Van stroopen en jagen.

Strooperstaktiek

***********

Nu houd ik niet van taktiek.

Tenminste niet van die fijnbedachte,vooraf beraamde slimmigheidjes om zijn oogmerk te bereiken.Deze strooperstaktiek is echter van zeer onschuldigen aard.Ze bewijst slechts hoe een handig strooper ,en stroopers zijn handig,met eenig overleg partij kan trekken van de voordeelen,die de wet aanbiedt.

In de hoofdzaak komt ze hier op neer:Wanneer in deze tijd een strooper moet verschijnen voor het kantongerecht,doet hij dit alleen dan,wanneer hij kans ziet de dagvaarding te ontzenuwen.In het tegenover gestelde geval is het hem veel voordeliger zich bij verstek te laten veroordeelen,daar hij dan vooral wanneer boete opgelegd wordt veel langer op vrije voet kan blijven.Die boete toch behoeft eerst betaald te worden twee maanden nadat het vonnis in kracht van gewijsde is ingegaan alzoo na twee en een halve maand.De veroordeelde wacht nu tot aan het einde van dien termijn,teekent dan verzet aan,tegen het vonnis,wordt meestal veertien dagen daarna gedagvaard,heeft tot zijn verdediging natuurlijk niets in te brengen,zoo dat de kantonrechter het vonnis bevestigd,doch heeft dan weer twee en een halve maand tijd met betalen,alzoo ruim vijf maanden bijeen.

Dan is de goede oude voor het stroopen voorbij en betaald mijnheer of hij gaat”zitten”.

Of de Veluwsche stroopers deze taktiek ook toepassen,weten we niet en doet er ook minder toe.We gebruikten dit stukje slechts als een gepaste inleiding op ons tegenwoordig onderwerp:

Stroopen en jagen

In vroeger tijd stond de Veluwe in geheel andere betrekking tot den vorst dan de overige deelen van het hertogdom Gelre.Hier was hij niet alleen vorst maar ook eigenaar van den grond.

En kwamen door schenking enkele goederen in`t bezit van kloosters,kerken of adelijke personen,het jachtrecht hield hij aan zich.

Slechts aan zeer enkele personen was toegestaan zonder zijn bijzondere vergunning in de Veluwsche bosschen met honden te jagen.

Die uitgestrekte wouden waren voor jagers een paradijs.Wel waren de tijden voorbij dat,zooals een schrijver het noemt-de beren grimmen,wolven en everzwijnen zoo vreeselijk gebaren,dat een mensche gruwen mochte-maar toch huisden er nog wolven,wilde katten,wilde zwijnen en werden herten,inden,reeën enz.overvloedig aangetroffen.

Al naarmate de Heer meer of minder hartstochtelijk jager was,werden zware of lichtere straffen gesteld op het stroopen en wilddieven.hoe meer de wildstand achteruit ging,hoe strenger de bepalingen werden.

In 1341 werd b.v. zekere Arnold van Heyden voor twee stuivers beboet,omdat hij een wild zwijn had gevangen.

Honderd jaar later moest Wolfken van Bilaer Moerken voor het helpen van wildbraad reeds met twintig gulden boeten.

Wreeder lot trof in 1461 Noyke of Nuy Kip ,de wildschieter.Deze beruchte strooper uit de omstreken van Harderwijk,was lange tijd de schrik der”scharjanten”of schuts.Met klimmerder stoutmoedigheid zette hij zijn bedrijf voort,totdat hij in`t lest gegrepen en zwaar geboeid naar den Rozendaal werd gebracht,waar hem tot afschrikwekkend voorbeeld de beide handen afgehakt en de oogen uitgestoken werden.

Arme Noyken!

In 1466 onderging een niet genoemd strooper dezelfde gruwelijke foltering.

Karel de Stoute,aan wien Gelre verpand was,trok kort en goed alle jachtvergunningen in.Niemand mocht meer zonder verlof van zijn jagermeester de bosschen met zijn jachtgereedschap of honden doorkruisen.

Den boschwachters werd nadrukkelijk bevolen streng op de nakoming van dit bevel te letten en de overtreders te brengen in onzer”gevenckenschap”te Arnhem,om gepijnigd en gestraft te worden naar gelegenheid van de zaken.

Karel van Gelre,die zoo vaak hij zijn dochter Anna op Schoonderbeek bezocht,in het Putterbosch jachtparty op jachtparty gaf,verklaarde eenvoudig,dat,wie het waagde in zijn bosschen konijnen of patrijzen te vangen zou gestraft worden met leven en goed.

Karel de vijfde liet zijn “conijnen waranden”verpachten,maar hield zich het recht voor,dat zoo hij door het verpachte jachtterrein trok de edellieden van zijn gevolg vrij een twee of drie konijntjes mochten verschalken.

`s Keizers stadhouder was echter strenger heer.Hij gaf aan de scholten bevel in de kerken te doen uitroepen en verkondigen,dat niemand havikken,sperwers of dergelijke vogels op de nesten mocht storen of de eieren meenemen.

In elk Schoutsambt deponeerde hij een bijzonder soort nijptang om”die honden poten”af te nijpen.Niemand op de Veluwe mocht huishonden of bastaard windhonden houden”ten sij dat deselve honden die twee principaal voorste clauwen wes tot den leste lit toe van haar voorste voeten afgeknepen zij het met den nijptang daartoe verordend”.Bovendien moesten honden behoorlijk gebengeld zijn met een groote slepende bengel(knuppel).

Overtreders van dit gebod werden gestraft met een boete van vier Heeren ponden.

Op het stroopen van hinde calveren,pulsterlingen en jonge hazen stond een boete van vijftig gulden.

Al die strenge maatregelen baatten niet veel.Immers 1 april 1563 werd geklaagd dat op de Veluwe,de hazenjacht en het veldhoender vangen door iedereen zonder onderscheid werd uitgeoefend.

Na den Spaanschen tijd trok de Veluwsche adel het jachtrecht aan zich.Met de stedelijke besturen,die voor de burgers daar ook aanspraak op maakten,had de ridderschap gedurig moeilijkheden.

Jachtovertredingen werden in die dagen niet door den gewonen rechter behandeld.

Zij werden door het Hoog Adelijk Jachtgerecht gestraft.

En dit jachtgerecht beboette,pijnigde en strafte de Veluwsche stroopers naar hartelust tot de Fransche revolutie hier alle toestanden wijzigden.

In het Groot-Gelderschen Placaatboek komen tal van ordenantiëns tegen de wilddieverij voor.In die van 24 mei 1671 wordt het nagels afknippen niet meer genoemd.Men verbood nu eenvoudig honden te laten losloopen.

Schaapherders mochten het grootste deel van`t jaar de honden niet meenemen.De Koning Stadhouder Willem de Derde,was een hartstochtelijk jager.Daar onder dien eik op de zodenbank zat hij menigmaal om eenige oogenblikken uit te rusten van de vermoeienissen aan`t jachtspel verbonden.

En als de avond tot huiswaarts keeren noopte lag het edelste wild opgestapeld aan den voet van den woudreus en schoten de jagers hun geweren af zoodat de kogels diep drongen in den ruwen schors.

Deze koning verbood in 1674 om den wildstand te verbeteren,voor een geheel jaar de jacht.Ja,zelfs herbergiers en in`t algemeen alle burgers gelastte hij hunne gasten geen wildbraad voor te zetten op eene boete van vijftig goud guldens.

XXXXXXX

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *