Stadse manieren op het platteland.

 

Stadse manieren op het platteland.

Een rechtszaak uit de achttiende eeuw over grondbezit op Gerven.

Peter Bijvank.

 

   Op 17 juni 1705 werd Aert Custers, toezichthouder op het Hellerveld, gedagvaard door het Hof van Gelre en Zutphen te Arnhem. Dit gebeurde op aansporing van Pilgrom Wolfsen en zijn vrouw Gerharda van Nulde uit Harderwijk, bezitters van de boerderijen Middel en Groot Gerven te Putten. Aert Custers had een jaar daarvoor de jonge boompjes langs de oprijlaan van Middel en Groot Gerven “ uitgetrokken en weggesmeten” omdat de laan, volgens de veldgraven van het Hellerveld, illegaal was aangelegd. Pilgrom en zijn vrouw bestreden dit en eisten schadeloos gesteld te worden. Er volgde een rechtszaak waarbij diverse getuigen werden gehoord. Maar hoe kwamen deze stadse mensen verzeild op de oude kloostergoederen van Gerven? De rechtszaak uit de 18e eeuw geeft een beeld van het grondbezit en grondgebruik van de kloostergoederen in de omgeving van Putten en Nijkerk. Een artikel over stadse heren op het platteland.

Figuur 1 stadse manieren

   Pilgrom Wolfsen was geboren in Elburg en woonde in Harderwijk. Hij was van goede afkomst; Zijn vader Arnoldus Wolfsen was burgemeester in Elburg geweest en later zou de zoon van Pilgrom het tot burgemeester van Harderwijk brengen. Pilgrom trouwde in 1694 met Gerharda van Nulde. Dit Veluws geslacht bezat meerdere landerijen en huizen op de noordwest Veluwe, waaronder de boerderijen Groot- en Middel Gerven in Putten. Van de rechtszaak die Pilgrom in 1705 begon ( Hof van Gelre en Zutphen, inv.nr. 5721, Civiele processen 1707, nr. 12 ) kennen we jammer genoeg niet de uitkomst. We kunnen proberen om, op basis van de bezitsverhoudingen van die tijd, de uitspraak te reconstrueren. De zaak speelde zich af tegen de achtergrond van grondbezit op het platteland die wij ons tegenwoordig moeilijk kunnen voorstellen. Verschillende personen en instanties hadden op één of andere manier belangen bij de boerderijen rond Nijkerk en Putten, waaronder deze Puttense buurschap Gerven. Deze onderlinge verbanden zijn voor ons zo moelijk te begrijpen omdat ze direct terugverwijzen naar het domaniale stelsel ( Organisatievorm uit de periode tussen ca. 800 – 1100 na Chr., waarbij landerijen en boerderijen van een grondheer of in dit geval abdij, vanuit één of meerder hoven ( curtis) worden beheerd.) en het gezamenlijk bezit van woeste gronden binnen marken, of in dit geval, maalschappen.

Onenigheid over boompjes langs een laantje op het Hellerveld.

   Van het incident, het “uittrekken en wegsmijten” van de jonge aanplant door Aert Custers, schut of scheuter ( Het woord “scheuter” is afgeleid van “schut” of “schot” wat afgepaald stuk land betekend ( M. Schönfeld, 1980 ). Het schutten of schotten van vrijlopend vee was één van de taken van de scheuter). van het Hellerveld, werd serieus werk gemaakt door Pilgrom en zijn vrouw. In het voorjaar van 1704 werden de ruim 70 jonge boompjes door Aert Custers uitgetrokken en een jaar later werden de getuigen ( 14 ( ! ) boeren van een aantal omringende boerderijen) gehoord door de schout van Putten en Nijkerk namens de landdrost van Veluwen ( De landdrost of baljuw was een ambtenaar die door het Hof van Veluwe en Zutphen ( één van de kwartieren van Gelre) werd aangesteld als o.a. rechtshandhaver van het gebied). te Arnhem, de heer Johan van Arnhem, heer van Rosendael tot Harsloo. Het laantje, of de allee waarover in de rechtszaak werd gesproken, was ruim honderd meter lang en lag vlakbij de ook nu nog bestaande boerderij Groot Gerven aan het begin van de tegenwoordige Gervense weg. Aert Custers handelde in opdracht van de bestuurders, de zogenaamde veldgraven, van het Hellerveld.

Het bezit van de woeste gronden.

   De woeste gronden, veelal natte, boomloze heidegronden die de ontginning Gerven tot ver in de 19e eeuw omringden, waren oorspronkelijk in bezit van het bisdom Utrecht. Rond 1200 kreeg de graaf van Gelre de landsheerlijke rechten binnen dit gebied van de bisschop in leen. Aan het einde van de 14e eeuw werden deze gronden door de ( inmiddels) hertog van Gelre in tijns uitgegeven aan “de bueren van Renxeler, van Gherwerdingen ende van Slichtenhorst”. Deze gronden werden niet ontgonnen maar liet men grotendeels “woest liggen” om ze als plagveld of weidegronden in gezamelijkheid te gebruiken. Vermoedelijk zijn met deze uitgifte de eerste marken of maalschappen in dit gebied ontstaan. Noordelijk van Gerven lag het huinerveld ( rondom de Puttense buurtschap Huinen)  en in het zuiden het Hellerveld ( genoemd naar de ontginning Hell in het zuiden van Putten). Voor het gebruik van het veld werden door de maalschap strikte regels opgesteld in zogenaamde keuren. In dit geval de “malenkeur “ van het Hellerveld ( vgl. Kroes, 1998 en Wartena, 1975).

Restanten Hellerveld

Uit de getuigenverslagen blijkt dat de focus van de zaak gedurende het proces verschoof van het uittrekken van de jonge boompjes langs het laantje, naar het gebruik van een stukje van het Hellerveld dat ingeklemd lag tussen de beide boerderijen van Pilgrom Wolfsen. Vooral de schout van Nijkerk ( De getuigen werden zowel door de schout van Nijkerk, Wulft van Rijs, als door de schout van Putten, Huijbert Huijbers, gehoord. Waarschijnlijk omdat het Hellerveld zowel in Nijkerk als Putten lag). vroeg hier nadrukkelijk op door. Hij wilde weten of de getuigen zich herinnerden dat “het volck van Pilgrom” de bomen op het ( Heller)veld in de zomer hadden gekapt en op “harderwijcker karren” hadden afgevoerd. Tijdens de zaak werd duidelijk dat de stedeling Pilgrom Wolfsen een stuk van de heidegronden van het Hellerveld langzaam maar zeker als zijn eigendom beschouwde. Pilgrom had dit stukje van het veld zelfs met sloten begrensd. Het maakte echter nog gewoon onderdeel uit van het “gemeene veld” of Hellerveld dat jaarlijks door de maalmannen werd “beheid, beweid en geplagd”, althans, dat beweerden alle getuigen.

Kloosterbezit.

Pilgrom en zijn vrouw Gerharda, voelde zich eigenaar van de twee Gervense boerderijen maar waren dat juridisch gezien niet. Gerven of Gerwerdingen, zoals het vroeger werd genoemd, is een middeleeuwse ontginning die eeuwen lang kloosterbezit is geweest. Twee Duitse kloosters uit Paderborn en Elten hadden in de 10e en 11e eeuw door schenkingen, gronden rond Nijkerk en Putten in bezit gekregen, waaronder de boerderij Gerwerdingen.

Door opsplitsingen lagen aan het begin van de 18e eeuw, de periode waarin deze rechtszaak zich afspeelde, in het gebied drie boerderijen met de naam ( afgebroken in het begin van de 19e eeuw), Groot- en Klein Gerwerden ( later de Keut genoemd), in het bezit van het Jufferenstift te Hoog Elten. Deze goederen waren bezittingen van deze kloosters en werden beheerd vanuit de hof van Paderborn, de Kelnarij, in Putten en de Eltense hof, de Kemna, in Appel.

Elterberg Stadse manieren

In de middeleeuwen werden de hofhorige kloosterboerderijen rondom Nijkerk en Putten gebruikt en bewoond door “lijfeigenen” of “horigen” van de genoemde kloosters. Deze horige boeren mochten de boerderij bewonen en de landerijen bewerken tegen een vergoeding, veelal een betaling in natura in de vorm van een hoeveelheid graan, die jaarlijks aan het klooster moest worden afgedragen. Deze jaarlijkse afdracht was slechts een ( klein)  onderdeel van de verplichtingen waaraan de horigen of keurmedigen van Gerven zich moesten houden. Met name de keurmede, een bedrag dat door de familie moest worden betaald aan het klooster wanneer de horige boer of boerin overleed, was geen “bevroren” vergoeding zoals de eerder genoemde jaarlijkse afdracht en kon oplopen tot tientallen guldens. De horige was daarnaast niet vrij om te gaan en staan waar hij of zij wilde. Om te trouwen moest bijvoorbeeld toestemming worden verleend. Daar tegenover stond de zekerheid dat je een boerderij mocht bewonen en bewerken en inkomsten had uit de producten die werden geteeld. De oudste zoon of dochter van een horige boer had het recht om zijn vader op te volgen en kon daar bestaanszekerheid aan ontlenen. Vgl. Bijvank ( 2012 ).

Na de getuigen verhoren kwamen op 29 september 1705 een rechter en griffier uit Arhem over om door middel van “oculaire inspectie van de Questiense plaetsen” de situatie te beoordelen. Het kostten de heren een dag om vanuit Arnhem naar Nijkerk te reizen. De volgende ochtend van de 30e septenber liepen ze gezamenlijk met beide partijen over de allee en het veld. Van deze inspectie werd een verbaal gemaakt met een schetskaartje ( zie figuur 2 ). Een intrigerend kaartje van een hoekje van de buurtschap Gerven in Putten dat na enig puzzelen op de huidige kaart gelegd kan worden ( zie figuur 4). Dit schetsje is het oudste gedetailleerde kaartje van een deel van Gerven.

Het hoekje van het malenveld, op het kaartje aangeduid met “Heller veld”, bestond in 1705 nog uit heide met hier en daar wat elzenbosjes. Door het gebied lag een groene laagte, de Bleickstroet genaamd. ( Blijcktroet of bleekstroet: een moerassige plaats of gebied ( stroet) die met gras is begroeid ( de bleek, de plaats waar de was te bleken werd gelegd, later algemene benaming voor grasveld, vgl. Hagoort, 1984). Deze laagte ligt hier nog steeds en behoort tot een lang, van oost naar west gerichte, dalvormige laagte die in de laatste ijstijd is ontstaan ( zie figuur 3). De noordzijde van het gebied grensde aan een klein bouwlandperceeltje met omwalling dat toen bebouwd werd door Aert Evertse van Wenckum van de boerderij Klein Gerwerden. ( Het betreft hier het perceel de Schraaijammer ( bron: Tiendarchief, inv.nr. 230, Hazelertiend). Een veldnaam die verwijst naar schraal of voedselarm bouwland ( Hagoort, 1984) ). De noordwestelijke punt grensde aan het langgerekte perceel Groot Eerdbergen, destijds ook in gebruik bij Aert Evertse.

Aan de zuidzijde van het stukje malengrond lag de “allee van Wolfsen” of de laan nabij de boerderijen Groot en Middel Gerven van Pilgrom Wolfsen. ( Deze boerderij werd aan het begin van de 19e eeuw afgebroken en stond oostelijk van de huidige t- splitsing Huddingweg – Gervenseweg). En om de bomen langs deze laan was het allemaal te doen. Zuidoostelijk van het veld stond ( en staat) de Eltense boerderij Groot Gerven ( op het kaartje aangeduid met “Malen erf”).

figuur 2 stadse manieren

figuur 3 stadse manieren

figuur 4 stadse manieren

Het Paderbornse Middel Gervenlag oostelijk van het veld ( “Hofstede van Wolfsen”) langs de tegenwoordige Huddingweg. Op de kaart uit 1803 van M.J. de Man komt de situatie nog vrijwel overeen met de schetskaart die honderd jaar daarvoor werd gemaakt ( zie figuur 5). De “allee van Wolfsen” was een laan met aan beide zijden een wal waarop bomen ( beuken) waren geplant. Deze laan ging vervolgens over in een pad ( nniet aangegeven op het schetskaartje) over de boomloze heide, richting boerderij Blarinckhorst. Dit pad liep grotendeels parallel aan de huidige Gervenseweg maar had niet dezelfde loop als de huidige ( zand) weg. ( vgl. Kadastrale Atlas Gelderland 1832, Putten).

figuur 5 stadse manieren

Stedelijke bezittingen op het platteland.

In de loop van de 15e en 16e eeuw werd door de groei van omringende steden als Harderwijk en Amersfoort de stedelijke invloed op het landelijke gebied van Nijkerk en Putten steeds meer voelbaar. Patriciërs, maar ook vermogende boeren, ambachtslieden en bestuurders uit deze steden, werden in toenemende mate beleend met kloostergoederen. Ze gingen er niet zelf wonen maar verpachtten de boerderijen aan lokale boeren. Deze vrije “heren uit de stad” verbonden zich niet in horige status aan deze hofhorige kloostergoederen. Sommige kochten het goed vrij uit de horigheid maar de meesten betaalden zogenaamde “oprukkingen”, uitstel om in de horigheid te vervallen. Dit uitstel werd meestal voor zes jaar verleend en moest dus elke zes jaar tegen betaling worden verlengd. De stedelijke eigenaar bleef wel keurmedig ( dit gold niet voor de gevrijde boerderijen). Door zich op deze wijze aan de kloostergoederen te verbinden kon de stedeling op een veilige manier geld vastleggen en goederen verwerven ( met name timmer- en brandhout). Daarnaast gaf het landbezit ook aanzien. Vgl. Posthumus ( 1953), Van de Vlier (2005), Spek ( 2010)

gezicht op harderwijk

 

Onderlinge verhoudingen.

   De stedeling Pilgrom Wolfsen werd geconfronteerd met de relicten van een feodaal systeem. Hij voelde zich eigenaar van de twee Gervense boerderijen maar was zich steeds bewust van de nabijheid van de oude kloosters. Uit een overzicht van betalingen (Kelnarijarchief, inv.nr. 268) van de boerderij Middel Gerven aan de Kelnarij (de Kelnarij was van de Puttense hof ( curtis), een soort filiaal van het klooster de Abdinghof te Paderborn in Duitsland. De Kelnarij werd beheerd door de kelner of kellenaar) is het volgende te lezen:

tekst Pilgrom Wolfsen

 

Pilgrom Wolfsen vraagt toestemming om enige eiken bomen van Middel Gerven te verkopen en belooft de Kelnarij vijfendertig gulden wannneer ze verkocht worden. In mei 1698 ontvangt de Kelnarij deze vijfendertig gulden. Deze verplichting betrof de zogenaamde “derde penning of boom” waarbij de Kelnarij recht had op elke derde boom die werd gekapt. Pilgrom moest zich steeds verhouden tot de Puttense Kellenaar en voor het goed Groot Gerven tot de rentmeester van het stift te Elten ( deze woonde op de Kemna in Appel). Wanneer hij zijn bezit langzaam wilde uitbreiden richting de voor hem waarschijnlijk nutteloze heidegrond, trof hij de maalschap op zijn pad. Pilgrom bezocht zijn boerderijen waarschijnlijk slechts nu en dan om met zijn pachters zaken te bespreken. Waarschijnlijk had hij ook hier personeel voor. De pachters van de Gervense boerderijen woonden hier vaak al generaties lang en zagen verschillende stadse heren en dames aan het toneel voorbij schuiven. Deze boeren waren niet horig aan de kloosters, hun pachtheer betaalde immers oprukkingen, maar moesten wel de jaarlijkse afdracht in natura aan de kloosters afdragen.

De ouderdom van de allee.

Over de ouderdom van de “allee” wordt op basis van de rechtszaak ook iets meer duidelijk. De schout van Putten, Huijbert Huijbers, ondervroeg tijdens het proces onder andere de boeren die op dat moment de Gervense boerderijen bewoonden. Hij vroeg “Off die allee niet alle enige jaeren voor de franse invasie van 1672 in wel veertich jaer daer gepoot sijn en gestaen hebben?” Peter en Rijck Bessels ( pachters van Middel Gerven) en Wouter Henricks ( woonde op boerderij de Huddinck richting Huinen) antwoorden”.. dat die allee daer all voor den fransen tijt 1672 gepoot is geweest (…) dat de secretaris Heeck die allee heeft laten pooten..” ( Bron: Hof van Gelre en Zutphen, inv.nr. 5721, Civiele processen 1707, nr.12). Deze Willem Heeck was secretaris van de gemeente Harderwijk, gildemeester en oudheidkundige ( Vgl. Van Meurs, 1888 ) en volgens de Gervense getuigen degene die de allee of laan had aangelegd ( tussen 1653 en 1672) en de “zeer slechte weg”had verbeterd.

De waarschijnlijke afloop van het proces.

Waarschijnlijk zal Aert Custers, en daarmee de maalschap, de schade aan de boompjes hebben moeten vergoeden. Uit meerdere getuigenverslagen bleek namelijk dat Willem Heeck, de voorganger van Pilgrom, toestemming van de maalschap had gekregen om het laantje te verbeteren en met bomen mocht bepoten. Pilgrom zal vervolgens te horen hebben gekregen dat hij het hoekje van het malenveld tussen zijn beide erven, niet vrij mocht gebruiken. Dat bleef een “gemeen veld” zoals dat al eeuwen in gebruik was door de boeren van de buurschappen Gerven en Hell. Een stadse en voorname afkomst, kon daar niets aan veranderen.

figuur 6 stadse manieren

Literatuur

Bijvank, P.,2012, De zoektochtnaar boerderij Middel Gerven, over Eltens en Padeborns grondbezit. http://historischgeografischeartikelen.files.wordpress.com.

Flier, H.van der, 2005, Verpondingenboek Nijkerk 1650. Rosmalen.

Hagoort, W.J., 1986, Bijdrage tot de toponymie van Putten, De veld- en plaatsnamen in de buurtschappen Hel, Gerven, Diermen en het Puttense deel van de polder Arkenheem.

Doctoraal scriptie RU Utrecht. Utrecht.

Kist, N.C., 1853, Het necrologium en het tynsboek van het Adellijk Jufferen – Stift te Hoog – Elten. Leyden.

Kroes, J., 1998, De middeleeuwse kampontginningen in de Gelderse Vallei. Bijdragen en Mededelingen Gelre, deel 89, Arnhem.

Meurs, P. van, 1888, De Stichtingsbrief van Elburg. Bijdragen voor Vaderlandse Geschiedenis en Oudheidkunde, 3e reeks, 4e deel. ’s Gravenhage.

Posthumus, N.W. van, 1953, De Oosterse handel te Amsterdam. Het oudst bewaarde koopmansboek van een Amsterdamse vennootschap betreffende de handel op de Oostzee, 1485 – 1490. Leiden.

Schönfeld, M., 1980, Veldnamen in Nederland. Arnhem.

Slicher van Bath, B.H., 1964, Hoven op de Veluwe, Ceres en Clio. Zeven variaties op het thema landbouwgeschiedenis. Wageningen.

Spek, T.et al, 2010, Mens en land in het hart van Salland. Bewonings- en landschapsgeschiedenis van het kerspel Raalte. Utrecht.

Steinmeier, E.L., 1993, Register van de overleden keurmedigen van de Kelnarij van Putten 1389 – 1681 in Putten, Nijkerk, Barneveld en aangrenzende gebieden. Barneveld.

Wartena, R., 1968, Het archief van de Kelnarij van Putten, Supplement. Rijswijk.

Wartena, R., 1975, Ontginningen en “wüstungen” op de Veluwe in de veertiende eeuw, Bijdragen en mededelingen Gelre, deel 68, Arnhem.

 

Kaarten.

Kadastrale Atlas Gelderland 1832. Putten ( Arnhem, 1993 ).

Topografische kaart van de Veluwe en de Veluwezoom door M.J. de Man 1802 – 1812 ( Alphen aan den Rijn, 1984).

Topografische Atlas van Gelderland, 1 : 25.000. ( Den Haag, 2004).

 

Geraadpleegde archieven

Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen, toegangsnr. 0124:

Inv.nr. 5721    Civiele processen 1707, nr. 12. Zaak tussen bewoner Groot                        Gerwerdingen, Pelgrom Wolfsen/Gerharda van Nulde versus de maalschap van het Hellerveld.

Gelders Archief, Kelnarijarchief, toegang nr. 0324:

Inv.nr. 37e  Lijsten van hofhorige en gevrijde abtsgoederen.ca. 1630, ca. 1645 en ca. 1660

Inv.nr. 126  Testament, waarbij Richard van Nulde het volschuldige hofhorige abtsgoed Gerven aan zijn dochter vermaakt. 1679. Met acte van panding wegens resterende stedigheid. 1684. Met retroacta. Gedeeltelijke afschriften. 1582 – 1634.

Inv.nr. 268   Register van hofhorige en volschuldige abtsgoederen van de hof van Putten ( 1732 – 1811).

Gelders Archief, Markenarchief, toegangsnr. 0366:

Inv.nr. 75   Malenboeck vant Helrevelt, waerinne de maelen opcomsten des selven velts, overgiften end anders geregistreert staen, 1627 – 1859.

Gelders Archief, Tiendarchief, toegangsnr. 0095:

Inv.nr. 230  Uitreksel uit de tiendrol van de Huiner- of Hazelertiend 1883 ( 1 omslag + kaart) en Tiendrollen van de Huiner- of Hazelertiend, de Hogeveldertiend, en de tiend van de Brugmanseng 1805, 1840, 1844 – 1852.

 

Bijlage 1: Overzicht van eigenaren van het Paderborns goed Middel Gerven ( bron: Kelnarijarchief inv. 37e, 126 en 268)

Overzicht eigenaren

Peter Bijvank maart 2013.

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *