Uit Harderwijks verleden. Hoofdstuk 2

 

Een samenspraak en wat er op volgde.

Hoofdstuk 2

 

De samenspraak liep goed van stapel.De beide zonen van Wijntgen Ernste,die waarschijnlijk monniken moesten uitbeelden,speelden hun rol zeer natuurlijk,zoo natuurlijk,dat ze in`t eind”overmits den dronck”niet meer vast op hun beenen konden staan.

Ze hadden geen zeebeenen!

Het succes der speellieden was evenwel groot,doch bij de luide toejuigingen eenerzijds,rees bij het goed Roomsche deel der bevolking en zeker niet ten onrechte de klacht,hoe de Overheid een dergelijke,schandelijke vertooning kon toelaten,ja,aanmoedigen.

De Raad,voor verreweg het meerendeel Hervormingsgezind,liet de klagers klagen.De speellui bleven ongemoeid,voorloopig althans en zooals het gewoonlijk gaat,spoedig was het geheele geval in`t vergeetboek geraakt.

In`t najaar van het zelfde jaar 1546,had er evenwel eene gebeurtenis plaats,die gevoegd bij de vorige,de inmenging van het Hof van Gelderland nodig en gewenscht scheen te maken.

Het was een dure tijd,zooals we zeiden.Met hard zwoegen verdienden de handwerklieden slechts een sober stukje brood.Daarom waren dan ook enkele ledenvan`tSt.Verus-of linnenweversgilde op Allerzielen(2nov.)`s middags aan den arbeid getogen.

Het feit was geconstateerd en de gildenmeesters bewerend,dat deze handeling in strijd was met de oude statuten,beboetten deze lieden met een tonne biers.

Hierover ontstond geschil.

Het gericht werd ingeroepen en dit de rollen naziende,vond daaromtrent geen bijzonder bepaling gemaakt,zoodat het de veroordeelden van hunne boete ontsloeg mede op grond dat de namiddag geen vierdag was.

Deze beslissing had tengevolge,dat andere gilden nu nog verder gingenen eenige Heilige dagen,waarop het verboden was te arbeiden eenvoudigweg afschaften.

Maar nu gaat dan ook de mare,”die van Harderwijk hebben de Heilige dagen afgeschaft”,en wanneer het gerucht Arnhem bereikt,dan zendt het Hof van Gelderland de Prior van`t Predikheeren-klooster te Zwolle.

Berend Gruwel den Roomsch-Keizerlijke Commissaris van den Heiligen Christengeloove met zijn notarius,zijn particulieren secretaris Dirk Wolff om een nauwkeurig onderzoek in te stellen naar de toestanden te Harderwijk,dat op `t punt van de religie als geheel besmet met ketterijen bekend stond.

Berend Gruwel te Harderwijk

Tot goed begrip van den gang van dit onderzoek moet men wel in`t oog houden,dat Gelderland onder de Nederlandsche Gewesten een gansch andere plaats in nam dan b.v.Holland en Zeeland.

Deze stonden als Oostenrijksche erflanden in veel nauwer betrekking tot een vorst,dan onze provincie,die na langdurigen zware oorlog was overwonnen.

En al had dan ook Willem van Gulijk en Cleve,Gelre`s laatste Hertog zich in 1543 na de nederlaag bij Duren afstand moeten doen van dit zijn gewest,bij`t traktaat van Venlo(12 sept.1543)beloofde Keizer Karel V onder eede Gelderlands vrijheden en privilegiën te zullen handhaven.Onder die privilegiën was ook het bekende:”de nonevocando”,dat de ingezetenen vrijwaarde voor buitenlandsche rechtsvorderin.Gelderland werd dus beschouwd een deel te zijn van het Duitsche rijk en wat op de Rijksdag te Augsburg omtrent de relegie was bepaald achten de Gelderschen voor hun gewest van toepassing.

Daarom ook in Gelderland geen inquisitie terwijl de plakkaten tegen de ketterij er veel minder streng waren dan in de erflanden des Keizers.

En toen Holland en Vlaanderen de vervolging om des geloofswille reeds hevig woede,genoten de Gelderschen nog schier onbeperkte Godsdienstvrijheid.

Wel was een stadhouder benoemd,de eerste was Réne van Chalon,van wien Willem van Orange het Prinsdom erfde,wel werd een Hoog-gerechtshof,het Hof van Gelderland ingesteld,maar elke daad die van buiten uitging werd door de stedelijke regenten nauwkeurig aan de verkregen rechten en oude gewoonten getoetst.Wat hiermede ook maar eenigsins in strijd was,werd voor kennisgeving aangenomen,en moest  men het billijken dan nog trachtte men door allerlei soms fijnbedachte uitvluchten tijd te winnen of door geheime tegenwerking de richtige uitvoering te verijdelen.

En de stadhouder zag veel door de vingers.Hij toch was gewaarschuwd:”Met de Gelderschen moest men zeer voorzichtig handelen”.

Half juli 1547 treffen we dan den Prior met zijn notaris te Harderwijk aan.Hij had zijn intrek genomen in`t Fraterhuis,een complex van gebouwen,gelegen tusschen den Westelijken muur en de beek,aan beide zijden van de Sevenhuyzenstraat.

Een bijzonder welkome gast was hij niet,nog bij den Raad nog bij de burgerij.Een uitlander,een monnik nog wel,die een onderzoek kwam instellen naar de daden door burgers en burgerkinderen van de goede stad Harderwijk verricht!Toen dan ook de notaris zich naar het Raadhuis begaf om den aankomst van den inquisiteur te melden en zijn commissie den Burgermeesteren te overhandigen,ontving Jan van Bryenen,Burgermeester indertijd,hem”in eer en deugde”maar zoo klaagde de notaris,onderwege was hij nageroepen.

Ook de Prior zelf aan Burgermeester voorgesteld wilde worden,had hij bij`t vertoeven in de bodekamer ten stadshuize eene ontmoeting,die hem voor de toekomst weinig goeds voorspelde.

Hij trof een lid van`t edele weversgilde Meester Rutger”een droechschere”een man die aan menig ziekbed,waar hij een stichtelijk woord sprak eene vriendelijke verschijning was.De Prior,zeker om den tijd te korten,Harderwijks vroede vaderen haasten zich niet,knoopt met den droogscheerder een gesprek aan,dat evenwel spoedig op een dispuut uitloopt en voor den commissaris een hoogst onaangename wending neemt.

Tenminsten als hij zich op zijn Keizerlijke zending beroept blijkt onze meesterwever een Harderwijker van onvervalschte bloede.

Hij durft zeggen,wat hij op`t hart heeft.

Zo vierkant in`t gezicht.Geen “achterbaksigheid”.

“`t Lijkt wel—zegt hij met verheffing van stem–,`t lijkt wel of zijne Keizerlijke Majesteit gek is om zoo`n monnik hier in deze vreedzame eendrachtige stad te zenden,die dingen gaat uitrichten welke niet dan onvrede en onenigheid veroorzaken zullen.`t Komt mij vreemd voor en van Zijne Majesteit is`t nog wijs nog Evangelisch gehandeld!”.

Daar kon de Prior`t voorloopig mee doen.Bleek van woede keerde hij zich af van Meester Rutger.

Dat was Majesteitsschennis.

Stellig neemt hij zich dan ook voor hem zijne onbeschaamdheid betaald te zetten.

Er waren echter nog regenten te Harderwijk.

Dat zou Berend Gruwel weldra gewaar worden.

In de Raadskamer was de ontvangst verre van hartelijk.Men was beleefd-ja,maar met die eigenaardige Geldersche beleefdheid,die spreekt uit een schalke tinteling van`t oog-en een kleine,sprekende plooi om de mond-maar toch beleefd was men,zoodat het tegenover een hoogen commissaris paste.

En als deze het doel van zijn komst blootgelegd heeft kan hij op de steun en medewerking van Burgermeesteren rekenen-mits-en hier komt het schalke reeds uit-mits hij beloofd niets bijzonders te doen,dan met hun raad en medeweten,alles vermijdende wat ook maar eenigzins tot twist,oneenigheid,onvrede of partijschap onder de burgeren kan aanleiding geven,waartegen zij krachtens hun eed hadden te waken.

Die belofte bond den Prior de handen.

Zeker,Berend Gruwel was voor zijn taak ten volle berekend,met taaie volharding trachtte hij het voorgestelde doel te bereiken,hij had ambitie voor zijn vak.

Edoch tegen de gewiekstheid van Harderwijks Raad zou hij niet opgewasschen blijken,ook al werd hij geruggesteund door het Geldersche Hof en het Keizerlijk bevelschrift.

Nu dacht Gruwel zijn taak aan te vangen.Hij zond zijn notaris naar`t stadshuis met een ontwerp publicatie,waarin hem en zijn gevolg bescherming werd toegezegd en door Burgermeesteren en Raad der ingezetenen het uitleveren van alle boeken welke na 1518 waren uitgekomen werd bevolen.

Dergelijke publicatie`s waren,vertelde Wolff,ook in andere steden waar zij”gewerkt”hadden uitgevaardigd en aangeplakt.De Raad antwoorde dat wat het eerste deel der publicatie Betrof,de Prior gerust kan zijn,maar het bevel tot het uitleveren van boeken,dat behoorde niet tot zijn bevoedheid.Een levendige correspondentie werd nu gevoerd,die echter tot niets leidde.

Op vrijdag 15 juli werden de Burgermeesters Gerard Maurissen en Johans van Breyne afgevaardigd om na de preek in de sacrity een onderhoud met den Prior te hebben.Deze deelde den Heren mede,dat hij nu voor eenige dagen de stad moest verlaten en daar hij beloofd had niets te zullen doen buiten den Raad om,daarom wilde hij hun u maar even zeggen,dat hij ook de Overheid,die hem gezonden had dacht te ontmoetten.Deze zou hem bij avontuur naar den voortganck zijner commissie kunnen vragen,misschien ook zou hij,indien zij dit niet deden,zich gedrongen voelen zelf de weigering der publicatie hen bekend te maken.

Einde hoofdstuk 2

************

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *