Tochten door het luchtruim.

Bijvoegsel

van het

Bataviaasch Handelsblad,

Van Zaterdag, 4 October 1890 No. 227.

 

Tochten door het luchtruim.

Op leven en dood.

Een gevaarvolle luchtreis.

Hoeveel tijd tusschen dat oogenblik en onze redding verloopen is, valt niet in cijfers uit te drukken; in enkele minuten, doorleefden wij uren – en toch moet naar onze ruwe schatting ons lijden meer dan 2 uren geduurd hebben!

Geen pen vermag te beschrijven wat in dien tijd in onze hoofden en harten is omgegaan. Eén ding stond vast: we zouden samen strijden. En die gedachten gaf ons moed.

Ik herinner mij, dat Juhles het eerst zich aanbood on den sprong in zee te wagen: “We hebben geen gas meer voor 200 kilo, ik ben de zwaarste, zonder mij zult ge stijgen, stijgen is gered zijn, ik kan immers zwemmen……”.

We laten hem niet uitspreken. Juhles is een betere dood waard dan de dood in de golven. Niet in het perfide element zult ge vleugellam en sstrijdensmoede den verstikkingsdood tegemoed gaan; allerminst gij, die de redder waart van honderden; wiens borst een kuras gelijkt van edel metaal, bezaaid als zij is met eereteekenen, door u in den strijd voor het vaderland en in den strijd tegen de woedende elementen verdiend; voor wien de harten kloppen van allen, die aan U bij brand en watersnood de redding dankten van hen, die zij verloren waanden, voor wien de mannen van Frankrijks dappersten en kundigsten officier- U komt een beter graf toe dan een vergeten graf in de in de golven!

Lhoste schijnt dezelfde gedachte te koesteren als ik; althans, wanneer Juhles opstaat en zich gereed maakt tot den vertwijfelenden sprong, staan in een oogwenk Lhoste en ik naast hem, en beurtelings dreigende en smeekende bezweren we hem zijn plan te laten varen en met ons te sterven- Zoo God Wil.

Dan werpen wij het anker weg in zee.

Men denke zich nu in onzen toestand.

Tot op het hemd toe doornat van den regen, die bij stroomen neervalt; voortgejaagd door een krachtigen wind, die giert door het touwwerk en den half-ledigen ballon als een zeil vult; – en die ballon steeds dalende met zijn last, aanvankelijk langzaam, maar dalende niettemin.

Wij zien nog hoe de strijdende elementen tot rust komen; wij voelden den afnemende regen. Straks houdt die regen op en gunt ons weder een blik op het zwerk. Zware, vormlooze wolken hoopen zich op, voortgezweept door den snijdenden, stootende wind, die ons de leden doen verstijven en telkens een rilling doet gaan door den ballon en zijn last.

Wij zien nog hoe de wolken fantastische gedaanten aannemen, telkens veranderend in rustelooze beweging; nu eens als burchten op statige rotsen, dan als de grijze toren van een reusachtigen dom, dan weder rukt zich een stuk los en neemt den vorm aan van dreigende gestalten, van groteske koppen, van grijnzende gezichten; dan scheurt de wind den rand der wolk aan flarden en teekent zich één reusachtige roofvogel af, die een groot deel van het luchtruim met zijne vlerken omvat en die bek en klauwen tot den aanval gereed heeft. Onheilspellend is de aanblik van dien adelaar,’t onmiskenbaar symbool van wat ons wacht!

 

Dan, alsof de natuur medelijden begint te gevoelen met ons lot, teekent zij snel de omtrekken van den wolk met hoopvol rood en blinkend goud; in een oogwenk, als door eene feeënhand aangeraakt, schikt zich het monster tot lieflijker vormen, nu eens als een duif met sneeuwblanke wieken, dán weder een grazende kudde. En ver, vèr in ’t Westen, vèr over de grenzen van mijn lieve vaderland, kust Phoebus de aarde goênacht. Die lichtstralen van de scheidende zon verwarmen ons ’t hart en schenken ons nieuwen moed.

De regen heeft opgehouden; Juhles, beducht voor den schok van de mand op het water, heeft zich op den cirkel geplaatst; Lhoste en ik zijn beneden op de rand der mand.

Ons gereed makende om zwemmende ons leven te redden, werpen we de laarzen en overtolligge kleeding weg. We zijn besloten ons tot het uiterste te verdedigen.

Tegen het verlies van het anker hebben wij eenige minuten in ruil gekregen; wij hebben ze besteed om al wat overtollige was in zee te werpen. Slechts het sleeptouw hangt van de mand af.

 

De kracht van den wind overtreft verre de kracht welke ons neêrtrekt; in schuine richting, als langs een hellend vlak, gaan we langzaam maar zeker den dood tegemoet. De schuimende golven der zee zijn nog niet tot rust gekomen; in gestadigde beweging vormen zij golfdalen en heuvelen; elk dal kan straks onze grafkelder zijn.

De stoot, dien Juhles verwacht had, blijft uit. Slechts even dompelen we onder in zee; dan voelt de ballon hoe de last aanzienlijk lichter wordt – gedragen als we worden door het water – en pijlsnel, geholpen door den forschen wind, ontrukt de ballon ons aan de golven.

“Vasthouden, houdt vast! Houdt in s’hemelsnaam vast!” zoo spreken we elkaar moed in. Wie zijne tegenwoordigheid van geest verliest, is verloren.

In minder tijd dan ik ’t beschrijven kan, heeft de wind ons honderden meters ver weggevoerd; dan, alsof het reddingswerk hem berouwde, ploft hij ons neder, diep, diep, onder water.

Als wij de oogen openen, zijn we nog voltallig. Nog krachtig, schoon niet onvermoeid, zijn we bestand tegen een 2e, wellicht tegen een 3e daling. Maar er zal meer dan dat van ons gevergd worden. Vraag mij niet om u in woorden uit te drukken wat wij toen doorleefden! Geen pen is bij machte het te beschrijven. In ’t aangezicht van den dood trad al wat ons lief en dierbaar was ons voor den geest; worstelend om ’t leven, dachten wij niet anders, of elk volgend oogenblik zou ons laatste zijn en we baden dat de strijd niet lang mocht wezen. De eerste, dien de krachten begaven, is Lhoste, de zwakste en de tengerste van ons; zijn spierkracht houdt geen verband met zijn geestkracht, die bergen kan verzetten. Zonder een woord te zeggen, zonder een kreet te slaken, laat hij de touwen los, zijne handen grijpen in de lucht, zijn hoofd buigt achterover, één verraderlijke golf en Lhoste ligt in zee!

Er valt geen tijd te verliezen; met het weinige moed, dat de wanhoop mij laat en met al de kracht die de wanhoop mij geeft, grijp ik met de linkerhand het sleeptouw, en, mij buitenboord werpende, omvat ik met forschen greep het naakte bovenlijf van Lhoste. Juhles verricht het overige en Lhoste is gered!

Hijgende naar adem, zetten we ons andermaal op den rand der mand. Lhoste’s hoofd bloedt; telkenmale wascht wel-is-waar het overslaande water het bloed af;maar telkemale ook spuit het met nieuwe kracht uit de open wond; straks zal door bloedverlies de laatste kracht hem begeven; de nood is tot het hoogste gestegen……

Maar nu ook is de hulp nabij!

Schipper De Jong uit Sloten heeft ons gevaar bemerkt; als het fantoom van een vliegend schip uit het sprookje, zag hij in de schemering een enorm gevaarte over het water scheren, nu eens door een wind voortgezweept en door eene geheimzinnige macht opgelicht, dan weder gericocheteerd op de watervlakte; eenige malen, naar schatting 20 maal, zag hij het monster zijn last onderdompelen in zee.

Dan vangt hij een wilden wedloop aan met het vliegende gevaarte; doch vergeefs. Al stookt hij de ketels zijner stoommachine tot berstens toe; op zulk eene vaartsnelheid is geen stoomboot ter wereld berekend.

Intusschen, de snelheid van het zeemonster schijnt ten slotte uitgeput te raken, zijne sprongen worden korter en vooral lager. ’t Is alsof de krachten hem begeven. Tegelijk weerklinken menschelijke stemmen, die om hulp schijnen te roepen.

Schipper De Jong zet zijne laatste krachten bij; op de voorplecht van de stoomboot staande, de haken tot enteren gereed, nadert hij de mand van ons luchtschip.

Lhoste en Juhles trachten zich verstaanbaar te maken. Zij willen dat het sleeptouw worde opgevischt, dat aan onze mand bevestigd, op het water drijft. Zoodra dat sleeptouw aan de boot zal zijn bevestigd, zal, behalve drie menschenlevens, het kostbare materieel, eigendom van kapitein Juhles, gered zijn.

Ik voorzie dat het sleeptouw breken zal. Slechts ter wille van mijn reisgenoten herhaal ik hunne bevelen in ’t Hollandsch. Weldra is dan ook het sleeptouw opgevischt en aan de stoomboot bevestigd. Dan verlang ik dat haastig een sloep worde uitgebracht.

Terwijl wij ons nu inpalmen aan het sleeptouw en terwijl de bemanning der stoomboot ijlings een boot uitbrengt, valt een krachtige rukwind ons luchtschip aan, slingert het honderd voet hoog in de lucht en ploft ons neder op zee op verren, verren afstand buiten bereik van onzen redder.

Maar deze geeft den moed niet op; de stoomboot vervolgt haar wedloop met den ballon en is ons weldra op zijde.

Geen minuut daarna werpen zich de drie schipbreukelingen, gewond, bloedend, halfnaakt, dóórnat en koud in de sloep.

Lhoste kan niet meer; maar Juhles en ik werpen ons op de riemen om de redding te bespoedigen; een blik op Lhoste, die aan onze voeten in zwijm ligt, overtuigt ons dat alleen spoedige hulp baten kan.

Aan boord gekomen, knielen we allen om Lhoste heen en trachten hem tot bewustzijn te brengen, tegelijketijd, nog snakkend naar adem, verhaal ik ons wedervaren, en danken we met oprechte innigheid de kloeke redders van ons leven. Juhles is stiller dan ooit; hij staart, de armen over de borst gekruist, in stille berusting naar hetgeen kort geleden zijn sierlijk luchtschip was! Daar ligt het! Vruchteloos tracht het zich te ontwringen aan de kille omarming van de machtige zee; vruchteloos richt het zich op om te streven naar de diepten der hemelen, waar zijn element is; nimmer meer zal het in statigen gang den blauwen aether tegemoed gaan of flaneeren boven het verheven wolkenveld. Weg is het trouwe luchtschip, dat, niet door eigen schuld, ten speelbal werd voor de kampende elementen-wat daar ligt is een wrak!

Juhles weent.

Dan wil ik een poging wagen om te redden wat te redden valt. En zonder te bedenken, dat de vraag, die ik doen ga, voor een man van zijn persoonlijke moed kwetsend kan zijn, vraag ik, doelende op de sloep, die nog langs zij drijft: “Oses-tu?”

Kort daarna roeien wij, trots de tegenwerpingen van den schipper en zijne maats, naar den ballon. Dan, alsof ook de laatste illusie ons ontnomen moet worden, slaat de wind het zich oprichtendee luchtschip met kracht tegen de golven; – een knal – een geluid als een zware zucht – en neergetrokken door de ijzeren appendice, verdwijnt onze laatste hoop in de golven.

Terug naar Lhoste! Is thans het wachtwoord.

Bij het aanbreken van den dag is de gelagkamer van het Logement van der Kamp te Harderwijk gevuld met nieuwsgierigen, die zich om twee Friesche schippers verdringen, hen overstelpende met vragen en met aanbieding van hunne hulp.

’t Zijn twee schipbreukelingen, des nachts ten 3 ure aangebracht door Meindert Jansen, schipper van een visschersschuit, die te Harderwijk thuis behoort.

De schipbreukelingen zijn gekleed in baaien hemd, roode borststrok, wijde rooden broek en een pet. De eene spreekt Hollandsch, de andere – vreemd genoeg – spreekt vloeiend Fransch.

’t Zijn Juhles en Wolff, schipbreukelingen van de Ville de Copenhague, gezagvoerder Lhoste, afkomstig van Amsterdam, bestemd voor de Oost-kust van de Zuiderzee. De orkaan, die gedurende den afgeloopen nacht de bewoners der kustplaatsen angst en kommer vervuld heeft, ontnam hun het kostbare vaartuig, dat met instrumenten en al eene waarde van niet minder dan 15,000 francs vertegenwoordigde!

Schipper De Jong hheft hen met gevaar voor zijn eigen leven, opgenomen, verpleegd en verzorgd, en hen daarna overgedragen aan de zorgen van Meindert Jansen, die hen na vier uur zeilens behouden op den Vaderlandschen bodem terugvoerde. God zegene de kloeke schippers!

Gedurende den geheelen morgen is het een va et vient van belangstellenden; wel 20 malen moesten de reizigers hun wedervaren, hun schipbreuk en hunne redding verhalen; ieder leeft mede in ’t ongewone geval, en tal van angstige vragen onderbreken het verhaal der geredden. Er is maar één roep over schipper De Jong.

Dan gaat de deur open en een dik goedig uitziend heer treedt in reistoilet de gelagkamer binnen; hij maakt zich bekend als de verslaggever van het Nieuws van den Dag en overhandigt ons een bulletin, dat ten getale van duizenden te Amsterdam verspreid is:

“Ballon La Ville de Copenhague in Zuiderzee gevallen. Luchtreizigers Lhoste, Wolff en Juhles verongelukt.”

Goddank, zoo erg is het niet!

De nieuw aangekomenen zet zich; hij neemt iedereen in door zijn beschaafd, vriendelijk uiterlijk, hij laat zich voor de zooveelste maal het blij eindend treurspel vertellen, dat altijd een gretige schare van belangstellende hoorders vindt. Dan zet hij zich aanstonds aan de schrijftafel en schrijft het volgend telegram:

“Luchtreizigers Juhles, Lhoste en Wolff gered – heb hen gesproken – kom met hen om half 5 te Amsterdam.”

Als de deur zich weer opent, komt Lhoste binnen, steunende op den arm van onzen braven gastheer. Hoeden af, de gewonde, kloeke schipbreukeling, die daar voor U staat in de moedige strijder voor de wetenschap, de aëronaut, dien heel Europa kent en met eere noemt! Hoeden af, leve Lhoste!!

Dank zij de zorgen van den logementhouder en bovenal van den burgermeester van de plaats, verlaten wij in den middag in vrij goeden welstand Harderwijk.

Honderde handdrukken bezegelen de sympathie der hartelijke ingezetenen en den dank der geredden.

Maar wat was dit afscheid tegen de ontvangst te Amsterdam.

Eene onafzienbare menigte verdringt zich in en bij het station. In de voorste gelederen herkennen we schoone patricische vrouwen en dochteren van wat in Amsterdam uitblinkt door fortuin, door schoonheid en geboorte. Daar naast het bestuur van Amicatia, dat het gouden eereteeken der societeit voor de “koene luchtreizigers”meêbrengt. Daar om heen vele autoriteiten en een onafzienbaar publiek, dat met hoeden wuift en in daverende hoera’s losbarst, die geen einde schijnen te nemen. Vele gezichten komen ons bekend voor; het zijn die, welke den opsteigenden ballon naöogden, toen een beklemd gevoel, alsof de luchtreizigers hun verderf tegemoed gingen, veel schoone oogen met een traan van deernis verduisterde.

O, er zijn schoone momenten in het aëronautenleven!

Dien zelfden avond verzonden wij een brief van dankbetuiging met een flinke geldsom aan hen, die ons gered hadden. Aan schipper De Jong viel bovendien het gouden eeremetaal ten deel van de Fransche Luchtvaart-academie.

Vier dagen na den schipbreuk moest ik Amsterdam verlaten om te Venlo op te stijgen.

Daarover wellicht later.

H. Wolff.

 

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Krantenberichten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *