Verder de stad in. 1/3

 

 

Verder de stad in. 1/3

We gaan nu van de Markt af de kant van de haven uit, maar aleer we daar zijn, passeren we nog een hoop plekjes, waar tal van herinneringen uit de jongenstijd aan vast zitten.

In de wolleweverstraat, waar we nu door heen gaan, vond je alreeds in mijn tijd de tabakswinkel van Goossens. Daar haalden we voor een cent of vier een puntzakje rooktabak en een steenen pijpje van één cent,we stopten dat rookgerei weg in onze kiel, want rooken mochten we van thuis niet, en we verborgen hetzelve….in de Zeemuur bij de koepel van Vierhouten.

Daar waren veel losse steenen in die muur en ieder van ons jongens had daar z’n eigen steen. We peuterden zoo,n steen uit de muur en in de holte daardoor ontstaan, verborgen we onze kostelijke “pijpen toeback”,een soort safe dus.

Een stille overeenkomst was ‘t, dat nimmer de en aan het rooksel van den ander kwam, ’t lag daar veilig verstopt.

Daar, bij de zeemuur was ‘t, dat ik het rooken geleerd heb. Wat hebben daar gedampt, zittende op ’t ijzerdraad van de paaltjes langs de Wel, waar nu de ijsbaan is. Met wijsgeerige snuiten, als ouwe kerels zaten we daar, rookende als schoorsteenen en spuwende van jewelste,want dat hoorde er zoo bij.

En ’t schrikte ons ook niet af, als er af en toe een van ons wat wit om z’n neus werd, daarna een ietwat groenige kleur en op ’t malse gras van de Wel z’n maag binnenste buiten keerde. Dit gebeurde meer als eens, dan zagen we ’t al, zoo’n held werd wit, en benauwd klonk het dan “’k moet kotsen”. Maar we versaagden niet, ieder van ons moest dat meemaken, anders werd je nooit een goeie rooker.

En als er aan je pijp een bruin tintje kwam van het doorrooken, dan pas was je naam gevestigd als rooker en dar was je wat trots op. We rookten zelfs uit uitgeholde eikels en kastanjes.

In ’t steegje, dat uitkwam in de wolleweverstraat vlak tegenover de bakkerswinkel van van Zalingen ( later firma Ruiters), weet ik nog, dat daar een oud vrouwtje ( Aaltje Kok ) woonde, die een water – en vuurnerinkje dreef.

Heel dikwijls ben ik daar geweest om voor thuis voor één of twee cent “doovekoolen”te halen bij de “water – en vuurvrouw”, en ik vond ’t daar altijd iet of wat geheimzinnig.

’t Was een klein huisje, ongeveer in ’t midden van de steeg en met m’n twee centen in m’n hand geklemd, m’n vinger door ’t oor van de test, ging ik m’n boodschappen daar doen. En als je de klink omgedraaid had, trad je binnen in een half donker, rookerig kamertje, waar, onder de schouw, een vuurtje brandde, waartegen eenige harde korte turven leunden, maar zo, dat deze niet totaal verkoolden, doch zachtjes doorgloeiden

’t Rook er altijd naar turfrook en de gloed van ’t vuurtje speelde met schitterschijntjes door de schouw. Naast het vuurtje, op de vuurplaat, doezelde een dikke kat, zoo,n driekleurige lapjeskat en de water – en vuurvrouw zat nevens de haard met een tang in ’t vuur te morrellen en keerden de turven.

Als ik dan vroeg om m’n twee cent “doovekoolen”pakte ’t vrouwtje enkele doorgegloeide turven met de tang beet en legde ze in de test. En als ik dan de centen in d’r dorre gerimpelde hand gaf en het ouwe gerimpelde gezichtje zag met de rood – omrande oogen, huiverde ik altijd en dacht ik meestal aan tooverheksen, ‘k was blij as’k maar weer de deur uit was.

Je kon daar, bij dat vrouwtje ook heet water krijgen en de “gortbus”brengen. Die gortbus was ook zoo echt iets van vroeger. Dat was een metalen bus, of liever gezegd twee bussen, die precies over elkander heen schoven.

’s Avonds deden ze thuis daar de gortekorrels in en dan werd de bus naar ’t vrouwtje gebracht, waar de bus dan den geheelen nacht in ’t heete water werd geplaatst en ’s morgens haalden we die bus weer op en was de gort gaar gestoomd.

Op de hoek van dat steegje van de Wolleweverstraat vond je ook nog de tapperij “het Scheepje”van Bosman en aan ’t eind van de straat was ’t café van Bronsveld, alwaar je, in een aparte ingang gist kon krijgen.

We gaan verder door de Schoenmakerstraat in de richting van de school op de Vischmarkt en we passeren de Hoogstraat waar in mijn jongenstijd een café bestond, hetwelk een eigenaardige naam gegeven was door het volk. De eigenaar van dat café, ‘k meen dat hij van der Lugt genaamd was, was n.l. de trotsche vader van een zevental dochters en nu stond dit koffiehuis bekend onder de naam van…”de veertien billetjes”.

Vlak bij de school, aan ’t eind van de straat, vond je een snoepwinkeltje, gedreven door een oud vrouwtje, die we “ ’t Nonnetje”noemden. Hoe dikwijls heb ik daar al niet voor één cent een halfje pijpkaneel of zoethout gekocht, om fijn op school op te eten.

Dikwijls stonden er eenige appels of sinaasappels achter ’t glas op elkaar gestapeld en dan was ’t ons te doen, om flink tegen de ruit te tikken, zoolang, tot de appels omtuimelden.

En nu komen we aan de school,…..onze school,waar stapels herinneringen aan vast zitten; wie Uwer denkt niet dikwijls aan die schooljaren?

Van m’n zesde tot m’n veertiende jaar ging ik op de “Burgerschool” daar aan de Vischmarkt, acht lange jaren, wat een pret heb ik in dien tijd gehad en hoe heerlijk en zorgeloos was toen het leven, dat vergeet je nooit.

En de namen van de meesters en de juffrouwen weet ik nog goed. Daar waren de bovenmeester Stadlander, de meester Kok, van Raalten en Dalhuizen en de dames Schaafsma en Fijnvandraat. De conciërge was de ouwe Foppen, die we “Heimen de Kiepenjager”noemden of, als hij je naar aanleiding van die benaming te pakken kon krijgen, zoo fijntjes, maar pijnlijk in je arm kneep, ook wel “Heimen de Fieneknieper”noemde.

Denk niet, dat we van die zoete jongetjes waren op school. Integendeel, de meesters hadden heel wat te stellen met ons, en de kwajongensstreken waren legio.

Zeer geliefd was, om uitgekouwde, natte zoethoutproppen op ’t bord te gooien, wat immers een schoon effect gaf, of meikevers te laten vliegen in de klas, wat een daverend succes oogste of de lange pijpensteel van de bovenmeester in de inkt te dompelen, zoodat deze fijne zwarte lippen kreeg. Ook gingen wij wel eens “pijpje draaien”, dat is, stiekum een morgen of middag van school wegblijven, maar zoo, dat ze ’t thuis niet in de gaten kregen, want dan zat er wat op.

Dat kon je toendertijd nog doen, want de leerplichtwet was er nog lang niet. Ik weet nog best, dat ‘k voor ’t eerst naar school ging, ’t was in het jaar 1890 en koud dat ’t die winter was. Aan de hand van Sophia de Hardt ging ik voor ’t eerst schoolwaarts en in de andere hand droeg ik m’n griffeldoos en in m’n kieltje zat m’n sponsedoos.

Dien winter van 1890 was ‘t, dat de Koning Willem III ziek was en als ’t twaalf uur was geweest, dan holden we de school uit naar ’t Stadhuis, want dan las de ouwe Smink, staande op ’t bordes voor, hoe het met de Koning gesteld was. En toen de Koning overleden was, luidde eenige dagen de Stadhuisklok en zongen wij, op de maat van de klok: “De Koning is dood, de Koning is dood!”

Griffels waren belangrijke dingen vroeger op school. Je kocht ze bij Tromp of bij Nelletje Karssen, twee of drie centen en één voor een halfje, dit waren gewone griffels waar van onderen een fel kleurig papiertje omgeplakt was.

Een bijzondere griffel was een “fabergriffel”, die was veel lichter van kleur en schreef zachter op de lei. In die griffels werd soms een ware handel gedreven, ’n stuk “Faber”was wel een heel gewone griffel waard.

Soms maakten we een prikboek, dat was een oud boek wat we hier of daar opgescharreld hadden, we knipten uit die oude tijdschriften de prentjes en die lagen we lukraak,tusschen, tusschen de bladen van ’t boek. Dan was ’t prikboek gereed voor’t gebruik.

En dan liep je bij school of op de Markt te leuren met je boek en klampte je iedere jongen of meid aan met de vraag, of ze prikken wilden. Je hield met de duim of wijsvinger van je beide handen de bladen van ’t boek stevig geklemd en nu bestond ’t prikken daarin, dat de ander met een stuk griffel z.g. prikte tusschen de bladzijden, dan was dit voor hen, en de griffel voor de eigenaar van ’t boek. Achterin het boek lag de reserve voorraad plaatjes, je vulde de leeggekomen plaats weer aan en zoo ging ’t door, zóólang, tot de plaatjes op waren en je dus een zak vol griffels had. Ook prikten we vaak om kuilsen.

De sponsedoos was een pracht gelegenheid, om boontjes in te kweken. Op of onder de vochtige spons werden eenige boontjes gelegd, gewone bruine of witte boontjes en soms, maar die waren zeldzaam en kostelijk van die gespikkelde boontjes. Liep zoo’n boontje nu uit op de vochtige spons, dan had je een fijn “gekweekt boontje”en zoo een was heel wat waard, minstens een tol of tien kuilsen of een glazigen knikker.

Er waren in mijn tijd drie soorten scholen, de Burgerschool op de vischmarkt, de Armenschool op den hoek Kerkplein – Israëlstraat en de Franscheschool op ’t Kerkplein. Op de Burgerschool gingen de kinderen van de middenstanders, de Armenschool was gratis en daar gingen de “jongens en meisjes met klompen”op, de Fransche school was de “deftige”school, waar in de hoogere klas Fransch werd geleerd.

Ons speeluurtje was op de Vischmarkt, ’s morgens om kwart voor elf. Dan was ’t ravotten van nog en o wee, als er geschilde “twiegt”bossen op de Vischmarkt stonden, dan had Ravesloot geen knechten genoeg, om de bossen overeind te zetten.

De straffen op school waren van diverse soorten. In de hoek staan was wel een van de lichtste straffen, in de gang staan was weer iets erger, maar schoolblijven en een paar honderd strafregels schrijven was heel erg, ’t allerergste was, als je weggestuurd werd en als Foppen achter je aan kwam met een briefje van de meester, dan zat er thuis heel wat op.

Ook gaven sommige meesters je nog wel eens een tik met de liniaal, je riep heel hard “auw”en dan had de klas lol. Als je in de gang moest staan, dan was dat tevens een fijne gelegenheid om de petten en jassen die op de haaken hingen, flink te verwisselen zoodat ieder om twaalf – of vier uur als de school uitging lekker kon zoeken of, als je de snoode daden in de gang volbracht had, met je gezicht stikum voor de glazen van ’t schoollokaal ging staan, “snuiten”en “vreemde gezichten”trekkend, om de jongens daarbinnen aan ’t lachen te maken.

En wat kon je soms fijn profijt trekken van je kastje in de schoolbank om er ongezien je half afgeknauwde knol, wortel of appel in weg te moffelen, zonder dat de meester ’t zag.

’t Fijnste wat ik van school me nog herinner, was den tijd, dat ‘k in de hoogste klas zat, en dan bijzonder de Vrijdagmiddagen. Dan was ‘t, zoo tegen een uur of drie, zingen en tegen dat de school uitging, boeken ontvangen uit de bibliotheek van de school. En wat zongen we mooi en vol overgave de oude schoolversjes, van “Klein vogelijn op groene tak”, of “Op de grote stille heide, dwaalt de herder eenzaam rond”, of, “Wat geef ik toch om geld of goed, wanneer tevredenheid”, of, “’t Zonnetje gaat van ons scheiden, ’t avondrood kleurt weer de lucht”, of,”Ik leef nog hoog in de Alpen”, of, “O, teedere jeugd, hoe schoon zijn Uwe dagen”, of, “In ’t groene dal, in ’t stille dal, waar kleine bloempjes groeien”, o, er waren er nog zooveel, allen even mooi.

En dan werden na ’t zingen de boeken uitgedeeld. Je gaf aan den meester op, welk boek je graag had en dan mocht je dat meenemen naar huis. Dol blij was ik, als ‘k het boek “Voor ’t jonge volkje”kon krijgen. Daar stonden allerlei verhalen met platen en één hoofdverhaal en nog herinner ik mij den titel van sommige dier hoofdverhalen, n.l., “De riddervan de St. Amand”, en, “De club van Japiejokla”, verhalen om te verslinden, of je vroeg een mooi Indianenboek, b.v. “Berentand”, of een boek van Stamperius, “Een week vol avonturen”, of het boek, “Alleen op de wereld”, allemaal boeken waar ik van genoot.

En als dan om vier uur de school uitging en ik, m’n boek stijf geklemd onder m’n arm, naar huis holde, en , nauwelijks binnen zijnde, aan moeder vroeg, daar ik het al meende te bespeuren aan de reuk, “wat eten we”, en moeder dan antwoordde: “pannekoek”, dan sprong ik van blijdschap de lucht in en was ik dien Vrijdagmiddag de tevredenste en gelukkigste jongen van de geheele wereld, een mooi boek om te lezen en …..pannekoek.

Ja, wat herinner ik me nog sterk die kleine dingen waar je toch zoo overgelukkig mee was. Zoo b.v. als ’t in de kersentijd was en ik op school in de klas, de bekende roep hoorde van Tromp, die met z’n kersen te koop liep in de omliggende gebuurten van de school en dan zong “’t Zijn kersen als juweelen, met pitten en stelen, rijp maar rond, twaalf centen een pond!” En als ‘k dan ’s middags van school thuis kwam en vader of moeder zeiden, “Kijk eens in ’t buffet”en ik daar een schoteltje met kersen vond, dan juichte ik het uit.

XXXXXXXXXXXX

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Jeugd herinneringen door W.J. Polen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *