Uit de Atjeh_tijd

De zwarten.

*******

In de woelige jaren,die liggen tusschen 1873 en 1880,waren de straten van Harderwijk het toneel van heel wat leven en beweging.En geen wonder!

De oorlog in Atjeh vroeg honderden soldaten en uit alle landen trokken vrijwilligers hier heen.

`t Verwondert ons dan niet,dat de naam onzer thans zoo stille  woonplaats bekend is tot zelfs in de afgelegenste dorpen van Zwitserland en Tirol.

Wat al Duitschers,Zwitsers,Franschen en Belgen zijn toen de kazernepoort binnengetreden,om de beslissende stap voor geheel hun volgende leven te doen!

Als kinderen hadden wij dol veel plezier in al die bedrijvigheid en aan afwisseling ontbrak het niet.Steeds vonden wij iets van onze gading.Als `s morgens de troep uitrukte met de vrolijke muziek voorop,ontbrak de kijkgrage jeugd niet op het appel en menige melodie herinnert ons thans nog aan die onbezorgde jaren.Voor de herbergen posteerden zich een breede schaar van kinderen uit het volk,die wachten op het oogenblik,dat de een of andere-oome-(zoo werden de kolonialen genoemd)een  milde bui kreeg en centen onder de hoop wierp.Dan werd er op de grond een mierennest gevormd van allerhande kinderen,allen zich beijverend,om toch maar wat van de buit mee te krijgen.Of het Hollandsche centen waren,of Brabantsche(Belgische),dat deed er niet toe.Alle munt was gangbaar.En als er dan temet eens een emmer water over de golvende menigte werd uitgegooid,wat deerde dat?

De kleren droogden spoedig op en de zak was goed gevuld.Heerlijke  vechtpartijen werden er geleverd.Klappen werden uitgedeeld,die raak waren,maar dat hinderde ons niet.Wij voelden er niets van en de vrolijke,roezemoezige drukte keerde toch spoedig weer.

Onze kameraden werden af en toe eens getracteerd,nu kreeg er eens een`n mooi sigarenpijpje,een ander werd eigenaar van een verrekijker;een derde werd aan de disch genoodigd en zat mee aan,zich tegoed doend aan een gebraden kip en een glas wijn.

Wij kenden de kindervrienden onder de vreemdelingen.In latere jaren begrepen wij,dat die kindervrienden wel eens misleide menschen waren,die,op wat wijze dan ook,hier waren aangeland,om hun eigen kroost nimmer weer te zien.

Van de drukte,die er`savonds heerschte,wisten wij als kinderen niets,want de kleintjes waren met lampopsteken binnen.Wat ons echter nog goed voor de geest staat,is het verblijf van-de zwarten-in de kazerne.Men vertelde ons,dat het Afrikaansche negers waren,die in Indië hadden meegevochten.Ze waren op de kust van Guinea,waar wij toen eenigen bezittingen hadden,voor den dienst in Nederlands.-Indië geworven;kwamen na afloop van hun diensttijd met andere gepasporteerden in Harderwijk en moesten daar soms weken of maanden wachten eer er bij toeval een schip uit Nederland naar Indië vertrok met bestemming om de kust van Guinea aan te doen.`tWaren meestal forsche kerels en de gegradueerden,korporaals of soms sergeants,droegen meestal meer dan één medaille van trouwen dienst of deelname aan krijgsverrichtingen.

Sommigen van hen,ja,de meesten,hadden een lidteeken op de wang,naar oogenschijn veroorzaakt door een inkerving met een mes,-`t zijn bevrijde slaven-,fluisterden wij tegen elkander,de eigenaar had ze gemerkt,net als een visscher zijn vischtuig.

Zoo`n  zwarte Jan-had het hier zwaar te verantwoorden.Hij was het mikpunt voor alle straatjongens.De witte oogen en de ivoorwitte tanden,die glimmend zwarte huid,`t was ook om nooit te vergeten.Hij zou er vanbinnen ook vast anders uit zien dan een gewoon menschenkind.Enkele brutale gasten waren zoo driest,zoo`n zwarte Jan een hand geven en dan te zeggen-alles baai-.

Dan mompelde de zwarte eenige onverstaanbare woorden en de vrolijke lach op zijn inderdaad innemend gelaat bewees,dat hij het zo kwaad niet meende.

Eens,wij herinneren het ons nog zo goed,waren er een drietal tegelijk in de kazerne.Ze waren altoos bij elkaar en vormden een merkwaardige driekaart.Een was een grijsaard,een blijkbaar afgeleefd man;het loopen ging uiterst moeilijk;het eene been sleepte altoos ietwat over de grond;zijn haar was grijs,zijn gelaat gerimpeld,zijn oogopslag was norsch;een grijze sik beschaduwde de twee knoopen van zijn lange kapotkjas.De tweede scheen een man van circa vijftig jaren;hij was breed geschouderd en nog flink van lijf en leden,lachen deed hij nooit;hij scheen geregeld in gepijns verzonken en nam nog van`t één,nog van`t ander notitie.`t Was een wereld op zichzelf.De derde echter was een hupsche jonge man,die`t met de kinderen wel vinden kon en lachjes en handen uitdeelde,zoveel men maar wilde.Merkwaardig!Deze man had niets te lijden.Hij wandelde op rozen.Zelfs zijn tegenwoordigheid was voldoende,om zijn beide rasgenoten voor een onheusche bejegening te vrijwaren.Mogelijk klampten de beide-ouwe zwarten-zich daarom wel aan den jonge makker vast.

Nu gebeurde  het eens,dat-de twee ouwen-door de Kleine Marktstraat kwamen,gevolgd door een menigte kwajongens,die zich op afstand hielden,met steentjes wierpen en luid schreeuwden;-Sétanloe koffiedik-.Welk mensch kan het dragen,dat hij wordt uitgejouwd,zonder dat hij iets kwaads in den zin heeft?Die zwarten konden er evenmin tegen,maar ze trachten zich te beheerschen,tot ze hier of daar konden binnengaan,teneinde te ontkomen aan het gevaar van die vervloekte bengels.Maar in deze buurt ging dat niet zoo gemakkelijk.Wel trachten weldenkende burgers de knapen te beduiden,dat ze hun wreed vermaak moesten staken,doch `t was boter aan de galg gesmeerd.

Op de Vischmarkt werd het niet beter.Daar scharrelde een vrolijke kinderschaar,die bij`t zien der negers nieuwsgierig nader kwam.Enkelen begonnen al,als bij ingeving te roepen-Sétanloe koffiedik-.Links en rechts stoven de vreesachtigen uit elkaar,om bescherming te zoeken in`t ouderlijk huis.

De plaaggeesten allen bleven buiten en die maakten het al te bont.Het schelden nam geen einde;de negers werden met steenen geworpen.De oude kreeg er een tegen de borst,de man werd woedend.Hij wendde zich telkensom en stiet meer dan één maal een krijschende vloek uit;hij balde de vuisten en hield met dreigend gebaar de straatslijpers op een afstand,de getergde man werd razend.

Daar komt een tienjarige knaap,zoo pas uit de zee,over de Vischmarkt.Het ventje weet niet,dat de zwarten zoo geplaagd zijn en vervolgd onbeschroomd zijn weg.Maar plotseling wordt hij aangegrepen door den woedende Afrikaan,die zeker meent,een zijner kwelduivels in handen te hebben.De jongen krijgt er geducht van langs.Zijn vader die dit toevallig ziet,zet zijn vracht,-een kaakmand met visch-neer en stormt op –den ouwen zwarte-toe.De grijze krijgt met de klomp overal slagen,hij jammert en kermt onder de ruwe kastijding en smeekt om genade.Zijn kamaraad moet het ook ontgelden.Felle slagen komen op zijn arme hoofd neer,en roept:-O,baassie,niet doen!-

Enige buuren snellen toe en brengen den vader tot kalmte.De politie verwijdert den zwarten,nadat deze zich eerst onder de pomp hebben verfrischt.Kort daarna vertrokken de negers.Ze hebben zeker geen aangename herinneringen uit Harderwijk mede gedragen en zullen zich in hun geboorteland bij`t genot van een vriendelijke samenleving allicht hebben getroost over het ondervonden leed.

XXXXXXXXX

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *