`t Nieje Huusje Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 2

************

Meer en meer kwam`t Nieje Huusje in opspraak.Bij de lange winteravonden was het voor velen een onuitputtelijk onderwerp.Dan waren het niet alleen meisjes en kinderen,die de koude rillingen over het lijf gingen,maar ook de andere zoo koene Veluwsche jongens voelden zich niet op hun gemak.En als ze`s avonds,na de pap,even buiten de deur keken,stapten ze haastig weer binnen en schoven min of meer zenuwachtig de grendels op de deur.Daar was wel niets en ze waren ook niet bang…………… .

Terwijl dan even later de meesten diep onder de dekens kropen om zich tegen de koude en mogelijke spoken te beschutten,peinsden enkelen over`t goud,dat bij`t Nieje Huusje bedolven lag.

Tot die enkelen behoorde mottige Lubbert.Hij woonde in Uddel,had vroeger pokken gehad en de overgebleven litteekens hadden hem de bijnaam van mottige bezorgd.`s Zomers ging hij bij de boeren werken en `s winters stroopen.Het Soerensche Bosch was toen nog niet omrasterd en vrij, wat gemakkelijker dan tegenwoordig ging, het voor de strooper een stuk wild te bemachtigen.

Toch was het in de winter kou lijden voor Lubbert en in den zomer was`t hem vaak warm genoeg.

Hij zou wel zin hebben eens bij`t Nieje Huusje te gaan graven.En`t durven?Geen uur in de nacht,of hij had het buiten door gebracht en….nooit wat gezien.Volgens zijn zeggen zou hij het wel durven,al huisde de duivel er met zijn moer.

Lubbert was er de man niet naar,om op de plaatsen als het Nieje Huusje te komen,als hij er niets te doen had,veel minder om er te gaan graven zonder te weten wat er verborgen zat.Immers,dat zou wezen het huis bouwen op een zandgrond en daar had de dominee Zondag op de stoel nog tegen gewaarschuwd.Lubbert moest een rotsvaste grond onder de voeten hebben dan durfde hij alles.Maar om die te krijgen.

Voor Lubbert was dat geen groot bezwaar.Hij was niet van de domsten en had meer zooiets bij de hand gehad:dat was wel niet over geld maar over een meisje,doch dat deed er niet toe,de zaak was voor een gewoon mensch even duister geweest als deze.Hij had n.l. verkeering gehad met Teuntje,die aan het meer diende.Daar kwam allerlei volk,vooral in den zomer en nu werd er wel eens gezegd,dat Teuntje soms met een ander scharrelde.

Lubbert geloofde er niets van:bovendien had ze er ook nauwelijks gelegenheid voor.`s Zondags kwam hij geregeld bij haar en door de week hadden andere jongens evenmin tijd en gelegenheid om zich met een meisje te bemoeien,als hij.De mogenlijkheid bleef over,dat ze zich met de vreemdelingen ophield.Doch van zoo iets,dacht Lubbert hebben stadsmenschen toch weinig begrip.

Als echter de geruchten omtrents Teuntjes gedrag  bleven aanhouden,werd ook zijn vertrouwen geschokt.Hij begon zich te verbeelden dat het dezelfde Teuntje niet meer was van vroeger.Wanneer ze samen uit waren,schenen haar gedachten soms bij iets heel anders te zijn.Als`t eens waar was wat de menschen fluisterden!Dan zou hij……….hij wist zelf nog niet wat.

Toen echter op een morgen de eksters zoo ontzettend te keer gingen,voelde Lubbert wel dat er iets bijzonders gebeuren moest en zijn besluit was genomen.Hij ging naar de Waarzegger en wel naar die in Deventer.

`t Was wel een heele reis van uit Uddel,maar daar woonde,volgens zeggen,een heele beste,en`t koste wat `t wilde,hij wou het niet eens weten.

En Lubbert werd het maar al te zeker gewaar.`t Was zoo.Teuntje hield zich met een ander op.De Waarzegger had`t in de kaart gelezen.

Och,och,wat was Lubbert dat aan zijn hart gegaan.De meid was`t eigenlijk niet waard geweest,dat hij zich er zoo veel van aantrok,maar hij had zijn zinnen gezet en kon het niet helpen dat hij,bij het hooren van zooveel ontrouw,bijna van zijn stokje gevallen was.

Gelukkig had de Waarzegger hem dadelijk een riem onder`t hart gestoken.Kom,kom,mannetje,had hij gezegd,maak je lichaam niet van streek,daar is nog wel een ander en betere voor je.Een dicht bij je in de buurt.Voor een kleinigheid laat ik ze hier komen.Dat kan toch maar niet zoo,had Lubbert gewaagd daar tegen in te brengen.Als ik`t wil,moet ze komen,was`t antwoord van de Waarzegger geweest.

Toen Lubbert te kennen gegeven had er wel iets voor over te hebben,had de Waarzegger een bedorven ei in een bierglas gedaan,een zakdoek er over gehangenen die aan vier hoeken in brand gestoken.Lubbert had moeten kijken naar de zijde waar de rook heensloeg en werkelijk…..heel-heel langzaam was haar beeld voorbijgeschoven.`t Was net of hij Dreesje nog zoo zag,een beetje scheel kijkend,evenals nu nog.Maar wat hindert dat?Hij was ook zoo mooi niet.Al dat moois koopt men niks voor,`t komt maar op`t hart aan.Teuntje zag er ook aardig uit,maar`t scheen wel dat op de plek waar haar hart moest zitten,een steen zat,anders had ze zoo niet kunnen handelen.Dan had hij nog liever met Dreesje te doen.Altoos even helder en oppassend!Een mensch,die werken moet,kan altoos niet even schoon wezen,maar Dreesje mocht gezien worden.En de kinderen had ze er ook altijd knap uitzien.Precies zoo had de Waarzegger hem alles voorgezegd.

Toen Lubbert een en ander nog eens goed overdacht,duizelde zijn hoofd bij het denken aan zooveel verstand bij een sterveling.Lui,die nooit verder waren geweest als Uddel,konden wel denken heel wat te weten,maar bij zoo`n man vergeleken!Dan waren zij nog maar kinderen.

Lubbert wilde weer naar Deventer doch Dreesje had er niet veel zin in.Ze wist niet of`t een mensch wel vrij stond naar een duivelsbanner te gaan om raad.En dan twijfelde ze,of zoo`n man er ook wel achter was.Maar als Lubbert,die die zooveel beter in de bijbel thuis was als Dreesje,haar duidelijk gemaakt had,dat ook daarin Waarzeggers geschreven stond en haar zijn vroeger wedervaren verhaalde,begon ook zij het te geloven.Dan moest hij er maar heen,want het was tochwel de moeite waard eens te weten wat daar bij`t Nieje Huusje verborgen was.

Lubbert kon gaan wanneer hij wilde,maar toch liever niet op een gewone werkdag,dan kwam er zoo gauw spraak van.`t Is buiten heel anders als in een groote stad.Vooral in kleine buurtjes wordt alles bepraat.En Lubbert had zooiets niet gaarne aan de groote klok hangen,daar was hij veel te gochem voor.Het beste was nog over veertien dagen,dan was het Apeldoornsche kermis en zouden de buren denken dat hij daar heen was.Dat duurde hem wel lang genoeg,maar`t scheen toch het verstandigst te wezen.

De dagen kropen voor Dreesje en Lubbert voorbij.Wat waren ze benieuwd!`t Was net of een dag veel langer duurde als anders.Eindelijk zou het den volgende dag gebeuren.”Ik ben bang,dat het morgen regenen zal”,zei Dreesje,”De kippen blijven zoo lang buitenlopen”,Dat zou zoo`n wonder niet wezen,dacht Lubbert,met Apeldoornsche kermis regent het bijna altijd.En werkelijk den volgende morgen viel de regen bij stroomen neer.Doch Lubbert stoorde zich er niet aan,hij was al zoo menigmaal nat geregend,dat het dezen enkelen keer er bij ook niet deerde.

Dreesje verbeelde zich dat het in`t noorden iets doorlichtte en wilde dat hij nog een poosje zou wachten,maar Lubbert was voor geen uitstel te vinden.

Hij meende,dat om negen uur een trein uit Apeldoorn wegreed,dus hij moest noodig om vijf uur van huis,anders zouden ze nog apart voor hem moeten inspannen.En dat zou wel duurder uitkomen.

Even voor`t vastgestelde uur stapte Lubbert op Apeldoorn aan,nagestaart door Dreesje.`t Zou haar dan toch eens benieuwen.Ze ging aan`t werk,maar haar gedachten waren bij heel iets anders.Wat zou Lubbert nat worden!Als hij maar goede voorlichting kreeg,was dat echter het ergste niet,hij kon er nogal tegen.Zij zou vanavond zorgen dat er droge sokken en warme klompen bij`t vuur waren,dan kon hij die aantrekken.

Nu moest ze aan`t werk,doch`t wilde niet erg vlotten.Steeds weerstond ze in gedachten verzonken half wezenloos voor zich uit te staren.Had ze ook maar zoo`n sterk geloof als Lubbert!Ja,zij geloofde het ook wel,tenminste zoo lang haar man er met haar over spraken`t zou ook wel waar wezen,maar toch…..telkens weer kwam tweifel boven en schaamde ze zich niet zoo vast te vertrouwen als haar man.

Zoo bracht ze den dag door,geslingerd tusschen hoop en vrees.Eindelijk werd het avond.ze bleef wachten met lamp aansteken,dan kon ze hem beter zien aankomen:hij kon wel haast terug wezen,dacht ze.Eindelijk moest ze toch licht maken want het werd donker in huis en de kleinen waren met de grootsten moeite niet meer stil te houden.Bij het flauwe licht van het kleine petroleumlampje voelden ze zich beter op hun gemak en staakten hun vervaarlijk geschreeuw.

Terwijl Dreesje even later bezig was de twee kleinsten in bed te bergen,hoorden ze den bekende stap.Op hetzelfde oogenblik trad Lubbert het woonvertrek binnen.”Foei,foei,wat een weer”begroete Dreesje haar man.”Maar gauw`t natte goed uit.Kom Peter geef eens gauw de drooge sokken en warme klompen aan je voar”.

En als haar eersteling niet spoedig naar haar zin oprees om het verlangde te geven,pakte ze hem bij de mouw en zette hem uit vaders hoek opdat Lubbert er kon gaan zitten.”En nu maar gauw naar bed,`t is al lang over tijd”,voegde ze het kereltje toe.Peter bleef echter dralen;hij zag op tafel een pakje,dat zijn vader uit de jas gelegd had.”Peter!Ben je doof?Hoor je niet wat ik zeg!Och de jonge wil eerst graag een stukje koek,`t is ook nog maar een kind”,bracht Lubbert in`t midden.Dreesje zou het dan deze keer nog toegeven,maar in`t vervolg niet weer,de jongen moest doen wat ze zei.Peter kreeg een plakje en verdween,na moeder en vader goeden nacht gekust te hebben.Ziezoo nu waren ze alleen.

Einde Hoofdstuk 2

XXXXXX

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *