Verhalen uit de Atjeh-tijd

Bron: Overveluws Weekblad  1904

 

Kermisreizigers en Kolonialen.

Wat een drukte.

 

    In den tijd dat de eerste expeditie’s naar Atjeh werden uitgezonden,was het hier in Harderwijk een drukte van belang.Ieder trachtte een graantje mee te pikken van het handgeld dat aan de vrijwilligers werd uitbetaald.

    Het grote aantal woonwagens herbergde vele kermisreizigers,die van heinde en verre kwamen aangetogen,om door zang en muziek hun talloos ledige beurzen te vullen.Die woonwagens stonden voornamelijk bij de Grote Poort aan de kant van het toen nog niet bestaanHet Huis van bewaring.Ook verderop bij den “Handwijzer”aan de Broeksteeg waren er staads te vinden.Het ging er bij die woonwagens luidruchtig en vrolijk toe.Dat reizend volkje leefde van de hand inde tand en kende geen zorgen dan voor een ogenblik.Reeds in den vroegen morgen konden wij ons vergasten aan de verschillende geluiden der instrumenten.Violen,draaiorgels,harmonica’s, mondorgels,horens,ja,er was geen instrument te bedenken,dat daar niet werd bespeeld: tot zelfs den weemoedigen doedelzak toe. Het waren juist die morgenuren,die zo heerlijk geschikt waren,om  zich voor te bereiden voor de taak die wachtte.Er werd ook gezongen en dat geschiedde uitentreuren.

   Dikwijls had er een samenstemming plaats,viool en harmonica,draaiorgel en zang,horen,viool en zang en vele andere combinatie’s leverden soms schoon en wonderbaar geheel. Wij, kinderen,waren in de geheimen van de muzikale voorbereiding al vroeg ingeleid en zongen uit volle borst mee tot grote verwondering van’t overige publiek.

   ’t Gehele huiselijke leven van dat zwervende volk lag voor ons bloot. Wij klommen in de wagens en roken de heerlijke geur van gekruid vlees of gebakken vis; wij bewonderden de gouden en zilveren sieraden der vrouwen aan de vingers,om den hals  en in den oren en waren jaloers op de kinderen,die zo vrijpostig zich bewogen,alsof ze,evenals hunne ouders de leer in toepassing brachten: Ëen brutaal mens heeft het derde deel van de wereld”. En dan die acrobaten! Wat gaven ze ons veel te aanschouwen! Ze stonden op ’t hoofd,ze maakten een reuzensprong; ze dansten op ’t koord of tussen eieren en wrongen hun lenig lichaam in duizend bochten en dat alles kregen wij te zien;om niet!

   Op den dag ging dat volkje er op uit om geld te verdienen. Dan werd er op de hoeken der straten een oud karpet uitgespreid,waarop de jongleurs blijken gaven van vlugheid en kracht.

   Dan galmden de tonen der meest verschillende instumenten door de straten: er werd gedanst,gejoeld en gezongen en met rijke buit keerden de kunstenaars naar hun woonwagens terug.

   Overal drukte.

Uit de vele herbergen klonk ons reeds van verre de opwekkende muziek tegen. Vrolijke soldaten hosten en zongen,klonken en dronken en’t straatpubliek galmde mee het lied, vermeldende de oorzaak van al die drukte:

   “Ach,maar ach,mijn lief gaat naar den Oost.

   Ik heb hem’m zien vertrekken in…………..een blikken doos”.

Voor de karzerne steeds leven en beweging! Vooreerst een aantal opgeschoten jongens,tuk op een fooitje voor een opgedragen en fluks uitgevoerde boodschap voor een militair;wervers,die wachten op de door hem aangebrachte candidaten voor den Indischen dienst voorts arme lieden,die wachten op de uitdeling van snert,want die werd bij emmers vol weggeschonken;eindelijk allerhande mensen,die belang hadden bij de ontmoeting van de Kolonialen.

   Aan’ t  kledingmagazijn waren uitdragers,die voor geringen prijs de afgelegde burgerkleding medenamen;ook menig arme stumper werd hier vaak beschonken met hem welkome kledingstukken.

   In de hondegardstraat bleven we vaak kijken in den geopende kelder onder’t gemeentehuis,waar dikwijls tientallen van soldaten hun straf onergingen; de mannen ontvingen op gezette tijden hun rantsoen.

   Patrouilles doorkruisten de straten,om rustverstoorders in te rekenen,waarbij het vaak hardhandig toeging.

   Op den”Militairen mars”,die elke morgen werd gemaakt,gingen tal van lieden mede; de een met gemarineerde haring,de ander met brood en bier,een derde met sigaren en pijpen;in’t kort,ieder trachtte er zijn dag goed te maken.

   s’Morgens in de vroegte vaak een jacht op kolonialen in de weilanden;ze hadden den nacht buiten door gebracht en werden door hun krijgsmakkers,vaak tegen wil en dank,onder verzet,gearresteerd en mee gevoerd.

   Bij kleermakers,schoenmakers,winkeliers en logementhouders een welkome drukte:er werd geld verdiend,bedelaars werden heren.

   De stad werd door tal van vreemdelingen bezocht,die zich hier metterwoon vestigden.

xxxxxxxx

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *