gewest hunner inwoning tegen den inval van vreemde benden of tegen willekeurig geweld te beschermen. De behoefte aan zoodanige vereeniging liet zich gevoelen in den tijd, toen nog geen geregelde krijgsmagt op de been werd gehouden, en leenmannen en bezoldigde knechten alleen voor de bijzondere belangen van hun leenheer of aanvoerder streden.

Die gilden hielden op vaste tijden hunne wapenoefeningen, feestelijke optogten en spelen. Met de meeste plegtigheid werden die gevierd op den feestdag van den Heilige, onder wier bescherming zij zich hadden geplaatst. Die dan de meeste blijken van moed, kracht en behendigheid in ’t gebruik der wapenen betoond had, werd als koning begroet. Hij werd bekransd en met eereteekenen omhangen; op den maaltijd had hij de vooraanzitting, en de eerste dronk was hem gewijd; onder muzijk werd hij naar zijne woning geleid en het gansche jaar door als schutterskoning begroet.

Door de jaarlijksche bijdragen der leden had elk gilde eenig inkomen, hetgeen voor een gedeelte werd aangewend tot ondersteuning van verarmde gildebroeders en tot bekostiging hunner uitvaart. Vaak hadden zij ook in de hoofdkerk der parochie hun eigen altaar of kapel, en besteedden, naar den geest van die tijd, daaraan niet weinige kosten.

In sommige steden, ook in Gelderland, hadden de gilden een staatkundige invloed: soms vertoonde zich die in het deel, dat zij namen in de voordragt of de verkiezing der leden van den magistraat; ook soms dáárin, dat zij, als vertegenwoordigers der burgerij, de handelingen der overheid gadesloegen en de uitvoering van besluiten, welke zij nadeelig rekende, konden verhinderen.

Het tijdperk van de oprigting der eigenlijke schutgilden op de Over- Veluwe is moeijelijk te bepalen.

Te Hattem vindt men in de 14e eeuw van het schuttersgilde van het Heilige Kruis, of de Olde- Schutten, het eerst gewag gemaakt, en daarna van dat van Sint Anne. Beiden werden door de Geldersche hertogen in het bijzonder begunstigd. Deze stad was sedert het begin der 15e eeuw de tijdelijke verblijfplaats der Geldersche vorsten, en wijl hare schutterij, door gehechtheid aan den vorst en bedrevenheid in de behandeling van den stalen hand- en voetboog, aan hertog Adolf dierbaar was geworden, nam deze vaak, even als zijne voorgangers, met de burgers deel in de spelen en wapenoefeningen, en schoot met zijne medebroeders om den prijs der overwinning. Bij zoodanige gelegenheid schonk hij hun eens, als belooning voor hunne dapperheid en trouw, eene ronde plaat van één palm middellijn, hangende aan eene zilveren ketting, op welke plaat, in verheven beeldwerk, voorkomt, in het midden het wapen van Gelderland, waarboven een nederdalende vogel met eenen ring in zijn bek, terwijl aan de regterzijde van het wapenschild in gedreven zilverwerk het afbeeldsel van de heilige Anna gezien wordt. Met dit versiersel werd de schutterkoning bij feesten, optogten en maaltijden als teeken zijner waardigheid omhangen. – In 1523, onder hertog Karel van Egmond, werden de Oldeschutten van het Heilige Kruis met die van Sint Anna tot één gezelschap vereenigd. Sedert dien tijd werd jaarlijks door den tijdelijken schutterkoning, na behaalde overwinning, aan de gemelde zilveren parure een schildje gehangen van omtrent 6 ned. Duimen middellijn, waarop zijn naam, zijn geslachtswapen en het jaartal gegraveerd was.

gildeketen-hattem

Deze zilveren halsketting, nu van negentien zulke zilveren schilden voorzien, wordt nog op het stadhuis te hattem bewaard. Ten tijde van de onlusten in het laatste vierendeel van de voorgaande eeuw heeft die ketting eene bijzondere vermaardheid gekregen. Gelijk elders, zoo heerschte toen ook te Hattem ontevredenheid over den bestaanden regeringsvorm. Men achtte het onbestaanbaar met de vrijheid der ingezetenen, dat de leden van den magistraat door den stadhouder werden verkozen en wilde die keus weêr terugbrengen aan de gilden, voor zoo ver deze haar vroeger hadden bezeten. Inderdaad werden de gilden opgeroepen en kozen zij een vijftal gemeensmannen: zóó werden toen de vertegenwoordigers der burgerij genoemd. Aan het hoofd der bijeenkomst, waar dit voorviel, was Mr. H.W. Daendels, toen koning van het St. Annagild, en ten teeken daarvan met den vermelden zilveren keten omhangen. Eerlang verzocht de burgerij, dat deze in plaats van zijn kort te voren overleden vader tot burgemeester mogt benoemd worden. Hij bragt de oude wapenoefening weder in werking en vereerde, ter gedachtenis daarvan, aan zijn gilde, een zilveren penning, waarop aan de voorzijde een Geldersche boogschutter met het opschrift verus Gelrus, aan de tegenzijde zijn geslachtswapen en het jaartal 1786 geplaatst was. De gevolgen dezer bewegingen zijn bekend: op verzoek der Staten van Gelderland zond de stadhouder eene krijgsmagt om den vorige toestand van zaken te herstellen, en wat daaraan toen nog ontbrak werd in het volgende jaar, door de overmagt der Pruisische wapenen, voor een tijd lang tot stand gebragt. – Van toen af waren de gilden hier, gelijk elders, in stilte werkzaam, totdat zij, ten gevolge der staatsregeling van 1798, ontbonden werden.

X

    Even als in Hattem, bestond te Epe reeds in de 14e eeuw eene Memorie of Broederschap aan Sint Antonius toegewijd, waarin personen van alle stand en geslacht werden aangenomen. Behalve hetgeen zij bij de aanneming als intrede betaalden, werden van hen nog eenige opofferingen gevorderd voor de bijzondere zamenkomsten. Dit gezelschap vergaderde in het begin van elke maand: zij waren daarbij de afgestorvene broeders en zusters in hunne gebeden gedachtig en besloten met een biergelag.

kruisboog

Toen, bij zekere gelegenheid, weerbare ingezetenen uit Epe, gelijk uit de overige Veluwsche dorpen, op last van den oorlogzuchtigen hertog Karel, opgeroepen waren, om – zoo het heette – tot verdediging des lands uit te trekken, maar inderdaad, om hem in het bevorderen van zijne heerschzuchtige oogmerken te dienen, trokken zij met het toen gebruikelijke wapentuig, de voet- en kruisbogen, ten strijde. Teruggekeerd, bleven zij zich gezamenlijk in de behandeling dier wapenen oefenen en – waarschijnlijk opdat daarbij meer regelmatigheid zou plaats hebben – werd toen de genoemde broederschap van Sint Antonius in een schutgilde vervormd. De overeenkomst hiertoe werd getroffen op Pinksterdag van het jaar 1504 en daarbij onder anderen bepaald: dat niemand in het gilde zou mogen worden aangenomen, dan met toestemming der gildemeesters en tegen betaling van een derde deel van een Rijnsch gulden; dat men viermaal jaarlijks het gildefeest zou vieren; dat, zoo een van de gildebroeders of zusters kwam te overlijden, de gildebroeders verpligt waren het lijk te helpen ter aarde bestellen en bij de uitvaart te offeren; dat wie bij de teerdagen meer dan tweemaal twist of ongenoegen veroorzaakte buiten het gild gesloten zou worden, en dat bij elke schutterlijke bijeenkomst ieder gilde gildebroeder verpligt was, met zijne kruisboog te verschijnen, op eene boete van een half vat biers enz. enz. Op zoodanigen voet had dit schutgilde stand gehouden tot het jaar 1621, toen men, ten gevolge der kerkhervorming en andere omstandigheden, er toe overging, om aan de opkomsten eene andere bestemming te geven, en eene nieuwe verordering daarstelde, die wel hoofdzakelijk met die van 1504 overeenstemde, maar waarbij op de veranderde omstandigheden en begrippen acht geslagen werd; ook voegde men er eenige bepalingen bij omtrent het schieten naar den papegaai op Pinksteren, en stelde men regelen vast omtrent het medebrengen van gasten; voorts werd bepaald, dat degene, die den papegaai zoude afschieten, zoodra hij met dezilveren parure omhangen was den schutkoning voor dat zilver moest borg stellen. – Of dit, even als in Hattem, bestond uit eene halsketting met daar aan hangende schilden, is ons niet gebleken; alleen weten wij, dat ieder gildebroeder op de vier teerdagen verscheen met zijne gewone parure, bestaande in een zilveren papegaai, zoo als die, waarvan nog een fragment te Epe bewaard wordt.

In deze gemeente bestond nog een tweede schutgilde, dat Sint Maarten tot schutsheilige had aangenomen. De leden behoorden onder de buurschappen Empe, Westendorp, Wissel en Zuuk, van welke vereeniging ook nog eene zilveren parure aanwezig is, bestaande mede in een papegaai aan een zilveren kettingje hangende. Deze korporatiën zijn tot nog toe in het bezit der zoogenaamde gildelanden, welker opbrengsten genoegzame middelen opleveren om in den winter uitdeelingen van brood te doen aan zulke behoeftigen, die niet door de diakonie bedeeld worden; daarenboven bekostigen zij het onderwijs van een dertigtal kinderen, wier ouders geen schoolgeld kunnen betalen.

XX

    Te Harderwijk was, onder de vele gilden, die van St. Jurriaan de voornaamste. Deze broederschap was oorspronkelijk gesticht met het doel om te voorzien in het onderhoud van arme schippers en zeevarende lieden, die op Oost en West gevaren hadden en verarmd waren. Zij werd ten jare 1461 in een schutgilde herschapen.

St. Georgius ( of St. Joris of Jurriaan) bleef de schutheilige, als hebbende, met het teeken van het kruis, duivels uit de kerken verdreven, bergen verzet, zeeën uitgedroogd en rivieren in haren loop gestuit, – Deze broederschap bestond uit meer dan zeventig personen. Men nam daarin niet anders op dan de meest aanzienlijke burgers, als schippers, kooplieden, stuurlieden, scheepstimmerlieden, en geen handwerkers noch menschen van onzekere geboorte. Onder bepalingen van den gildebrief is, dat de gildebroeders jaarlijks op vastenavond het gildebier zouden drinken. Wie niet mede dronk, zonder om ziekte het huis te moeten houden, betaalde eene geldboete. Ieder gildebroeder mogt eenen vreemdeling medebrengen, die tegen eene geringe betaling mede mogt drinken. Bij die zulke gelegenheden, of op andere bijeenkomsten der gildebroeders, een ander scheldwoorden toevoegde of anderszins hun smadelijk bejegende, verbeurde een vat bier; die elkander sloegen werden ieder met twee vaten bier beboet.

Het versiersel, door de leden bij hunne feestelijke zamenkomsten gedragen, bestond weder in een zilveren papegaai, hangende aan een zilveren kettingje, door een ponceau- rood lint op de borst bevestigd; een daarvan wordt nog op het stadshuis bewaard.

XXX

    In Elburg is tot nog toe geen spoor te ontdekken van het bestaan van een schutgilde. Alleen vinden wij in den gildebrief van het St. Josephsgilde van 20 Februarij 1706 art.4. “ Alle meesters van desen gilde sullen hebben ende onderholden een goedt roer met zijn toebehoer, tot genoegen der schepenen, burgerhopmann en bevelhebberen van de vaandelen waaronder zij behooren, om hetzelve te waghten ofte in tijt van nooth te gebruiken.”

XXXX

  1.                                                                                                        G.H.W.
Dit bericht was geplaatst in H.G. Haasloop Werner..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *