Stormgetij hoofdstuk 10

 

 

Hoofdstuk 10

Stormgetij

Het werd een opwindende week voor Harderwijk. Er woei een nieuwe wind. Het leek wel alsof het komen en gaan van Roodbaard de poorters had wakker geschud.

Op de Landdag in Nijmegen had de stadhouder scherpe instrukties gegeven aan de afgevaardigden van de stede aan de Zuiderzee, “dat se de veste wel souden bewaren tegen geboefte en scharluinen, die in onse gerechtigheit rondzwerven en omdat er heimelicke byeenkomste worden gehouden, binnen en buyten de stad.”

De afgezanten hadden zijn boodschap goed overgebracht en heren schepenen zagen hun kans.

Van het huis van de Koning (het blokhuis) liep een brug over de stadsgracht, die men kon gebruiken om zonder van de poorten gebruik te maken buiten de stad te komen. Daar maakte de drost, Ot van de Sande, dan ook geregeld gebruik van. Het was de raad altijd een doorn in het oog geweest, dat men nooit wist wanneer de drost de stad verliet of er terugkeerde. Zo hadden de heren schepenen ook geen controle over het aantal manschappen, dat zich in het blokhuis bevond. De raad wilde graag baas blijven in eigen huis. Dikwijls al hadden zij gevraagd, de brug te mogen verwijderen, maar steeds zonder resultaat.

Zij hadden hun wijze hoofden over het epistel va de stadhouder gebogen. Gerrit Maurissen fluisterde Albert Brinck iets in het oor en deze knikte heftig met het hoofd. Hij was het er roerend mee eens.

Toen nam de schepen Gerrit Maurissen het woord:

“Heren, schepenen en gemeenslieden, wat de heer stadhouder schrijft, is maar al te waar. Er loopt teveel gespuis rond, dat wij buiten de poorten dienen te houden. Daarom is het goed om aan zijn verzoek te voldoen. De poorten worden voldoende bewaakt. Wat evenwel over de brug stadwaarts sluipt, kan niet gezien worden. Het is derhalve mijn mening, dat, zo schielijk als slechts mogelijk is, de brug dient worden afgebroken. En daartoe is het vandaag een uitgesproken goede gelegenheid, nu de drost er niet is om bezwaren te opperen.”

Op menig gezicht verscheen een begrijpend lachje. De stadhouder had hen zelf het wapen in handen gegeven om hun oude plan te kunnen uitvoeren. Hij zou er wel niet bijster over te spreken zijn, doch daarover braken de heren zich het hoofd niet. Zij konden zich altijd verschuilen achter het verzoek, dat hij zelf aan de raad had gericht. Dat ze dat verkeerd hadden begrepen, ja, wie kon daar iets aan doen.

De schepenen zetten er haast achter.

Gerrit Maurissen, Ernst Witte, Reyer van Speulde en Johan Theewissen zouden het toezicht hebben. Coert, de stadsdienaar, werd er direct op uitgezonden om Ricjelt Diepen, Gelijs Botgers en Jacob Gijsberts, de stadsmetselaars, en Marten Rijks en Frans Willems, de stadstimmerlieden, te siteren naar de schepenkamer te komen om daar hun orders in ontvangst te nemen.

Er ging een tijd mee heen, maar Coert wist hen op te snorren en zoals hij de boodschap overbracht, was het voor de vijf mannen duidelijk, dat ze haast moesten maken. Zij maakten ook haast en kregen instrukties. Er werd hard gewerkt en er waren wel burgers, die genegen hadden mee te werken, toen ze begrepen wat er aan de hand was.

Toen de zon in de Zuiderzee wegzakte, was de brug naar de Veluwe er niet meer en de poort, die vanaf de brug toegang gaf tot het Huis van de Koning,was dichtgemetseld. De kanonnen werden van het bastion gehaald en naar de Ossemarkt gebracht,waar men ze zo kon ophalen, wanneer ze ergens gebruikt moesten worden. Het had geen zin, ze op het blokhuis te laten blijven.

Heren schepenen zagen niets over het hoofd.

De drost was gisteren, nadat Roodbaard had gepreekt,spoorslags de stad uitgereden om aan de stadhouder verslag uit te brengen van het gebeurde. En vandaag joeg een ruiter dezelfde weg langs. Pelgrim Wullems zag de bode gaan. Hij had geen bevoegdheid hem tegen te houden. Maar wel waarschuwde hij de schepenen.

Ze hadden het verwacht.

Het hinderde niet.

Er woei immers een nieuwe wind door Harderwijk?

Het werd weer dinsdag.

Nu zat Gosen Zeegers ’s morgens niet in de mezekouw over de zee te staren. Toch stevende een schip op Harderwijk aan, een barkentijn nog wel. Bij de grote achtermast stond een mandenmaker uit Amsterdam, Jan Arentsz, en naast hem een visserszoon uit Harderwijk, genaamd Gosen Zeegers. Achter hem volgde de vissersschuit van zijn vader.

Govert had met Jan Arentsz gesproken over het geloof, over de kerkelijke toestand op de Veluwe. Nu ging de grote hand van Jan Arentsz omhoog en legde zich op de schouder van Gosen.

“Mijn zoon, wanneer de jonkheid de Heere dient, dan zal er toekomst zijn voor ons volk. Het geloof in Jezus Christus zal de tiranny verdrijven.”

Een rilling ging door Gosen heen. Hoe geheel anders klonken deze woorden dan die van Rutger van Baer, of zelfs die van Evert Doesborgh. Ze hadden iets profetisch.

In zijn ogen blonk een blij licht. Hier stond hij nu, naast de prediker en de schepen Gerrit Maurissen, als hun gelijke. Ook naast de rijke Amsterdamse koopman Reinier Kant, wiens schip dit was.

Gisteravond was het zomaar opeens opgekomen, dat Gerrit Maurissen aan Gerrit Zeegers liet weten, dat er een prediker in Elburg was en of hij mee kon varen in de pink. Hij moest hem in Elburg afzetten. Nu, dat kwam voor elkaar. De visser was niet gaan vissen, omdat hijzelf graag wilde gaan preekhoren. Ze hadden heel wat gehoord en gezien. Het was om te rillen.

Jan Arentsz stond op de preekstoel in de Elburgse Sint Nicolaaskerk. Na de preek liet hij zijn blikken over de samengestroomde schare gaan en zei toen de woorden: “Ghi en sult gheen vreemde gode hebbe voor my. Ghi en sult u gheen gesnede beelt oft eenige ghelijckenisse maken.”

Daarna had hij slechts een paar woorden nodig gehad om de eerste Beeldenstorm op de Veluwe te ontketenen. De Elburgers haalden het in hun hoofd om, net als de prediker Sebastiaan Matte, in Vlaanderen, van plaats tot plaats te gaan om de beelden te vernielen, de hele Veluwe over. Toen ze in hun eigen stad klaar waren, ging het in optocht naar Doornspijk. Zij dachten hier gemakkelijk spel te zullen hebben, omdat pastoor Jacob Peeters het mislezen had nagelaten en in plaats daarvan was gaan preken. Maar dat zat hen niet glad.

De boeren van Doornspijk, wien het wel bekend was geworden wat er in Elburg was voorgevallen, hadden de troep zien aankomen en ze waren te hoop gelopen, gewapend met knuppels, hooigaffels en messen. Onder leiding van hun schout Franck Huechel hadden ze hun kerk verdedigd en de Elburgers waren weer afgedropen.

Men wist echter in Elburg, dat de Veluwe nog een invalspoort had, Harderwijk. Daarom voeren er ook een aantal Elburgers mee.

Een lichte bries dreef de barkentein snel voorwaarts over de koppende golven. De wind zong door het want, als een belofte van grote dingen. Gosen luisterde er naar. Dat deed hij altijd als hij op zee was. Het klonk zo gezellig. Waaide er een nieuwe wind over het land? Misschien.

De druk van de mannenhand op zijn schouder had hem zo’n feestelijk blij gevoel gegeven. Jonkheid, die de Heere dient, had Jan Arentsz gezegd. Jawel, dat was mooi. En ij was echt niet de enige in Harderwijk. Wolter Hegeman bijvoorbeeld, de graankoperszoon, die gister uit Danzig was teruggekeerd. Och en nog veel meer van zijn leeftijd.

Wat ging er in Jan Arentsz om, toen hij zijn blikken vestigde op de Onze Lieve Vrouwetoren? Gosen zag, dat er opeens een vastberaden trek over zijn gezicht gleed.

Toen wende de mandenmaker het hoofd om en keek Gosen aan.

“Versta dit wel, jonkman:

Het werk betuyght

Waer ’t hert naer buyght.

Het word van een christen moet met zijn daden overeenkomen. Mensen beoordelen ons naar onze woorden en daden. Maar de almachtige God doet dat ook. Dank hem, dat Hij ons heeft vrijgemaakt van beeldendienst en vervloekte afgoderij.”

“Nu, heer prediker,”zo merkte Gerrit Maurissen op, “ge zult aan hem een warm pleitbezorger hebben. Deze jongeman heeft heel Harderwijk verbaasd doen staan door het voor een vijand op te nemen, hoewel deze hem haatte als de pest.”

“Zo wil het de Heere,”zei Jan Arentsz.

Bent Kree, de schipper, gooide het roer om en de barkentijn helde naar bakboord over, toen schoten de masten weer recht en de steven richtte zich naar de Bruggepoort.

Het was slechts een kleine groep, die aan land ging en er waren weinig kijklustigen. Niettemin ging het las een lopend vuurtje door de stad, dat er een nieuwe prediker was aangekomen, die zijn intrek nam bij Henrick Hase. Nog geen uur later bevond vrijwel de hele magistraat zich daar ook.

Maar ook nieuwsgierigen drongen met de notabelen naar binnen. Peel Gairts, een dertigjarige mandenmaker, was een der eersten. Hij was benieuwd, hoe zijn gildegenoot uit Amsterdam, die bovendien een der grootste ketters was, er wel uit zou zien. De abis van Sinte Catrijne, waar hij vanmorgen twee manden had afgeleverd, had hem afgeschilderd als een man met een monsterachtig duivelsgezicht en horens op het hoofd. Ze moest zich vergist hebben. Peel zag een ernstig kijkende man voor zich, in een bruin wambuis en blauwe tonneletbroek. Er was niets duivelachtigs aan hem.

Jan de Loper, die weleens boodschappen voor de stad deed, was er ook. Hij dronk zijn potteke bier en luisterde scherp.

Jan Arentsz was gekomen om te preken. Hij hoorde van heren schepenen, dat zij de Broerekerk daarvoor bestemd hadden. Toen hij hoorde,dat er nog beelden in de kerk waren, trok er een frons over zijn voorhoofd.

“Heren schepenen, het zij u gezegd, dat wij niet zullen spreken daar waar stomme beelden staan alsof zij horen, maar tot zwijgen zijn gedoemd.”

Heren schepenen keken elkaar eens aan. Deze mandenmaker was een heel andere persoonlijkheid dan Johan van de Linden. Ze begrepen ook heel goed waar hij heen wilde. Het was hun wel. Alleen maar, ze wisten ook, dat hun college geen opdracht kon geven om de beeden weg te halen.”Dan richtet ghyselven ene vermaninghe tot het volck,”zei na enkele ogenblikken een der schepenen.

Jan de Loper hoorde het en zou het wel aan zeker iemand overbrieven.

De gardiaan maakte geen bezwaar, toen de stoet bij het klooster arriveerde en vroeg om in de kerk gelaten te worden. Hij dacht in het minst niet aan onheil. Niemand trouwens. Men verwachtte een preek te zullen horen. Jan Arentsz preekte ook en daarna liet hij deze opmerking tot de hoorders komen, dat de beelden en de sieraden uit de kerk weggenomen dienden te worden.

Hij wekte niet op tot Beeldenstorm, doch dat men ze diende te verwijderen. Het was een ogenblik stil. Toen het tot de mensen doordrong, wat zijn woorden betekenden,waren er al spoedig enkele mannen, aangevuurd door de Elburgers, die aan de oproep gevolg gaven. Maar hoe. Een beeld werd van zijn console gerukt en in stukken en brokken op de blauwe plavuizen gekwakt.

De gardiaan was een ogenblik verbijsterd van schrik. Hij drong tussen de mensen door en snelde de kansel op.

“Doe dit niet,”riep hij. “In de tempel van Salamo waren toch ook beelden? Beelden in de kerk zijn een gepaste versiering!”

Lichamen richtten zich op, hoofden weerden omhoog. Woeste blikken werden op hem gericht. En weer smakten beelden op de harde vloer.

“Sla dood, die monnik,”werd er geroepen.

Jan Arentsz stak een hand op.

“Toehoorders, zwijg. Laat de gardiaan spreken.”

Maar Joseph van Arnhem kreeg daar geen kans meer toe. De gemoederen waren zó verhit, doordat de spaning van zovele jaren opeens gebarsten was. De mensen waren niet meer te houden.

De secretaris Daniël van Renssen deed nog een poging om de mannen tot de orde te brengen.

“Holt, holt, borgers, men salt ordentlick afnemen!”

Het baatte niet. Zijn woorden gingen teloor in het tumult om hem heen.

Op de preekstoel keek Jan Arentsz toe op het geweld, dat hij had ontketend. Hij wilde naar buiten. Hij had hier geen boodschap meer. Maar het was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Er was zo’n gedrang, dat er bijna geen doorkomen aan was. En beelden kwamen van boven geduikeld. Het was overal uitkijken. Bovendien zou hij door het kloostermoeten, omdat de kerk geen uitgang had naar de Broeren.

Op straat was een opgewonden menigte samengestroomd. Ze hoorden het spektakel in de Broerekerk, het geschreeuw en getier, het lawaai van de vallende beelden, maar wisten niet wat er precies aan de hand was.

De schepenen Gerrit van Cranenburgh en Marten Coelwagen, die niet in de kerk waren geweest, waren nu op weg erheen. Zij hoorden het tumult en keken elkaar aan met verbaasde blikken.

Een dof gedruis drong naar buiten door, rumoer van onherkenbare kreten. Het leek bijna, dat er gevochten werd.

“Daar klopt iets niet, Coelwagen. Als het leven van de prediker maar niet in gevaar verkeert. Misschien zijn voor – en tegenstanders met elkaar slaags geraakt. We moeten hem te hulp komen.”

Ze haasten zich naar de kloosterdeur.

Maar de gardiaan was niet direkt bereid, deze te openen. Er was naar zijn zin al te veel volk binnen.

“Open de deur, gardiaan,”riep van Cranenburgh. “Wij willen de predikant hebben en anders gaan we de deur rameien.”

De mensen van de straat drongen achter hen naar binnen, ook een troep jongelui en zelfs kinderen. Wat ze zagen was gewoon verschrikkelijk. De kerk leek van binnen een ruïne.

Jan Theewissen, uit de Luttekepoortstraat, had een lange lat gevonden en ramde een beeld van zijn hoge standplaats. “Hoe hoger staat, hoe dieper val,”lachte hij, toen het op de blauwe plavuizen in scherven uiteenviel.

Gosen Zeegers was als met stomheid geslagen. Moest dit nu zo? Zeker, Jan Arentsz had het wel goed gezegd, gisteren in Elburg: “Gij zult u geen gesneden beeld of enige gelijkenis maken.” Maar wanneer ze nu eens gewoon die beelden hadden weggehaald? Dat zou toch voldoende zijn geweest? Als ze die dan ergens anders onderbrachten, zou de kerk opgeruimd zijn geweest.

Hij ging naar Hinrich Hase en zei het hem.

“Wat?”zei deze, terwijl zijn hand een crucifix van de muur greep, “De Heere dienen, zoals Hij dat in Zijn Woord gebiedt, dát wil men niet. De woorden van die paus in Rome hebben bij hen meer gezag dan Gods Woord. Maar dat houdt stand in eeuwigheid. En ze aanbidden deze poppen, niet de almachtige God. Dat is met recht vervloekte afgoderij. De vrome koningen in Israël hebben ook de afgodsbeelden vernietigd, zó grondig, dat zelfs niet meer te zien was wat ze waren en waar ze hadden gestaan. Help maar een handje mee. We zullen van dit rovershol een godshuis maken.”

Gosen deed het niet, maar ging naar buiten. Hij wilde even alleen zijn.

Hij snapte het niet. Daar had je Mr. Willem Barbier, de chirurgijn, en Reinier van Speulde, twee vooraanstaande burgers van Harderwijk. En dan de twee burgermeesters van Elburg, Barthold Vege en Johan van Wijnbergen, rechtschapen en eerlijke mannen. Toch sloegen ze alles kort en klein. En Hinrich Hase, die hij zoveel achting toedroeg, een vriend, die lijf en goed voor het vaderland en voor het geloof overhad.

Tymen Lyses had hij er ook gezien. Ja, die Tymen. Maar dat was een rabouw en onverlaat, die altijd te vinden was waar heibel was. Van zo iemand zou je zoiets verwachten.

Nee, Gosen wist het niet meer.

’s Avonds vertrok Jan Arentsz weer in de barkentijn van Reinier Kant. In Harderwijk bleef een ravage achter.

De Minrebroederkerk was niet genoeg. Men wilde ook de Vrouwekerk van beelden zuiveren. De schepenen wisten de mensen echter te bepraten om hiermee nog een paar dagen te wachten. Ondertussen kregen de gilden, voor zover zij dat wilden, de gelegenheid om de door hen geplaatste beelden en altaren weg te halen. Sommige deden dat, andere niet.

Toen kwam de beurt aan de Vrouwekerk en die van de andere kloosters precies zo. Men wilde meteen schoon schip maken.

Gerrit Zeegers had vandaag voor het laatst met zijn vissersschuit gevaren. Na de dood van zijn vrouw was hij eenzaam geworden en Gosen ging niet meer mee, nu hij stadsloper was geworden.

Gerrit Zeegers werd stadshoutzager.

Einde hoofdstuk 10

 

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in 't Geuzenjonk van Harderwijck.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *