Staveren

 

1851.

STAVEREN.

 

Het berigt uit Putten over den herbouw van het adelijk goed de Ouden – aller bragt een onzer geachte lezers op het denkbeeld ons mede te deelen, dat ook het huis op Staveren, ofschoon nog niet lang geleden door den tegenwoordigen, door aankoop in 1835 van het adelijk geslacht van Haersolte, eigenaar den Heer J.R. Kemper uit Amsterdam, op de oude grondslagen in eene moderne stijl opgetrokken, eene aanzienlijke vertimmering en uitbreiding zoude ondergaan en ons tevens uit te noodigen het een en ander van dit zoo hoogst belangrijk goed mede te deelen.

Gaarne beamen wij die woorden “ hoogst belangrijk goed” niet alleen toch om de oudheid, niet alleen uit een geschiedkundig oogpunt; maar als bewijs, hoe kapitalen nuttig en tevens voordeelig zijn te besteden. Inderdaad bij een bezoek op Staveren zal men verrukt staan, over het boerenerf daar opnieuw aangelegd, over de woeste gronden in korte jaren in vruchtbare akkers herschapen, over de Veenderijen, Steenbakkerij en zoo veel andere zaken die de welvaart in die streken bevordert; terwijl bij dat alles in den aanleg eene smaak ten toon wordt gespreid, die den eigenaar eere aandoet. Aan het verzoek om iets omtrent dat goed mede te deelen kan gemakkelijk voldaan worden, daar wij slechts de wandelingen over de Veluwe van de Hr. O.G. Heldring en G. Haasloop Werner hadden op te slaan.

Daar toch lezen wij:

Door vele eeuwen heen, zelfs tot na de invoering van het Christendom, hield het gebruik stand, de heidensche godheid in heilige bosschen en boomen te vereeren: nergens toch had men eene waardiger plaats daartoe kunnen uitdenken, daar het gezigt van hooge boomen, onder den vrijen hemel, de aandacht meer boeit dan zulks geschiedt binnen bekrompene, door menschenhanden daargestelde ruimten. Hier werd geene bloote natuurvereering verkondigd. Goden woonden in deze bosschen; geene tempelwanden waren hier opgerigt, maar slechts een Boomtronk, de staf van Frieso, of Stavo, zoo als men dien noemde, werd hier niet alleen aanbeden, maar was ook het orakel en de staf der reizende lieden, om bij dien God raad te vragen. Dit gewijde bosch van Stavo is ons nog uit de grijze oudheid bekend onder de benaming van het Steverewold. In den giftbrief van keizer Koenraad, in 1040, schonk het regt der munt, tol en ander gebied, dat deze in Deventer had, met een groot gedeelte der Veluwe aan de Utrechtsche kerk.

In het jaar 1046 echter, zonderde keizer Henderik III op de Veluwe eene landstreek af en voegde die bij het graafschap Ameland of Hameland om te zijn: een nieuw gebied van Deventer, binnen zijne eigene palen besloten en van het Utrechtsche gebied afgescheiden, met bijvoeging van het bosch, genaamd het Steverewold, waardoor men oostwaarts aan over den IJssel moest gaan naar Deventer en Oolst. In den giftbrief van Lotharius II van 1134, wordt nogmaals van het Steverewold gewaagd, waarin onder anderen ten behoeve van het adelijke vrouwenklooster te Elten, het regt wordt afgestaan, om alleen herten, hinden en reeën te mogen jagen, in de vier bosschen, Quatuor Foreste, van Steverewold, over Wieheij, Mulo en Subort, en ook vliegend wild tot in andere bosschen mogen vervolgen.

Na de invoering van het Christendom op de Veluwe, verrees op dezelfde plaats, waar vroeger die Godheid Stave gediend werd, eene kapel of loods van hout opgetrokken, en met wilde capella – of geitenvellen gedekt, waarvan de benaming kapel oorspronkelijk is.  ( Volgens prof. C.L. Visscher.)  Aan deze kapel gaf vervolgens de Geldersche graaf Reinald van Nassau, in 1295, eenige inkomsten uit de gruit te Harderwijk, en uit tienden der Veluwe, tot onderhoud van eenige geestelijken, doordien, door het vertrek der aldaar gevestigd geweest zijnde Minderbroeders, de waarneming van den openbaren godsdienst eenige tijd had stil gestaan, waarop toen de graaf eenige Karmeliter monniken deed overkomen.

kasteel staveren b

 

Graaf reinald, een bijzonder vriend van keizer Rudolf, die met ’s keizers nicht Magariet, dochter van Evenhard, graaf van Habsburg, gehuwd was, verkreeg door dezen, in 1291, van Rijkswege het bestuur van Deventer en Hameland. Daarna gaf de keizer binnen Mentz aan Reinald een geweldbrief, om in den kring van de Veluwe, waar nu het vlek Staveren staat, eene nieuwe stad op te timmeren, en aldaar onder zulke keure als hem believen zoude, aan allerhande burgers en van allerhande staat, herberg en stadsregt te verleenen, zoo zulks maar niet geschiedde tot hinder van het rijk of des rijks onderdanen. Deze vergunning is in 1295, door Reinalds neef, den keizer Adolf, op nieuw bevestigd.

Tot dien tijd waren die ingezetenen nog als eigenhoorigen aan slaafsche dienst en schatting onderworpen, en in 1298 den 25 Maart werd, door Reinald van Nassau, graaf van Gelre, Staveren tot eene stad (oppidum) onder de navolgende bepalingen:

“ zij zou hem des niettegenstaande hoorig blijven; de ingezetenen zouden gevonnisd worden door twaalf schepenen door den graaf te benoemen, en jaarlijks te vernieuwen, echter alleen in burgerlijke twistzaken, want in zaken van hoog en dagelijksch regtsgebied bleven zij geheel aan de uitspraak van des graven regter onderworpen. Ook moesten de schepenen in zeldzame en twijfelachtige gevallen, vonnis halen aan ’s graven hof te Staveren. Aan den onzekeren uitslag van eenen tweekamp mogten zij niet blootgesteld worden; ook niet wegens een beganen doodslag, dan alleen voor zoo ver het bleek, dat zij zelve daarbij tegenwoordig of er medepligtig aan geweest waren; zij zouden vrij zijn van zoodanige schatting, dienst en willekeurige bede, als van eigenhoorigen plagten gevorderd te worden, maar in plaats daarvan eene jaarlijksche bede betalen, die bestaan zou in één ten honderd van de bezittingen dergenen, die binnen – en twéé ten honderd van de bezittingen dergenen, die buiten de plaats zelve woonden. Wie, binnen de stad wonende, minder dan honderd pond aan gereed goed bezat, was van de betaling vrij gesteld; desgelijks wie, buiten dezelve wonende, niet boven de vijftig pond gegoed was. Daarenboven betaalden zij den 10en penning hunner bezittingen, wanneer de Graaf Ridder werd, een zijner dochters uithuwelijkte, of uit eene gevangenschap gelost moest worden.

In sommige gevallen, bijv. wanneer het land vijandelijk aangevallen werd, of wanneer de Graaf eenen togt naar het Heilige Land ondernam, moesten zij zooveel geven, als hun dan naar redelijkheid opgelegd zou worden. Voorts moesten zij den graaf, gelijk zij vroeger als eigenhootigen verpligt  waren, huisvesten, wanneer hij door de Veluwe trok en hem in zijne krijgstogten op hunne kosten dienen; van het betalen van tol, zoo te water als te land, waren zij ontslagen, behalve alleen te Lobede; zonder bijzondere vergunning mogten stedelingen van Staveren niet dan met stadgenooten in den echt treden, en hunne kinderen en erfgenamen stonden onder dezelfde regten; zoo lang zij op de Veluwe bleven wonen, waren zij aan de regten der stedelingen van Staveren deelachtig, zich daar buiten met er woon begevende, werden zij even daardoor weder eigenhoorig, gelijk te voren; maar wanneer zij zich in andere steden nederzetteden, vervielen daarenboven hunne goederen aan den graaf, tenzij het Steden waren, die niet meerdere regten hadden dan Staveren zelf bezat.

Eindelijk, voor alle eigenhoorigen werd den weg gebaand, om aan deze vrijheid en regten deel te krijgen, behalve voor die, welke aan andere heeren, dan den graaf, of ook aan kerken, over wier goederen deze de regten der voogdij uitoefende, hoorig waren. Ook moesten de vrije lieden jaarlijks leveren aan ’s Heeren keuken, met Martini, rookhoenders.” Enz. enz.

In 1507 gaf Reinald uit den Hof en Molen te Staveren, eene jaarrente van twintig pond, waarvoor de orde van het hospitaal van Sint Jan van Jeruzalem, ( van Ermelo) te Staveren, twee priesters en eenen leekebroér zoude onderhouden.

Uit de Krooning van Keizer Henderik VI, in 1196, blijkt dat de hertogen van Lotharingen, of Braband, het regt van Souverciniteit gehad hebben en over de geheele landstreek, welk regt zij wederom aan de Gelderschen hebben overgedragen. Vervolgens werd bepaald, dat de Bisschop het Leen des graafschaps Felua zou ontvangen van den Keizer, en de hertog van Braband van den Bisschop, welk regt de Brabander wederom, in 1299, overgedragen heeft aan de Vorsten van Gelderland, zonder eenige verbintenis van leenregt.

Nadat in 1311 de Veluwe door de Geldersche graven, regtstreeks van den Bisschop van Utrecht ten leen gehouden werd, trad graaf Reinold, in 1326, aan het bestuur, en bij gelegenheid, dat hij met de ridderlijke waardigheid bekleed geworden is, schijnt het, dat100px-Reinald_II_van_Gelre_wapenboek_Gelre_wapen_svg deze voor het eerst, in het zegel een waaijer van paauw – vederen heeft opgenomen, zoodanig als de kruisvaders dien als eene krijgsbuit uit het oosten naar Europa hebben overgebragt; hij is van dien tijd af, het helmteken der Geldersche vorsten gebleven. De waaijers van natuurlijke paauw – veleren, welke bij Tornooi – of Ridderspelen als helmversiersel aan het hoofdstel des paards moesten dienen, en die het schildje met eenen leeuw met twee staarten omringen, werden in Staveren vervaardigd, en aldaar geleverd, waartoe de bouwman op Staveren, of wel de bezitter van dat goed, tot aan den dood van hertog Arnold van Egmond, in 1475, bestendig witte paauwen heeft moeten onderhouden.

Het gebruik om dit leengoed met een witte paauwenstaart te verheergewaden werd naderhand weer vernieuwd, want in 1521 werd Staveren aan hertog Karel opgedragen, die hetzelve ter leen uitgaf, aan den erfvoogd tot Erhelens, Henrich van de Groeff, om het te bezitten vrij van alle kommer, en te verheergewaden met den pluimstaart van den witte paauw.

In 1661, toen Staveren in het bezit der familie van Haersolte schijnt gekomen te zijn, heeft deze het goed aan de toemalige provinciale regering opgedragen, en wederom ter leen ontvangen, om het op gelijke wijze te verheergewaden.

Eene legende over zeker eilandje, achter in de moestuin van het huis nog aanwezig, vinden wij in de gedichten van den Heer Staring van den Wildenborch, 1e deel.

Ook meent men dat de plek genaamd Steenvoort, de plaats zou zijn, waar men de benoodigde steenen gebakken heeft, tot den eersten opbouw van den Ouden – Hof of het kasteel te Staveren.

De inhoud der legende, zoo even aangehaald, is aldus:

“ Achter de hoven van het huis Staveren schuilt een Eilandje, van oudsher Eleonores – Pol genoemd. De overlevering wil, dat hier een kluizenaar gewoond hebbe, en men heeft er oud metselwerk opgedolven, dat de grondslag van een klein gebouw scheen geweest te zijn.”

Omtrent dit Eilandje bestaat eene vertelling van de Zwarte Vrouw, hoofdzakelijk van dezen inhoud:

Eleonore, voedsterling en petekind van hertog Reinald en Eleonore van Engeland, moest bij het doodbed harer moeder, van hare eerste liefde voor Herman afstand doen, terwijl men haar noodzaakte, tegen haren wil, hare hand aan Zweder te schenken. Op hare Burgt bij Barchems hoogte, werd zij belegerd door Diebold, een handlanger van Zweder, aan wien de Burgt bij kapitulatie, door gebrek aan mondbehoeften, werd overgegeven, terwijl Eleonore op last van Zweder zoude geschaakt worden. Op dit ogenblik komt een onbekende ridder, met zijne bende opdagen, en ontrukt de jonkvrouwe uit des roovers handen; zij vermeent Zweder in dezen ridder te erkennen, en vraagt hem om verschooning, daar zij hem zoo langen tijd miskend had, hem tevens voor zijne edele daad hand en hart aanbiedende. Doch daar zij ontdekt dat Herman haar ridder is, werpt zij den trouwring van Zweder in het slijk, en huwt vervolgens met Herman. Zweder hierdoor van alle hoop op Leonores bezit verstoken, zint op wraak, en doet Herman, terwijl deze ongewapend ter jagt is, door zijne handlangers ruggelings doorsteken; Leonore, genoodzaakt het lijk haars echtgenoots naar de begraafplaats te volgen, springt roekeloos uit den zadel en na een handvol aarde van Hermans graf te hebben medegenomen, neemt zij de vlugt en komt hierop behouden in rouwgewaad op de Burgt te Staveren aan, alwaar zij zich bekend maakte aan Eleonore, hertogin van Gelre, en die verzoekt, haar bij zich optenemen. Men wil, dat zij hare weinige levensdagen in heilige eenzaamheid, bij de kluis op het eilandje bij Staveren, de Eleonores – Pol genaamd, eindigde, waar men nog des nachts hare zuchten en steunen in de nabijheid van dien Pol meent te hooren.

230px-Leonora_pol

Ook meermalen, bij het sterrenlicht, ziet men een geest, in een slepend rouwgewaad gehuld, om Hermans grafplaats rondwaren en knielende het zand des grafheuvels opgaren.

Met angstige bezorgdheid gaat het landvolk deze plek voorbij, om het gezicht der Zwarte Vrouw te vermijden.

XXXXXXXXX

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *