Uit Harderwijks verleden. Hoofdstuk 3

Een samenspraak en wat er op volgde.

Hoofdstuk 3

“Maar!”riep Burgermeester van Oldenbarneveld,die tegenwoordig was geweest bij het onderhoud met de notaris,vol verwondering uit,”maar,melieve,wat wilt gij dan toch eigenlijk van ons?”.

Heeft de Raad u niet toegezegd gaarne de publicatie omtrent uwe bescherming te zullen afkondigen?

Zoo”starch en strack”zelfs als`t u belieft?Wat het brengen der boeken betreft-ja,dat kunnen wij nu eenmaal niet gelasten.Daartoe hebben wij geen bevel.Dat hoort thuis op het terrein van de kerk.Acht de Prior het noodig, ons is het goed.Hebben wij daarom niet nadrukkelijk gezegd en aangeraden dit krachtens uwe opdracht van den predikstoel den volke bekend te maken?

Wat begeert de Overheid nog meer?

Nu was het de beurt van de Prior om zich te verbazen.Op wreveligen toon vroeg hij zijn notaris,die intusschen een onbetrouwbaar mensch blijkt,of dit alles zoo was en toen deze dit bevestigen moest voegde de Prior hem vrij ruw toe:”dat en hebt gij mij so niet gezegt!”

Nu,Berend Gruwel was zoo hardhoorig.Een lastige kwaal voor een geloofsonderzoeker,vooral tegenover raadsleden die de souvereiniteit in eigen kring voor ditmaal op de spits dreven.

Als nu werd terstond een ontwerp-publicatie opgesteld welke geringe wijzigingen de goedkeuring van den Commissaris kon wegdragen.Ieder werd daarin ten sterkste geboden zich te onthouden van den Keizerlijke Commissaris en zijn gevolg te beleedigen met woorden of werken en “hem te gehoorzamen in alles wat hij krachtens zijne commissie op den predikstoel bekend maakt of nog zal bekend maken.”

De commissaris was nu volkomen bevredigd en vroeg een afschrift van de door den Raad goedgekeurde publicatie,terwijl hij verzocht met de afkondiging daarvan te wachten tot zijne wederkomst.

Op den zelfden dag kon dan de Prior in de kerk zijne bekendmaking van de predikstoel doen en van de puie van het stadshuis kon die van de Burgermeesteren,Schepenen en Raad worden afgekondigd.

Dat was dus afgesproken en de commissaris kon met een geruste consientie zijn zenders ontmoeten.

Wie evenwel Herman van Oldebarneveld en johans van Breynen,gaande van de sacrity naar het stadshuis,dien middag was tegengekomen,hij zou ongetwijfeld ontdekt hebben,iets van die schalksche tinteling in`t oog en de glimlach om den mond,waarvan we boven spraken.Ze waren dan ook prachtig geslaagd,met het vooruit schuiven der stelling:”houdt uw positie zuiver!”

Wel was het reeds middag en mocht men veronderstellen dat alle burgers aan den maaltijd waren,toch aanstonds werd de stadsdienaar uitgezonden de Schepenen zooveel mogelijk bijeen te roepen.

Er waren gewichtige zaken te bespreken.

Spoedig waren dan ook allen ten raadhuize bijeen,teneinde over de ontwerp-publicatie te beraadslagen.

Deze werd onveranderd goedgekeurd.

De Prior ontving een”uitschrift”en met de afkondiging zou men tot zijne terugkomst wachten.

De reis duurde maar kort.Reeds 22 juli was de Prior terug en nu kon de zaak voortgang hebben en op zondag 24 juli zou de publicatie worden afgelezen.

Doch wat gebeurde?

Toen de Raad en Schepenen vergaderd waren onder het oude orgel,kreeg bij het overlezen van de betwiste bekendmaking,een der Schepenen een inval,die ongetwijfeld tegenwoordig met het modewoordje”leuk”zou worden aangeduid.Die publicatie beviel hem maar half.

Er moest,dacht hij,zooiets van een” mits”in.

Andere vrienden vielen hem bij.

De hoofden weren bij elkaar gestoken en zeker wel de secretaris van den Schependom,Wolff,vond dat men”tot sterking zijner commissie”en opdat ieder zou denken en gelooven,dat de Prior niets kwaads op het oog had achter het woord”gehoorzamen in kon voegen”in die dingen welke Goddelick,billijk en redelijk zijn.

Gehoorzamen in die dingen welke Goddelijk.billijk en redelijk zijn,zou het heete.

Zoo werd besloten,en zoo werd de publicatie,natuurlijk zonder dat Gruwel iets van deze wijziging wist,Zondag`s afgekondigd.

Voor het aanspijkeren op de kerkdeur,daarvoor behoefde de Raad niet te zorgen.

Immers de notaris had er over gesproken,dat hij dat op zich wilde nemen en zoo bleef ze te zijner beschikking op het raadhuis liggen.

Berend Gruwel kon nu eindelijk,zoo dacht hij na veertien dagen marrens,zijn taak aanvaarden.

Hij had echter buiten den waard gerekend.

Wij volgen hem,hoe verleidelijk het onderwerp ook zij niet verder bij zijne onderhandelingen met den Raad.

Toch,een enkel staaltje van`t lijdelijk verzet deelen we nog mede en zien daarna hoe het onze speellieden van St.Odulhus-dag afliep.

Het was vrijdag 29 juli`s morgens om negen uur.

Burgermeester Herman van Oldenbarneveld en Wolff der Schepenen secretaris zijn op het raadhuis druk bezig met het zegelen van stukken en het behandelen van de gewone zaken van dagelijks bestuur.

Daar treedt de stadsbode binnen en dient aan iemand genaamd Dirk Wolffs.(echt naïef,alsof hij die man voor het eerst ontmoette).

Deze binnengelaten,bracht het bevel van zijne heer den Prior over,dat ieder van hen in`t bijzonder,binnen een half uur voor hem moesten verschijnen,om,de een in kwaliteit van Burgemeester en Raad,de andere als gerichtsdienaar en secretaris gehoord te worden in zaken het geloof betreffend en hoe zij zich ten opzichte daarvan gedragen hadden.

Dit bevel bracht groot ongenoegen teweeg.

In allerijl vergaderde de Raad en zooals te begrijpen is,bij het vernemen van het gebeurde steeg de verontwaardiging.

Niet gaan,was`t algemeen gevoelen.

`t Was ongehoord en geheel in strijd gehandeld met hetgeen de commissares beloofd had na zijn komst.Toen was afgesproken,dat hij niets zou doen zonder hun weten en willen en vooral niets op eenigerlei wijze tot oneenigheid,twist of partijschap kon aanleiding geven.En nu?

Zoo`n heimelijke dagvaarding van den een voor en den ander na gaf maar aanleiding tot achterdocht bij de burgerij,was in strijd met de waardigheid van den Raad en zou een bron worden van oneenigheid,twist,onvrede oproer en daartegen moet elken stad in de eerste plaats gewaakt worden.

Daarbij,de een zou in zulk eene heimelijke bijeenkomst maar kwaad spreken van den ander.

Neen,met die nieuwsgierigheid hadden zij niets van doen.Zelfs Karel van Egmond die toch in zaken der religie ijverig genoeg was geweest en de landen ook redelijk onbevlekt daar af gehouden had,had zooiets nooit ondernomen.

Kort en goed,de beide gedagvaarde heeren werd daarom geheeten thuis te blijven.Wilde de commissaris de Schepenen horen,zij waren bereid bij hem in`t Fraterhuis te komen,of waar hem goeddacht,maar dan allen tesamen.

Dit antwoord bracht Dirk Wolffs namens de Schepenen den Prior over.

Natuurlijk volgden hierop heel wat onderhandelingen.De Raad hield echter voet bij stuk en eindelijk 7 augustus kon de commissaris altijd echter door middel der Raadsleden zijn onderzoek aanvangen.

Intusschen had de Prior al die tijd niet stilgezeten.Aan het bevel om de boeken welke na 1518 verschenen waren bij hem ter nadere goed-of afkeuring in te leveren hadden inzonderheid eenigen geestelijken gevolg gegeven en van deze lieden was hij tevens het een en ander dat hem dienen kon te weten gekomen.

Ineens verscheen er niemand meer.

De notaris op onderzoek uitgezonden,vernam dat de menschen op straat lastig gevallen en gescholden voor”boekbrenger,kliksteen”,en dergelijke minder vriendelijke woorden.Ze durfden eenvoudig niet meer.

Nu was de maat vol.

Op zondag 7 augustus na de predikatie noodigde de Prior de Raadsleden in de school van het Fraterhuis en verzocht vriendelijk hun hulp en meedewerking.

Slot.

In de eerste plaats wenschte hij te weten waar het stuk gebleven was dat op St.Odulphus-dag in den ommegang gespeeld was.Wie de vervaardiger was wist hij en wie het gespeeld hadden wist hij ook en waar het stuk was ingestudeerd”het leerhuis”ook dat wist hij,maar het stuk zelf had hij tevergeefs zoeken machtig te worden.

In de tweede plaats wenschte hij eenige inlichtingen omtrent het afschaffen van ettelijke Heilige dagen en eindelijk sprak hij nog over de onvriendelijke bejegening hem door Meester Rutger aangedaan,doch dat behield hij nog aan zichzelf.

Aanstonds waren de Raadsleden met hun antwoord gereed.Van de samenspraak op St.Odulphus-dag schenen zij niets vernomen te hebben,toch “zij wilden in dezen gaarne den Prior van dienst zijn,maar dan moest hij namen noemen”eerst dan konden zij een onderzoek instellen en doen wat recht was.

Dat er Heilige dagen zouden zijn afgeschaft is hun onbekend en gelooven zij niet.Het gericht wist daar tenminste niets van en dat zou het in de eerste plaats moeten weten,omdat zooiets zou zijn tegen de stadskeuren.

En waar de Prior de zaak met den droogscheerder aan zich houd,behoeven zij er ook geen antwoord op te geven.

Zoo was dus alles in`t reine gebracht,maar Gruwel had nog iets op zijn boekje en wel het naroepen en lastig vallen der boekbezorgers.

Noemt namen was het antwoord en we zullen recht doen.

Wie zijn er lastig gevallen?

De Prior wendde zich nu tot den notaris,die-en geen wonder-aarzelend noemde de priesters Brouwer en Brinck.

Hierbij moest men het ditmaal laten.

Den volgende morgen waren reeds tijdig op den Schepenkamer alle raadsleden bijeen.

Priester Brouwer was opontboden om gehoord te worden.Toen hij verscheen werd hem medegedeeld wat de notaris had verteld.

Hij had geklaagd dat men hem boekbrenger en klikspaan had gescholden.

Wie hebben dat gedaan?

“Ik heb daarover niet geklaagd,nog iets daar van gezegd”,antwoordde de priester,”want dat is nooit gebeurd,alleen toen ik onlangs voorbij  het huis van Anna van Breyen kwam zaten daar eenige,mij onbekende menschen die toen ik voorbij was begonnen te roepen:Pater,Peter,Pater,Peter,en als ik omzag en bleef staan riepen ze:sta,sta!”.Pater Peter was evenwel nergens te bespeuren,daarom vermoedde ik dat ze mij bespotten omdat ik den Prior boeken had gebracht.

Overigens had hem niemand klein nog groot ooit lastig gevallen,dit betuigde hij met een eed naar priesterwijze.

Na hem was aan de beurt heer Brinck,aan wie dezelfde vragen werden gedaan.Ook deze ontkende geklaagd te hebben,hij was nooit nageroepen.

Wel had hij,bij priester Lenhart gekomen,deze gevraagd,hoe hij zich tegenover Schepenen en Raad zou gedragen en of deze werkelijk gelijk de Prior hem gezegd had,dat ze doen zouden,evenals de priesters een voor een bij hem zouden komen.

Lenhart had hierop geantwoord,wel neen man,en die zullen zich wel weten te verantwoorden.Toen hij dat hoorde had hij gezegd,maar dat zult gij ook zien,dat de burgers die ons toch al niet lijden mogen,de priesteren de schuld geven,van alles wat de Prior wordt aangebracht.

Anders heeft hij niet gezegd,hetgeen hij onder eede betuigt.

Terwijl dit onderzoek,waarbij alweer de onbetrouwbaarheid van den notaris aan`t licht kwam,plaats had,ontving Burgermeester Ot Alaertsz een schrijven van den commissaris,in de eerste plaats een onderzoek in te stellen bij Claas Beyerman en Wijntgen Ernste met hare kinderen.

Nu,daartoe waren de heeren bereid.

Reeds ten anderen daags verschenen den aangeduiden personen voor de Schepenen in de school.

Claas Beyerman,die op de planken zoo meesterlijk zijn rol had gespeeld,overtrof zichzelf voor de heeren.Toen hem gezegd werd,dat de Prior meende dat hij op St.Odulphus-dag een spel had helpen spelen,was hij de lijdende onschuld zelve.

Ja,dat had hij gedaan.Mocht dat niet?

Ik dacht zelfs,zoo ging hij voort, een zeerverdienstelijk werk te hebben verricht.Immers toen de kerkmeesters en pastoren oudergewoonte,dat van de burgers begeerden,opdat Onze Lieve Vrouwen en de kerk rijke giften zouden ontvangen,hebben wij ons terstond beschikbaar gesteld.

Waar zijn dan het boek en de geschriften daarvan?Luide de vraag van den Burgermeester.Van boek en schriften wist hij natuurlijk niets.Hij had uit het hoofd gesproken en zijn vrienden Gerrit en Hendrik hadden wel zoo`n  papiertje gehad met hun spreuk,maar waar dat gebleven was,viel moeilijk te zeggen.

`t Was immers gildenteerdag en dan ging de gildenbeker met Hamburger en Stadener bier lustig rond en zoo`n beker in één teug te ledigen wil nog wat anders zeggen dan een blauwe knoop doorslikken.Wie zou dan nog acht geven op zoo`n papiertje.

Maar er was toch een boek geweest,waaruit hij had geleerd en waaruit de rol van de broeders Ernste was uitgeschreven?

Ja,zeker,er was wel een boek geweest,dat dacht hij ook wel,maar waar dat boek was gebleven.zie,juist toen hij hier heen ging had hij een burger hooren zeggen,dat deze het ergens had neergelegd,maar dat het nu niet meer is te vinden.`t Boek is weggeraakt,net als`t  papiertje.Hiermede moest de Prior zich tevreden stellen.

Kort daarop is Gruwel waarschijnlijk uit Harderwijk vertrokken,doch kwam het volgende jaar terug.Het eerste wat hij toen deed was te vragen welke straf de heeren het best oordelen te zetten op de overtreding van Claas Beyerman en degene die met de samenspraak hadden gehouden,als ook voor degenen die op een feestdag hadden gewerkt.

Ten opzichte van de droogscheerder was de Prior zeer vergevingsgezind.Had hij vroeger reeds betuigd,dien man gaarne te vergeven,wat hij teen hem had misdaan,nu verzocht hij den Raad te verbieden”zijn loopen en preeken bij de zieken”en er op te letten dat hij dit weer deed want dit zou gevaarlijk kunnen zijn voor hemzelf als voor de zieken.

Uit het antwoord dat de Raad hierop gaf blijkt duidelijk dat hij zooveel mogelijk alles met den mantel der liefde wilde dekken.

Wat de speellieden betreft,de Prior had zelf gehoord en zij waren er van overtuigd,dat zij niet gehandeld hadden met zonderling boos opzet.

Het werken op de Heilige dagen was enkel geschied uit der tijden nood,zoodat zij den Prior voorstelden een lichte straf op te leggen”Gestalt der personen en zaken”.

Meester Rutger zullen de heeren onder handen nemen.

Nu Claas Beyerman kwam er dan ook met eene lichte penitentie af.De jonge Ernste,die niet in de stad was,kwam geheel vrij.

Hiermee was de samenspraak van de baan.

Wij meenden dit verhoor en de houding van den Raad tegenover Gruwel den Keizerlijken Commissaris uitvoerig te moeten behandelen omdat daardoor veel ons duidelijk zal worden,wanneer we later de Beeldenstorm en de eerste predikanten

Zullen stilstaan ,en zien,met welk een vrijheid van handelen ook dan Harderwijks Burgemeesteren optreden.

Zonder evenwel al te nauwgezet acht te geven op de leuze”houd Uw positie zuiver”die zij nu zoo hoog hielden.

 XXXXXXX

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *