Verder de stad in.3/3

 

 

Verder de stad in. 3/3

In ’t voorjaar vingen we meikevers, dat deden we tegen den avond en we hadden soms heele voorraden van die insecten, die we, met eenige groene blaadjes,in een doos bewaarden, waar we in de deksel gaatjes geprikt hadden voor lucht, anders stikten ze.

We dreven soms een heele handel in die beesten die als een bruine, levende massa in je dooskrioelden. En er waren ook verschillende soorten mulders, was er een, met wit op de dekschilden dan noemden we zoo een “een baldertje”. Wijfjes of mannetjes herkende je aan de voelsprieten. Had je een meikever in de hand of in een vensterbank geplaatst en bewoog zoo’n dier z’n achterlijf op en neer, dan beteekende dat, dat ie gauw ging vliegen en dan zeiden we, “hij is zijn geld aan ’t tellen”.

Was er al eens een luie of halfdoode mulder bij, dan namen we zoo’n beest in de holte van de hand en bliezen hard in z’n gat, dan werd ie vlugger of kikkerde weer op.

We waren heelemaal niet griezelig voor die dieren en sommige van ons demonstreerden dit door een mulder op z’n tong te zetten.

En nu zal ik nog wat over de haven vertellen.

Die is wel erg verandert in die jaren. Het wegje naar de fabriek van den Herder, welke fabriek er nog niet was, was begroeid met knotwilgen en in het water daar vingen we stekelbaarsjes.

Daar was ook nog een werfje, een “helling”noemden we dat en aan ’t einde van de Haven was nog een helling. De scheepswerf van Oost bestond toen nog niet.

We waren niet zoo veel aan de Haven, als we er present waren, was dat om te varen met de “piktol”, n.l. de oude platte bak die bij de helling lag, maar we deden dat stikum, want de hellingbaas was er tegen gekant.

Ook speelden we wel eens vangertje om de Molenberg of smeten elkaar van ’t bergje af en op die Molenberg kon je fijn zoo’n eind weg zien.

Als de beurtman aankwam of vertrok naar Amsterdam keken we daar ook wel eens naar, of stonden te kijken naar de visschersjongens, die “aangooiden”met centen, maar, zooals gezegd, veel waren we niet aan de Haven, daar de verstandhouding tusschen de burgerjongens en de visschersbonken nou niet de beste waren en ’t was onder ons wel bekend dat je al gauw daar aan de haven in onmin lag met de visschersjongens en je dan dik kans had, “’n pak op je flikker te krijgen”.

De pieren in zee waren er toen ook nog niet, de haven begon bij de groote “kubbekeien”.

Dan was er nog de “Kiekmuur”, waar heel den dag de ouwe visschers achter stonden, een hand in de zak van z’n slobberbroek en de andere hand boven bij de broek in.

Daar is wat afgekletst, over de “polletiek”, over de “zuuvere”leer, en over de visscherij. En als soms de storm raasde uit het Noord – westen en de zee “lillijk dee”,zoodat deze ver over het land gejaagd werd, dan stond daar altijd, veilig beschut door den Kiekmuur, alleen de verweerde koppen er boven uit, een koppeltje visscherlui, te loeren naar de felbewogen watervlakte en elkaar te wijzen naar de botters, die nog binnen trachten te geraken.

Dan hoorde je, dat ze de scheepjes in de verte al herkenden ; “Daar hij je de H.K.nr. zooveel of zooveel, van Jan van Miete”, of “van de Zoute”of van de “Klaare”, want visschers hebben onder elkaar allerlei bijnamen.

We verlaten de haven, na vooraf even langs de “Zoutkeet”te gaan, een buurtje in ’t havenkwartier dat nu totaal verdwenen is. Die Zoutkeet was vooral bekend doordat er, speciaal op Oudejaarsnacht, nadat de twaalf slagen van de Stadhuisklok het nieuwe jaar verkondigd hadden, steeds dan brand uitbrak, ’t was zelfs zoo gewoon, dat men al wachtte ná de twaalf slagen, op de brandhoorn, dit was normaal en men vroeg ook al niet meer “waar is de brand”, want dat was onzin, de brand was er en dus natuurlijk “in de Zoutkeet”.

Wat die branden en de brandweer betreft, daarvan zal ik straks nog wel ’t een en ander vertellen.

We gaan dan van de havenkant weg en loopen buitenom stadswaarts, langs de zeemuur, nu deftig “boulevard”genaamd. We passeeren de “Vischpoort, de vuurtoren”.

Daar stonden vroeger nog eenige boomen voor, maar verder is daar niet veel veranderd. En wie er ook dikwijls stond, maar dan in een hoekje van de Vischpoort, was “Heintje de Spiering”. Meen niet, dat dit “vrouwspersoon” daar stond te genietn van het weidsche uitzicht op zee, eerder denk ik, dat ze daar geen bal van zag. Ze stond daar alleen, als ze dik in de olie was. Wij jongens hebben haar daar dikwijls zien staan, leunende tegen de muur, wezenloos voor zich uit kijkende. Als we al eens “boeh!”tegen haar riepen of een graspol naar haar wierpen, werd er door haar niet erg op gereageerd, meestal was ze “te ver heen”en als ze van repliek diende, dan mompelde ze wat, waaruit je soms kon opmaken: “verrek vuil krengetuig”.

Heintje Spiering was porster en haar man was dus porder. Dat kon je te weten komen als je bij hun woninkje, ergens in de Vulder – of Oliestraat het papier las achter de ruit, waarop stond:

“Ik woon hier langs de straat,

Wat zal ik beter wenschen.

De zegen van den Heer,

De gunst van alle menschen!”

Hier klopt en port men.  H. Wildeman.

Je had vroeger in ons stedeke verschillende typen, waarover ik wel meer zal vertellen. We gaan dus nu maar eerst verder en komen aan de , of liever “buiten de Bruggepoort”.

Ter hoogte, waar nu ’t café van Visser is, was toendertijd ook een herberg, “Zeemans Welvaren”van Bartje van der Zanden, en op de hoek van de Bruggepoort waar nu hotel “Zeezicht”is, woonde toendertijd de weduwe Verhaar, die ook al een herberg had, er waren buitengewoon veel herbergen en koffiehuizen in ons stadje, en wier bijnaam “Mietje Brandewijn”was.

Tegenover Zeezicht, waar nu hotel “Monopole”is, hadden wij vroeger een koffiehuis en, dit wil ik even memoreeren, ’t was daar, dat ik het levenslicht aanschouwde.

In den tijd, waarvan ik nu spreek, woonde er, na ons dus, een zekere heer Wütrich in, ’n Zwitscher, en ’t was tevens een logement voor de op hun papieren wachtende Duitschers,die koloniaal wensch te worden.

Daar aan “de Brug”vertoefden we veel. Er was ook zoo veel te zien en te beleven. We lieten er altijd onze vliegers op, in de “Wellen”slootje springen. Of we zaten op het houtwerk van de Brug en vingen er garnalen. En alle visch werd aan de Brug gelost.

Hoevele malen zag ik zulks wel. Als er dan weer eens een schuit met bot aanlei, stonden de kooplui al te wachten aan de Brug, de bot werd verkocht en dan zoo kerschvers gepakt in platte manden, “bennen”genaamd om tegen de avond met kar en paard vervoerd te worden naar Arnhem.

Dit vervoer geschiedde door de “Bovenlanders”en door de Groot, die heel de nacht doorreden om ’s morgens vroeg in Arnhem aanwezig te zijn.

Ik herinner me die botkarren nog goed en als ik er aan denk, hoor ik nog de bellen, die bij iedere stap van ’t paard klingelden, want die kon je die botkarren aan herkennen, n.l. aan de bellen die onder de kop van ’t peerd hingen.

Als de schuiten gelost waren, zeilden ze weg en bleven dan een eind zee in “op de ree”voor anker liggen.

Soms zeilde er wel een de haven in en als we dat in de gaten hadden, dan schooiden we aan de schipper, of we mee mochten varen naar de haven en dat was voor ons een bijzonder genot.

Als er dan “panharing”werd gevangen,dan was ’t druk aan de Brug. Dan kwamen de botters langszij het houten plankier, volgeladen met “panharing”, zoodat de visschers tot hun knieën in de zilverwitte massa visch stonden.

En de visschers zelven in hun oliepak met de “zuidwester”op, geleken wel op ridders met blinkende wapenuitrusting, zóó vol zaten ze met de haringschubben.

En goedkoop dat die visch was. Voor één stuiver had je een emmer vol en waren er velen, die een emmertje visch kochten daar aan de Brug.

Ook de boeren haalden die haring met karren vol weg, zoo ook de vischkoopers en in dien tijd hoorde je ’s avonds hun geroep door de stad: “heering, versche panheering!”

En als ’t een mooie zomeravond was, de zee zoo glad als een spiegel en wij jongens lui in de weide bij de Brug lagen, dan klonk dikwijls het gezang van de visschers, die op de ree met hun botters lagen, over ’t water, en dat vond ik altijd aandoenlijk mooi. Dan hoorde je, van uit de verte, begeleidt door een “trekharmonica”de liedjes, gezongen met lange uithalen: “van ’t vrouwtje van Stavoren”, of dat andere liedje: “Oh, zeg, waar zou mijn minnaar wezen”, met het refrein: “Hij is gaan varen, zoo ver van hier, bij andere meisjes zoekt hij zijn plezier!”

Of ze zongen psalmen, maar ’t klonk altijd even mooi over ’t water.

En wat lagen we zomers, als ’t heet was, veel in zee, daar aan de Brug. Na schooltijd gingen we daar zwemmen. We zaten soms wel een paar uur aan een stuk in ’t water, stoeiden, ravotten en amuseerden ons opperbest.

Ook herinner ik me nog dat daar aan de Brug veelal een man zat die in ‘t “kinderhuis”thuis was en die we “Gaart”noemden. ’t Was een achterlijke man en hij was verzot op rooken. Heel dikwijls heb ik hem daar zien zitten op een bank, en als hij dan een sigaar van deze of geene gekregen had, dan rookte hij als een bezetene, aanhoudend fel trekkend en zuigend aan z’n sigaar,zoodat deze in een wip opgerookt was.

En als Gaart er dan zat, dan vroegen wij hem: “Gaart, wat heb je liever, klompen of sajet”, dan zoog hij een paar keer hevig, en steevast kreeg je ten antwoordt: “sajet!” Wat ’t beteekende wisten wij geen van allen, we vroegen het maar, omdat Gaart het was.

En als, na een broeiende heete zomerdag er tegen den avond een onweer dreigde, en je zag, in de verte over ’t water de bliksemflitsen de donkere hemel klieven, dan kwamen de menschen naar de Brug, om er te kijken naar het onweer, dat dreigend naderbij kwam.

Kwam dan een bui flink opzetten, dan holden we naar huis, want met een onweer moest je binnen zijn.

Als ’t des nachts onweerde, dan werden we thuis allen uit ons bed gehaald en gingen we naar beneden in de huiskamer, waar ’t licht opgestoken was. Dan spreidde moeder een paar “kermisbedden”op de grond en lagen wij daar met open oogen te luisteren naar de ratelende donderslagen.

Dat beneden slapen vond ik fijn en van ’t onweer trok je je niks aan, je was immers veilig,want vader en moeder waren toch bij je, dan kon er niks gebeuren.

Tegen dat ’t noodweer minderde, ging vader even aan de Brug kijken en als hij weer thuis kwam en zei: “de bui trekt af”, dan moesten we weer ons bed in boven, en dat vond ik niks lollig.

Als er de storm raasde en er was “hoog water”dan stond half Harderwijk aan de Bruggepoort en probeerde wij jongens over ’t ijzerdraad loopend van de paaltjes aan de Brug, hoever we komen konden zonder nat te worden.

Zoo waren er dus vele dingen te beleven voor ons aan de Brug. En nu laten we de Brug maar achter ons en gaan we de Bruggestraat in.

We staan dan op de hoek,en die hoek was vroeger bekend als “de Brandhoek”.

In ’t huis, waar nu de zaak van Stols is, was toendertijd de zaak van bakker Klaassen, daar is al eens brand geweest. Verders was er brand geweest bij Wütrich, bij Bult en bij Lieman, allen daar pal in de buurt en daarom noemde men het “de Brandhoek”. En nu ik ’t toch over brand heb, wil ik daarvan iets vertellen, vooral, omdat het er dan zoo ouderwets toeging.

Welnu dan, de nacht verspreidde zijn donkere vleugels over ons stadje en alle braven sliepen “de slaap der rechtvaardigen”. Alleen een eenzame diender of nachtwacht deed zijn ronde. Hol klonk zijn stap door de stille straten en steegen. Alles was rustig.

Maar toch, ergens in stad was ’t niet pluis.

Er hing daar in dien buurt zoo’n rare lucht, ’t was nou net zoo ’n brandlucht. Toch nog even gekeken, voor Jan de Diender weer z’n warme kacheltje opzocht in de “wacht” aan ’t politiebureau op de Markt, je kon niet weten.

En ja, daar zag hij het, zoodat ie van “alderatie”z’n pruim doorslikte. Rook drong door de pannen en een vuurschijn lichtte achter een der ramen van “het bewuste perceel”. De bewoners wekken door hevig bellen of kloppen was ’t werk van een oogenblik en dan holde hij naar de wacht, om z’n hoorn te halen en alarm te slaan, of liever gezegd: “te blazen”.

En nu we dus zoover zijn, n.l. dat we een brand hebben wat m.i. noodzakelijk is om over zooiets te schrijven,wil ik in gedachten terug gaan naar zoo’n nacht, een nacht vol rumoer inplaats van een rustige rust.

Thuis sliepen we, onbewust van de gebeurtenissen die zich daarbuiten zouden afwikkelen; wij, kinderen droomden over iets lolligs, vader snurkte, moeder sliep en ’t nachtlichtje sputterde met kleine korte plofjes, want ’t was op ’t punt van uitgaan. Dus was er een diepe stilte verders in ’t heele huis.

Maar daar ontwaakte ik plotseling, een oneigen geluid was daar de oorzaak van en nu hoorde ik ook vanuit de andere kamer de stem van moeder, die tot vader zei: “wor eens wakker, d,r is brand”. En nu hoorde ik het geluid alweer, een monotoon getoeter van de brandhoorn, wat heel luguber klonk zoo in ’t holst van den nacht.

Daar vader bij de brandweer hoorde, hij was bij de blauwe spuit, moest hij er uit. Wij er ook uit en ons alvast aankleden, onderwijl had moeder het raam opgeschoven en aan voorbijgangers geroepen: “waar is de brand?”

Eigenaardig was dat, toen ik nog zoo tusschen de zes en tien jaar was, als er ’s nachts brand was, altijd bibberde en riebelde over m’n heele lijf, zoo’n angstig iets vond ik toen een brand.

Maar nu, nu ik een jongen was, had ik dat angstgevoel niet meer en was een brand een stevig verzetje en altijd de moeite waard om, als ik mocht, met mijn broer te gaan kijken.

En als vader dan zijn zwart leeren band, waarop een blauw vlak geschilderd was, om z’n arm dee, en z’n lantaarn pakte, dan mochten wij, de twee oudste jongens , ook weg.

Die brandweer – attributen zie ik nog thuis, in een hoekje van de zaal stond de lantaarn, een groote op ’n stok en de leeren band hing daar aan ee spijker boven. Vader was “lantaarndrager” bij de blauwe spuit. Die spuiten, er waren er meen ik drie, hadden ieder een andere kleur, een blauwe, een roode en een gele.

Op de leeren band stond dan een blauw of rood of een geel vakje en de drager van zoo’n band hoorde bij de spuit die overeen stemde met een kleur. Lantaarndrager was, volgens vader, een makkelijk baantje, je kon overal vooraan staan.

Als het ’s winters bij een brand soms flink koud was, dan bleef vader lekker in ’t warme bed liggen, en dan mochten wij ook niet kijken, maar was t geen koude nacht dan ging hij, dat kon vroeger heel gemakkelijk, daar kreeg je “geen spul mee”.

En om nu verder te gaan. Dan hoorde na eenigen tijd overal de brandhoorns toeteren, er was een gedraaf en geloop van volk naar de brand, en dan ineens begon de klok van ’t Stadshuis te “luien”, de brandklok.

Een brandspuit rolde met veel lawaai over de Markt en overal zag je, dat de lichten opgestoken werden en de herrie was in vollen gang, onderwijl bleef de klok maar “luien”.

De geheele stad werd uit bed gehaald door ’t gelui en getoeter en de herrie van de schreeuwende spuitgasten.

Want dat was zoo aardig; de spuit, die het eerste water gaf, kreeg een premie, die onder de gasten verdeeld werd en zoo deed iedere spuit z’n best, om de eerste te zijn, ’t werd soms een ware wedloop.

En hiermee zijn we dan aan het einde gekoomen van mijn jeugdherinneringen. Ik wens iedereen veel leesgenoegen en denk nog eens terug aan die oude tijd, die vervlogen is en ook zijn mooie en minder mooie kanten had.

W.J. van Polen

Harderwijk

November 1927

XXX  EINDE XXX

 

 

Dit bericht was geplaatst in Jeugd herinneringen door W.J. Polen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *