Verder de stad in 2/3

 

 

 

Verder de stad in. 2/3

 

We hadden als schooljongens ook wel aardigheid er in, om te trachten soms iemand in de maling te nemen.

Zoo b.v. de ouwe “doove Arie”, die Vente met kaas en sinaasappels. Dan deden we soms net, alsof we voor thuis sinaasappels kochten en we vroegen eerst, wat of ze kosten, maar daar die ouwe baas inderdaad goed doof was, zoo vroegen we: “wat kosten je dochters”wijzende op de sinaasappls en dan antwoordde Arie prompt: “De dussen vier veur een dubbeltje”. Dan brulden we van de lach en Arie wist niet, waarom we dan zoo’n lol hadden.

Ruiten tikken, belletje trekken waren ook de geliefde bezigheden na schooltijd, inzonderheid als ’t vroeg donker was.

Ook ging ik ’s avonds, tweemaal in de week naar de teekenschool, van zeven tot negen uur en als die uitging, was ’t soms wel, of er een wilde horde losgelaten werd op Harderwijks rustigheid.

Ja, de schooljaren zijn inderdaad de mooiste jaren van je jeugd. En om nu weer over wat anders te vertellen.

Dan zal ik maar ’t eerst beginnen met de “Paaschwei”, die vroeger op 2e Paaschdag gehouden werd op de Bleek, bij de Luttekepoort – Hierdenscheweg.

Dat was me wat. ’s Morgens zag je de kooplui al sjouwen met handkarren naar de Bleek, om er hun gedoetje op te zetten en zoo tegen twaalf uur ’s middags begon de groote drukte te komen.

Uit de buurtschappen en dorpen rond Harderwijk kwamen tegen de middag jonge boertjes en boerinnetjes afgezakt naar “de Paaschbleek”en om een uur of twee was er het festijn in vollen gang. Half Harderwijk toog er eveneens heen en ’t was aar dan zoo vol, dat je over de koppen kon loopen. “t Was er inderdaad een gezellige boel en voor ons jongens was er buitengewoon veel te zien en te beleven. Van thuis kreeg je een dubbeltje mee naar de Bleek en met dat kapitaal was je de Koning te rijk.

Daar vond je ondermeer een paar “Koopvrouwen”, ‘k meen jodinnen uit Amersfoort of Utrecht, die je in de verte al hoorde schreeuwen “een cent voor een phakkie, één cent maar”, of “’n cent die bhallen”. Dan offerde je één cent van de tien, om een “pakkie”te koopen, welke pakjes op de groote hoop voor de koopvrouw op den grond lagen. Maar vóór je kocht, voelde eerst terdege aan verschillende pakjes om één te behouden, die zoo aanvoelde, dat er iets moois in kon zitten, want je wilde voor je kostelijke cent geen “kat in de zak”koopen.

Dan scheurde je het felgekleurde papier kapot en vond je soms een koperen ringetje met een steen of een glazen pijpje er in, en daar was je wat blij mee, maar als er een broche in zat, dan was je bekocht, want dat was niks voor een jongen, dat was beter voor een meid en je trachte dan zoo’n ding zoo gauw mogelijk te ruilen voor wat anders bij de eerste de beste meid.

De ballen van een cent waren ook heel mooi en je besteedde je tweede cent dan ook meestal aan zoo’n bal, fel gekleurd in rood of groen of blauw, van binnen gevuld met zaagsel,t geheel met touwtjes omwonden en er zat een elastiekje aan vast. De aardigheid was nu, dat je dat elastiekje vasthield en de bal weggooide naar een of ander slachtoffer, zoodat de bal weer teruggehaald werd.

’t Was een simpel vermaak, dat immer succes opleverde. Ook werd er veel gedobbeld op de Paaschwei, daar ging je derde , vierde en vijfde cent aan weg. Dat dobbelen bestond daaruit, dat er een man stond met een karretje met sinaasappels en noten en een tafeltje, waarop een vierkante houten bak, waarin drie dobbelsteenen lagen.

Nu moesten er een bepaald aantal personen gooien en de winnaar won een aantal sinaasappels of een aantal noten. Nog hoor ik zoo’n man schreeuwen: “vooruit, alle, wie is de laatste man voor één cent”, en als ’t dobbelen begon hoorde je: “onder de negen of boven de twaalf, gooien, gooien, vooruit”, en kondigde de kerel de stand aan: “Gangelof heet egooid, en Troet is ’t hoogst!”

Dat dobbelen ging ook wel om koek, maar dan was de inzet hooger als een cent. Zoo stonden er velen op de Bleek met zoo’n dobbelspel. Verder vond men er kraampjes met snoep, en met koek en ook de ouwe Jaap uit Elburg was steeds op de Paaschwei aanwezig met z’n koek.

Verders zag men er ook nog “koekslaan”. Dan werd een taaie platte koek dwars over een paar houten gelegd en de kunst was nu, om met een knuppel, die precies tusschen de houten paste, de koek in één klap doormidden te slaan. Hoe vaak heb ik dit zien doen. Een stevige boerenzeun, de knuppel hoog geheven en dan d’r op hengsten, zóó hard, dat de brokken koek in ’t rond vlogen.

’t Was daar op de paaschwei koek, en nog eens koek. En wat een mooie, sierlijke koeken werden er verkocht, daar waren er van een halve meter lang, waarop in suikerletters stond:”uit liefde”, of “voor mijn ouders”, of er puilde zoo’n enorme koek uit de binnenzak van z’n bombazijnen buis, ja, er waren er, die de koeken uit al hun zakken puilden, terwijl ze alsmaar koek vraten.

Zoo tegen zes uur was de Paaschwei afgeloopen en trokken de boerenjongens met hun liefjes de stad in, om in de herbergen de koek door te spoelen. Daar werden dan veel “brandewientjes mit suuker”gedronken, zoowel door de manskerels als door de vrouwspersonen, de stemming kwam er geducht in en heel dikwijls zag je dan paartjes loopen, die elkaar innig omstrengeld hielden en die, zoo maar op straat, liepen te vrijen, dat ’t zoo klapte.

Dikwijls waren er vechtpartijen om een boerenmeid, of werden de dorpsveten van ’t eene dorp tegen ’t andere in de stad uitgevochten. De dienders waren zoo’n dag op volle oorlogssterkte en druk in actie, zodat menige vechtpartij al in de kiem gesmoord werd en, was er al eens een bijzondere dwarse, netjes door hen in de kast gezet. En ’s avonds was er weer de rust van altijd in ons stedeke.

Nog zoo echt iets van vroeger uit de jongenstijd was ’t dauwtrappen. Dat was op Hemelsvaartdag. Al dagen tevoren had je met een stel jongens afgesproken om te gaan dauwtrappen, wat daar uit bestond, dat je dien dag ’s ochtends heel vroeg naar buiten toog.

’s Avonds tevoren werden thuis de stapel boterhammen gereedgemaakt welke je mee moest nemen en zorgde je zelf voor je drinken, bestaande uit een groote fles “dropwater”, die je daags tevoren flink gescud had en op een donker plekje had gelegd, “want dan bleef ’t mooi zwart”. Een van de jongens zou ons komen wekken, daartoe was er een touwtje aan je arm gebonden als je ging slapen, waaraan het eind onder ’t raam door, buiten hing, opdat de “wekker”daaraan zou trekken, zoodat je wakker moest worden. En als dan de vroege ochtend daar was, dan trokken we met het koppeltje jongens er op uit, naar buiten, ver weg, en je trachtte vogelnestjes te vinden en eekhoorns te jagen en je at je brood op in ’t bosch en je dronk je dropwater en of de zon al brandde en stak, ’t deerde je niet, want je had lol met elkaar.

Tegen de middag was je weer thuis en iedereen moest ’t hooren, dat ’t dauwtrappen toch zoo’n fijn werk was.

Op Hemelsvaartdag werden ook de Roomsche jongens en meisjes “aangenomen”,  d.i., ze deden hun eerste Heilige Communie. ’s Middags zag je ze,vergezeld van familieleden, over de Markt gaan naar de kerk in de Groote Poortstraat, of, en dat was deftig, ze gingen per rijtuig. En dan keek je altijd naar de “aannemelingen”, hoe ze gekleed waren, de meisjes waren in ’t wit en de jongens in ’t zwart, “met een boordje om en een hoedje op”, wat gruwelijk eigenwijs stond, maar deftig was, en er moest ook steeds een mooie foto van die slachtoffers gemaakt worden bij Ziegler of Schooneboom.

Die feestdagen, zooals Paaschen of Hemelsvaartsdag brachten steeds iets bijzonders, maar er waren meer feestdagen met wat extra’s. Zoo had je de Zondag vóór Paaschen, de Palmzondag, ook wel Palmpaaschen genoemd. ’s Morgens zag je de Joden naar hun kerkje gaan, in den hand een groene tak, een paaschtak. En liepen we zelf niet dien dag met een Palmpaschentak?

‘k Zie ze nog, de kinderen met zoo’n pikhaan. Op een stok was, bovenop van brooddeeg gebakken, een figuur geplaatst wat eenigsins de vorm van een haan had. De oogen waren krenten en verder was de stok versierd met groen papier en zaten er sinaasappels aan. Je was trots als je een mooie pikhaan had.

Dan was er nog de Vastenavond, ik zeg “was”, maar deze is er gelukkig nog, de avond, dat wij met de “foekepot”er op uit gingen. Dagen tevoren liepen we de slagers langs, om toch maar vooral een mooie varkensblaas tegen dien tijd op de kop te tikken, en groote blikken bussen scharrelde je hier of daar ook op. Rietjes vroeg je bij de bloemist en de materialen voor de foekepot waren nu compleet.

Vader maakte voor ons daags tevoren de foekepot klaar en op Vastenavond, zoo tegen een uur of vijf, stoven we de straat op, om te gaan foeken. Met een heel koppeltje jongens trokken we de stad in en schier iedere winkel werd met een bezoek van de “bende”vereerd. Een van ons gooide de deur open en dan ronkten en bromden onze foekepotten dat ’t een aard was, begeleidt door de oude bekende liedjes:

“Vrouw ’t is Vastenavond, Zoo man en zoo!

En ‘k kom niet thuis voor vanavond. Zoo man en zoo!

En hier een stoel en daar een stoel en op iedere stoel een kussen!

Meisje ligt je kinnebak op, daar kan nog een pannekoek tusschen!

Tusschen je neus en tusschen je kin,

Kan nog een lekkere pannekoekjen in”.

Of we zongen:

“Vrouw ’t is in de vasten, zoo man en zoo.

En de worsten hangen in de kasten, zoo man en zoo!

Geef me dit, geef me dat.

Geef me ’n stuk van ’t varken z’n gat!”

Of we zongen:

“En m’n vader heeft me gestuurd,

Om ’n stuk brood te verdienen.

Krijg ik ’t niet, dan slaat ie me dood,

Hangt ie me op an m’n linkerpoot!”

En we zongen zoo hard we ’t konden en we spogen alsmaar in onze hand opdat het rietje niet stroef zou worden. Sommige “klanten”die we netjes bedienden, lieten ons geheele reportoire afdraaien en we deden dat ook in volle overgave, daar we wel wisten, dat de belooning ons wachtte in de vorm van de man een cent of een koekje.

Ook waren er,die ná ons gezang ons beloonden met minderwaardig goed, zooals oude beschimmelde, rotte pruimedanten.

Vaak ook werden we met een norsch woord van de deur gestuurd en uit wraak smeten we dan dien avond de deur maar weer eens open, of trokken hard aan de bel. Zoo om rond acht uur was de pret afgeloopen en keken we voor een heel jaar lang geen foekepot meer aan.

Als ’t tegen Sinterklaas liep, waren we ’s avonds ook niet te houden. Als we in de gaten hadden, dat de etalage’s gereed waren, dan trokkenwe er iedere avond op uit, om te kijken. Een van de brutaalste van ons koppeltje stuurden we een winkel binnen om aan de baas of aan de juffrouw te vragen of we eens kijken mochten.

Werd daar in toegestemd,dan hoorden we, ja, jongens roepen en traden we allen in de kamer, waar al het moois of lekkers ten toon gesteld was. Met begerige oogen zagen we al dat mooie speelgoed of suikergoed aan onder de hoede van een juffrouw, die terdege moest toezien, dat we ’t goed niet in onze vingers namen.

’t Was soms ook te verleidelijk. Veel lol hadden we, als we op tafels met sierlijk suiker – chocoladegoed soms eens een chocolade waterpotje ontdekten, dat was nou nog eens een stukje snoep naar onzen aard.

En als ’t den avond van 5 December was, dan kregen we van thuis een dubbeltje, of, en dan was ’t een vetpot, een kwartje mee om in de winkels wat lekkers te koopen. En daar werd voor dat bedrag hevig gewikt en gewogen wat we alzoo zouden koopen, een pijp van chocola of een potje, ja, we dachten de halve winkel te kunnen leeg koopen,totdat ineens de centjes op waren, maar……we hadden er ook echt lol voor.

Na thuiskomst mochten we wat langer opblijven en als we wat later naar bed gingen, was ’t in de vaste overtuiging, dat er den volgende morgen een blaadje met lekkers en een spel onder ons bed te vinden was, werk natuurlijk van Sinterklaas, maar in elk geval met behulp van vader en moeder, want die hadden ’s avonds al zoo met elkaar gefluisterd, dus snapten we wel,dat die er wel terdege bij te pas kwamen.

Wanneer het blaadje met lekkers onder je beddeke geplaatst was wist je niet, want je sliep rustig door, maar we werden ’s nachts wel een keer wakker en dan keken we onder ’t ledikant, om onze nieuwsgierigheid te bevredigen, dan zagen we ’t al, het stond er,en maakte we elkander wakker om te zeggen, dat ’t er was en moest ieder “het ook eens zien”.

Als ’t voorjaar gekoomen was en de weiden langs de zee één gullen overdaad toonden van wit en geel door de vele bloemen, dan was voor ons de tijd gekoomen, om “kamillen”te gaan zoeken. Dan trokken we met de vriendjes op uit ’s Woensdags en Zaterdagmiddags, want dan was er geen school, en speurden in de groene weiden naar die bloemen.

Hadden we dan een flinke portie daarvan geplukt, dan ontdeden we ze van de steel en de witte blaadjes,zoodat alleen de gele hartjes overbleven en daar waren we wat zuinig op, want die vertegenwoordigden voor ons een kostelijke waarde.

We holden naar de stad terug, enkelen van ons scharrelden een papieren zak op, waar we de hartjes in deden en dan ging één onzer, één die ’t beste durfde, naar de apotheek van Greidanus op de Markt, om te trachten de zak met kamillen te verkoopen. Onderwijl stonden wij ongeduldig en hunkerend te wachten op de Markt bij de pomp en af en toe moest er eens een van de jongens door de ruit van de deur gaan kijken waarom de koopman zoo lang weg bleef.

Dan werd prompt rapport uitgebracht “dat ze aan ’t uitzoeken waren” en dan daalde oogenblikkelijk de beurswaarde van onze kostelijke kamillen, want we wisten wel dat er ook een hoop margrieten of meizomen doorheen zaten. Maar als we dan ineens de deur van de apotheek zagen opengaan en onze makker met groote sprongen ons naderde, dan was ’t goeie. Vijf cent of een dubbeltje was de belooning, welk bedrag wij eerlijk verdeelden.

En als zomers het koren rijpte, dan zochten we “moederkoren”uit de aren, n.l. , de zwarte graankorrels, en we verkochten die eveneens in de apotheek. Met dat moederkoren moest je voorzichtig zijn, want zeiden we, ’t was vergiftig. Het verzamelen er van was een riskante beweging, soms liepen we diep het koren in en dat was juist het gevaarlijke, dat je dan de boer niet zoo gauw in de gaten kreeg en o jé, als die je te pakken kreeg: “die sloeg je rot”.

Zoo was er in alle jaargetijden wat, in ’t najaar gingen we “brummels”( bramen) plukken en kwamen we thuis met een blikken sigarenkistje vol brummels en handen en snuiten volgesmeerd met blauwe brummelsap.

XXXXXXXXXXXX

 

Dit bericht was geplaatst in Jeugd herinneringen door W.J. Polen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *