`t Nieje Huusje Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 3

 

`t Was best gegaan.Lubbert had wel ongenadig veel regen,maar anders een voorspoedige dag gehad.Hij was meer dan vroeg genoeg voor den trein geweest en had dus eerst in-de Prins-nog koffie bij zijn boterham kunnen kopen.Daar hadden ze een boek gehad,waarin stond wanneer de treinen wegreden.Zoo`n boek moesten ze in Uddel ook zien te krijgen,dat zou een gemak wezen.

`t Spoor was ook nogal meegevallen.Maar wat reed dat ding hard!In een oogenblik waren ze over geweest.

In de stad had hij nog bijna ruzie gekregen met een man,die aan`t station zelf aangeboden had Lubbert den weg te wijzen.Toen ze in de straat waren gekomen,had Lubbert hem gezegd`t nu zelf wel te kunnen vinden.Hij wist van den vorigen keer nog wel dat de Waarzegger zijn naam en kundigheden met krijt op de deur had geschreven.En Lubbert kon wel lezen.Doch toen had hij wat te horen gekregen!Boerenhengst,kaffer,had de kerel gezegd,wou jij ons hier komen……….Lubbert zou`t maar niet nazeggen al die gemeene taal.En hij had hem nog wel vriendelijk bedankten uitgenoodigd aan te komen,wanneer hij bij gelegenheid eens in Uddel kwam.Wat een goddelooze menschen toch in zoo`n stad.

En de politie er natuurlijk dadelijk bij.Dat was niets,maar die gaf zoo`n vent nog gelijk op den koop toe en Lubbert had best een dubbeltje moeten offeren om van ze af te komen.En toen was`t nog maar half goed geweest.

“`t Zal zulke menschen er later wel naar gaan”dacht Dreesje,”Dat zal`tzeker wel”zeide Lubbert”maar daar was ik niet mee klaar”.

Dan was het bij de Waarzegger beter gegaan.Daar viel mee te praten.Hij had geweten,dat er iemand komen zou om over een begraven schat te spreken.Zoo had Lubbert en ook Dreesje het nog nooit meer gehoord.Hoe was het mogelijk!En dan precies gezegd waar`t verstopt was.`t Moest onder de stoep van`t afgebroken huisje liggen en nog al van belang ook.Lubbert dacht begrepen te hebben van een pot en een kist.

Wat jammer dat hij niet eerder gegaan was.Doch dat gaat zoo,een mensch wordt altijd te laat wijs.Ze moesten nu maar rekenen:beter laat dan nooit.

Onder `t praten schonk Dreesje nog een bakje koffie in en sneed voor beiden een plakje koek,dat had ze met de drukte nog heelemaal vergeten.Lubbert had al van Jaap gekocht op de kermis.`t Was er een met sucade,een extra fijne.En toch niet duur.Op zoo`n kermis kan een mensch nog eens iets koopen voor niet veel.Vroeger had Lubbert wel eens heel wat centen verknoeid met`t hoofd van Jut,doch hij wist ze nu beter te besteden;hij kocht er liever koek voor.

Dreesje wilde nog een houtje op het vuur leggen,maar Lubbert vond dat ze maar naar bed moesten gaan,hij had een zware dag gehad.Bij het opstaan voelde hij pas dat zijn beenen half verstijfd waren.Geen wonder,`t was een heele loop en dan`t slechte weer deed er ook geen goed aan.En Lubbert begon al een dagje ouder te worden.

`t Was twee dagen later.Lubbert had het toch niet alleen durven wagen.In Deventer had hij zich in staat gevoeld,als het noodig was,de heele wereld te weerstaan,maar in Uddel terug was zijn durf wel geslonken.`t Waren natuurlijk oudewijvenpraatjes wat er voor verschrikkelijks omtrent`t Nieje Huusje verteld werd.Wie zou je wat doen?Maar met zijn tweéen was`t toch beter.Niet alleen met`t graven maar ook,als er wat was,om`t vervoeren.Daarom had hij Evert,een broer van Dreesje,die ook veel met hem op de stroop ging,gevraagd,of hij zin had eens mee te gaan naar`t Nieje Huusje om naar geld te zoeken.Daar zijn zwager wel merkte dat Lubbert er meer van wist,stemde hij met graagte toe.`t Kan hem in elk geval de kop niet kosten,dacht hij.

`t Had de ganschen dag geregend.De wind kwam uit`t N.Westen en joeg met een woeste vaart de wolken door het luchtruim.Bij oogenblikken keek de maan flauwtjes door de loodgrijze wolkenmassa,om dan dadelijk weer schuil te gaan,wijl zwaarder en dikker wolken kwamen aandrijven.De eeuwen oude eiken bij het Kasteel Staverden hadden moeite op de been te blijven en de vele vogels,die anders onder de zware takken een schuilplaats vonden,fladderden angstig rond.Ze voelden zich niet op hun gemak.Hier hoorde men,niettegenstaande de duisternis,ravengekras en daar het angstig roepen der opgejaagde houtduiven.Zoo ooit,dan was het nu een nacht om te spoken.

Men zou er geen kat of hond uitjagen en toch liepen op de laan van`t Kasteel nog twee menschen.`t Was Lubbert met zijn zwager.Gewapend met schop en pijlijzer waren ze op weg naar`t Nieje Huusje.Ze zouden het nu eens beproeven.

Weldra waren ze bezig.Na een poosje gegraven te hebben,peilden ze met het meegebrachte ijzer of er niet iets bijzonders te ontdekken viel.Doch het was nog niets als zand.Zeker nog niet diep genoeg.Ze togen opnieuw aan den arbeid.Het zweet druppelden van hunne hoofden.Weer gepeild en nog niets.

Hoe was het mogelijk,ze waren toch wel op de goede plek.Daar was geen twijfel aan.Lubbert kon zich het plekje nog heel goed herinneren,hij was bij de laatste bewoners nog op het erfhuis geweest.Dan maar weer aan`t werk,vond de broer van Dreesje.

Naar mate de put dieper werd,werd de arbeid moeilijker want het zand uit de diepere grondlagen moest niet alleen hooger worden opgeworpen,maar was ook met water doortrokken en dus zwaar als lood.

Tenslotte ging`t niet meer.Lubbert meende het van zijn zwager en Evert dacht,dat Lubbert met zijn voeten op zijn schop stond en hij daarom geen vordering kon maken.De mannen stonden op het punt elkaar verwijten naar het hoofd te slingeren over hun onhandigheid,toen de maan door de wolken op het zwoegende menschen paar neerzag en den kuil verlichtte.

Wat Lubbert en zijn makker toen te zien kregen,zijn ze nooit gaan vertellen.Op hetzelfde oogenblik lagen ze buiten de put en wisten niet meer dat ze in het levenden waren,tot het geweldige bruischen van het Koude beekje hen tot bezinning bracht.

IJlings vloden ze.

Dicht bij`t Kasteel ontwaarde ze tusschen zich een witte juffer met lang loshangend haar,Ze voelden geen grond.Zij ging met de doodelijk verschrikte mannen mee tot bij de Kijkover.Daar bleef ze staan en keek weemoedig verwijtend over de vlakte de vreemde indringers na alsof ze vragen wilde:”Waarom hebt gij mij gestoord”?

Zeven achtereenvolgende avonden werd zij daar opgemerkt.

Sedert zijn slechts weinigen bij avond`t Nieje Huusje gepasseerd en nooit meer is iemand zoo vermetel geweest om naar den daar verborgen schat gaan graven.

Einde.

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *