Uit Harderwijks verleden

Een samenspraak en wat er op volgde.

Hoofdstuk 1

Harderwijk,in stichting de oudste en in rang de tweede stad van de Veluwe,heeft na de gewone en zekerste gissing haar naam ontleend aan een wijck of toevlucht der Harderen,die daaromtrent op de heydvelden hunne schapen hoeden.Aldus vangt Mr.Johan Schrassert in 1730 zijn beschrijvinge der Stadt Harderwijk aan.

Op bladzijde aan bladzijde schets hij in zijn merkwaardig boek met welversneden pen den luister en den grootheid vanOud-Harderwijk.

Hij laat voor uw oog verrijzen weer,bij den Lieven-Vrouwenkerk den prachtigen toren,bijkants onder en boven even dik,zóó dik dat zich op den top gemakkelijk een wagen en paard zou kunnen wenden en zóó hoog,dat hij den schippers reeds ver in zee tot baken verstrekt.

Hij laat u bewonderen de fraaie Luttekepoort,die het oog van alle vreemdelingen in verwondering trok door drie overfraaie torens bezijden malkanderen staande,zóó hoog,dat een middelmatig dorp aan ieder van dezelve genoeg had om daarmede te pronken,behalve nog een toren van gestaltenis op de wijze van een burcht en nog een ander stomper gedaante.

Bij eene omwandeling door destad vestigt hij in de Donkerstraat,met echte burgertrots,uwe aandacht op de vele fraaie huizen meest van groote verdieping,bijkants zegt hij,als in de Hanze-steden Lubeck en Hamburg.

Hier vertoefden gaarne de eedelste vertegenwoordigers van Gelre`s adel en Ridderschap als de van Broekhuyzens,de van Deelens,de van Ommerens,de Boecops,de Wijnbergens,de van Speulde`s,die elders op den Veluwe hun jachtverblijven of bouwhoeven hadden.

In de Bruggestraat wijst hij met nauwkeurigheid aan,waar de afslag van de visch alleen werd gehouden en hoe de Schepen-resolutie de postwagens van Deventer en Zutphen slechts mogen lossen tusschen de herbergen”de Stadt Vrede”en”de Swaan”.

Hij verhaalt van den vroomheid en mildheid zijner voorvaderen uitkomende in den vele kerken en kloosters in de Godshuizen en Gasthuizen,binnen en buiten de poorten.

En als straks aan de haven gekomen,eens de plaats waar Gelre`s oorlogszuchtige en krijgshaftege Graven en Hertogen uitrusten hunne vloten,die Holland en Friesland bestookten,-waar eens de buitenvaarders rijk bevracht binnen zeilden uit Denemarken en de landen aan de oostzee-dan wendt hij zich zwijgend af-omdat het verhaal daarvan niet als smertelijcke nagedachte aan de burgers zijner stede geven kan.

Liever schetst hij in`t gildewezen u de goed georganiseerde burgerij in leven en bedrijf en in de Vroedschap der rijke,beschaafde en van haar rechten welbewuste regenten,fier wakende voor de privilegiën en keuren der stad.

Honderd jaar later ruim volgde een Harderwijker burgermeester van even aanzienlijke huize en even oud geslacht het voorbeeld van deze Raad en Secretaris derzelfde stadt.

Het was die burgermeester,welke naar wij onlangs vernamen als”Gaateman”nog  in de herinnering der oude Harderwijkers voortleeft.

Uit het rijke goed geconserveerde stedelijk archief publiceerde hij in de mededeelingen van het Historische Genootschap een schat van historische bijzonderheden die onzen blik in de geschiedenis van Oud-Harderwijk niet weinig verruimen.

Uit die historie gaan we thans een bladzijde mededeelen,die weldra door nog enkele zal gevolgd worden.

Sint-Odulphus-dag was eeuwen her(sedert 1231)voor Oud-Harderwijk een der meeste belangrijkste dagen van het jaar.Een dag van ongewone bedrijvigheid.een dag van feestvreugde,die destijds maar al te zeer ontaardde in brooddronkenheid en losbandigheid.

Op St.Odulphus-dag begon de tweede vrije jaarmarkt.

Drie dagen van te voren was reeds door den stadsdienaar aan elk der vijf poorten oudergewoonte bevestigd het wit houten kruis,den vreemdeling ten teeken,dat zoolang de markt duurde(van 12_16 juni)hij”met lijf en goed gevrijd wierde”.

Van heinde en ver,-en dat ver mogen gerust zoo ruim mogelijk houden-stroomde de plattelands bevolking steedewaarts,om hun waren ter markt te brengen of om inkopen te doen.

Allerlei koopwaren-zelfs van landen overzee-lagen dan opgestapeld in de ruime,tot pakhuizen aangelegde voorhuizen der oude koopmans woningen,zoodat men er te kust en te keur kon koopen.Vooral lakens,zoudt ge moeilijk elders kunnen betrekken,dan in de Wolleweverstrate,die van de Broederen naar de Luttekepoort gaat.En wat bovendien kostelijk is,voor bedrog zijt ge gewaarborgd.Immers daar waakt stedelijke Regeering voor.Jaarlijks toch werden uit de Raad gekozen twee waardeyns of de keurmeesters,welker ambt was de lakensoorten te waarderen en gelijk het in hun eed heet,te segelen wat segelbaar is,te wraken(af te keuren)dat wraakbaar is.

Was deze vrijmarkt op zich zelf derhalve reeds oorzaak van bijzondere bedrijvigheid er was echter meer dat deze dag tot een feestdag maakte.

Op St.Odulphus-dag hielden de gilden en broederschappen,kerkelijke en wereldlijke en luisterrijke”ommeganck”.

Een zonderling fraai schouwspel.

De schutten gewapend met kruisboog,roers en bussen opende de rij.

Elk lid voorafgegaan door den drager van den banier met de Heilige naar wie het gilde zich noemde als Catharine,Anthonis,Onze lieve Vrouw,enz.

De Koning van dat jaar en wie hij zich ter Koninginne koos in`t midden.

Het St.Joris gilde,het gilde van buitenlandvaarders en die den buitenvaart in betrekking staan,in aanzien en vermogen het voornaamste en waartoe het puik der burgeren het zich een eere rekent te behoren,volgt,terwijl zich verder aansluiten in schier niet af te ziene rij,de broederschappen en ambachtslieden met Overlieden en Gildemeesters.

Allen met rijk versierde vaandels en attributen.

Hier en ginds waait hooguit het blauw stedelijk vaandel,met gouden blokken bezaaid,in`t midden de Nassauwse Leeuw ofwel dragende nog het oude stadswapen”het Koggeschip”.

Een wonderschoone stoet in kleurige pracht van zestiende eeuwsche kleedije,warm stralend en glanzend in den helderen Juni zonne.

Een pracht,te sterker uitkomend nog,tegen het meestal donkere gewaad der menigte,die voor gaat en volgt of die dicht opeen gedrongen op de stoep en onder de luifel de optocht ziet voorbij trekken in stille bewondering nu eens luiden bijval dan weer,maar die toch straks zich verzamelen op het ruime kerkhof voor Onze Lieve Vrouwe.

Evenals ook elders geschiedde,is hier een getimmerte,een stellaadje opgeslagen.

En ontbrak bijna zeker een”kamer van Rhetorijken”,aan de oproeping van kerkmeesteren en pastoren gaven oudergewoonte altijd gaarne eenige jongelieden gehoor om op deze dag hetzij een ernstige of meer vrolijke “samenspraak te houden”om,zooals het destijds heete een spel te helpen speulenom die vreemde man te behagen en belustenen ,hier te lokken.

Gaarne werd dan door dezen een milde gifte geofferd,die Onze Lieve Vrouwe en de kerk ten goede kwam.

Een dergelijk”ommeganck”had ook plaats in`t jaar 1546.

`t Was wel een tijd van misgewas en duurte,maar toch toen St.Odulphus naderde,werden de toebereidselen tot gewone processie gemaakt,die naar men beweerde dit  jaar bijzonder schitterend zou zijn.

Inzonderheid van”het spel”was werk gemaakt en`t zou dan ook stellig meer dan anders nog de aandacht trekken.

En`t heeft de aandacht getrokken,zelfs van`t Hof van Gelderland.

Doch hierover straks.

Eindelijk brak de dag aan.

De ommegang was volbracht en`t lang verbreide spel zou beginnen.

Hoe het stuk getiteld was,zooals men tegenwoordig zegt,alle nasporingen daaromtrent  zijn vruchteloos gebleven.Zeker is het dat de gebreken der geestelijkheid er in met eene onbeschaamdheid en vrijmoedigheid werden gehekeld.

De hoofdrol werd vervult door Claas Beyerman,een linnenwever.Hij sprak naar`t harte der Harderwijkers.Zoo maar uit het hoofd,zonder iets bij zich,zij hij in zijn rol.Zijn medespelers Hendrik en Gerrit,zonen van Wijntgen Ernste hadden ook wel hetgeen zij te zeggen hadden van buiten geleed,maar toch zekerheidshalve droegen ze bij zich”een cedultje”van hun spreuken.

Einde hoofdstuk 1

XXXXXXX

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *