Verraad hoofdstuk 13

 

 

Hoofdstuk 13

Verraad.

Schuimbekkend schoot een vospaard vanuit Speulde de Donderberg op. In het hoge beukenbos werd het dier onzichtbaar voor mogelijke achtervolgers. Dikke vlokken schuim wapperden weg van de flanken. Gosen Zeegers trok de teugels aan.

“Even uitblazen, vos. Dat was rennen voor je leven. Hoorde je de kogels langs je kop gieren? Nu, toen was het voor ons tijd om ons uit de voeten te maken. We kunnen het nu verder wel wat kalmer aan doen, want ik geloof niet, dat ze ons achterna zullen komen. Haakbusschutters waren het, zei je dat? Nu, die zijn niet bereden. Hun officieren wel, maar die wagen zich niet alleen op de eenzame paden van dit wild en bijster land. Toch zul je er nog een flinke draf in moeten zetten, want vóór poortsluiten moeten we in Harderwijk zijn.”

Er tekenden zich diepe rimpels af op zijn voorhoofd.

Een geheel vendel voetknechten lag in Garderen, wachtend op een seintje uit Harderwijk, dat de kust veilig was en zij daarheen konden komen. In Putten lag eenzelfde groep kolfroerschutters en piekeniers.

Gosen wist daar niets van. Niets kwaads vermoedend, was hij de boerenherberg De Bontekoe binnengestapt om iets te drinken en vond toen de gelagkamer vol vreemd volk. Soldaten, wist hij op het eerste gezicht. Onmiddellijk was zijn argwaan gewekt.

Krijgsvolk op de Veluwe? Dat kon slechts één ding betekenen: Er werd een aanslag op Harderwijk beraamd. Er was geen andere plaats van zo groot belang dat men er soldaten heen zou zenden. En in Harderwijk was de laatste tijd nogal het een en ander gebeurd.

Zodra Gosen in de gelagkamer stond, wist hij, dat hij in gevaar verkeerde. Maar ook was hij op datzelfde ogenblik de geslepen spion, die niet voor één gat te vangen was. Er trok een van zijn mooiste glimlachjes om zijn mond, terwijl hij een grapje maakte tegen deze en gene. Hij vroeg, wat ze hier eigenlijk kwamen doen. Arnhem en Nijmegen waren plaatsen van meer vertier.

Hij was zo verstandig om niet naar de toog te gaan, doch bleef in de buurt van de deur staan. Ondertussen luisterde hij scherp naar de gesprekken, die dichtbij gevoerd werden.

“Heerschap,”hoorde hij opeens achterin de gelagkamer zeggen, “kom hierheen.”

Gosen had daar gepluimde officiershoeden gezien. Hij voelde, dat het gevaar heel dichtbij was gekomen en nam een duik naar de deur.

“Grijp die man!”hoorde hij roepen. “Het is een geuzenspion!”

Toen hij zich op de rug van zijn paard slingerde, vloog de deur van de herberg open en een troep soldaten drong naar buiten. Hij gaf meteen de vos de sporen en schoot de weg naar Speulde op. Toen hij de splitsing naar Putten had bereikt, vlogen de kogels hem om de oren.

Nu op de Donderberg, had hij hen van zich afgeschud. Hij voelde zich weer volkomen veilig. Voor hem lag de grote, stille heide in bruine najaarstinten, zich uitstrekkend tussen de bossen van Staverden en Harderwijk. Er was nergens een levend wezen te bekennen.

“Joep, vos.”

Het paard schoot de helling af en galoppeerde weg in de richting van de Strokel. Gosen liet Ermelo liggen. Dat deed hij de laatste weken meestal. De ogen van de schout daar loerden voordurend langs de Arnhemse weg.

Pelgrim Wullems wierp in zijn kamertje nog even een blik naar buiten over de Harderwijker hulst, alvorens naar beneden te gaan en de poort te sluiten. Zo zag hij de ruiter naderen. Meteen was zijn nieuwsgierigheid gewekt. Gosen Zeegers scheen erge haast te hebben. Of zat de vijand hem soms op de hielen?

De dreigwoorden van de stadhouder waren iedere Harderwijker bekend.

Gosen bracht zijn paard tot staan, toen hij het vragende gezicht van de poortwachter voor zich zag.

“Het worden dubbele wachten vannacht, Pelgrim. In Garderen en Putten ligt krijgsvolk van de stadhouder om een aanval op Harderwijk te doen. Houd het nieuws aan de goede kant voorlopig. Ik zal het Johan Voeth laten weten.”

Het nieuws, dat Gosen meebracht, veroorzaakte nogal wat deining. Wat men had gevreesd, scheen nu werkelijkheid te zullen worden, een aanval op Harderwijk. Maar er was al wekenlang met de mogelijkheid rekening gehouden en de burgerwacht van Johan Voeth was niet voor niets in het leven geroepen. De burgers waren op hun hoede. De wacht op de muren aan de landzijde werd versterkt. De schutters keken hun roeren en musketten na. Nu kon de vijand komen.

De vijand kwam ook, maar niet van de kant waar men hem verwachtte.

Andrys Roest speelde de verrader.

Hij was nog altijd venijnig woest, dat het plan met Wege Elbertse was mislukt. Hij had zijn vermoedens wel omtrent de mannen, die hem deze kool had gestoofd, maar hij kon niets bewijzen. Wege was een paar dagen ondergedoken geweest, maar toen bekend werd, dat de weesvader ervandoor was, keerde hij naar zijn hofstede terug. En de schout was wel zo verstandig om hem ongemoeid te laten.

Nu echter zag hij een kans, het Wege en de anderen betaald te zetten.

Het was zijn voorstel om aan de noordzijde in de stadsmuur tussen blokhuis en de zee ondergronds een gat te breken en daardoor in het geheim tachtig soldaten van de stadhouder in de stad te brengen. Tachtig soldaten zouden voldoende zijn, meende hij. Meer waren er ook niet in twee schuiten te vervoeren. Als ze in de nacht de stad binnenkwamen, zouden ze nauwelijks tegenstand van de burgers ondervinden. Als deze wakker werden, zouden de soldaten de stadswacht al hebben overrompeld en zich meester hebben gemaakt van de poorten, het stadshuis en de kanonnen.

Een donkere nacht was het. Boven het water hing een zware mist, die zich over de stad verspreidde.

Ot van de Sande stond op het rondeel bij de opening in de muur, waardoor de haakschutters een voor een te voorschijn schoven. Hij ergerde zich. Het ging hem allemaal veel te langzaam. Zodra het daglicht was, moest hij de belangrijkste punten van de stad en de poorten bezet hebben, maar wanneer het zó bleef voortgaan, kon het hele plan weleens gevaar lopen. Hij zou het wel naar de boten willen schreeuwen,dat ze voort moesten maken, doch dat kon hij niet riskeren. Het zou ergens buiten het blokhuis gehoord kunnen worden. Hij wist, hoe achterdochtig men in de stad was. Dat die Henrick Lightert er niet meer spoed achter zette.

De officier probeerde het wel, maar er stond een strakke noordwester, waardoor de boten af en toe wild op en neer dobberden. Het was lang niet altijd gemakkelijk om over de rand van de boot in het donkere gat in de muur te duikelen. Er klonken verwensingen, wanneer een der soldaten met het hoofd tegen de muur werd gedrukt of wat al te hard in het gat terecht kwam.

Twee vissers stootten hun boot af van de muur om naar hun netten te gaan. Zwijgend roeiden ze en probeerden met hun blikken de duisternis te doorboren. Vreemde geluiden hadden hun oor getroffen. Wat kon er aan de hand zijn?

Ze naderden steeds meer het blokhuis en hielden opeens de riemen in, uit vrees, dat het geplons hun aanwezigheid hier zouden verraden. Ze lieten zich met de wind en het opkomend getij voortdrijven. Geruisloos naderden zij.

Toen begon er hen iets duidelijk te worde.

Er werden soldaten het blokhuis binnengebracht.

Wat dát betekende, beseften zij beiden wonder wel.

Ze dachten niet meer aan hun netten, doch haastten zich terug. Nu moesten de riemen gebruikt worden. En ze wérden gebruikt. Alles kwam op snelheid aan. De burgerij moest gewaarschuwd worden. Misschien is het nog niet te laat. Ze snelden de Oosterwijk in, bonsden bij Zeegers op het raam en riepen hun waarschuwing. Verder ging het, naar de Ossenmarkt. Allen, die zij tegenkwamen, kregen de waarschuwing te horen, dat er onraad was en dat zij het verder moesten zeggen.

Gerrit bosch sprong de trappen van het stadhuis op en toen de deur op zijn geklop openging, begon hij de schepenklok te luiden.

Er voer een schrik door Harderwijk, toen men, zo heel in de vroegte, de alarmklok hoorde luiden. Mannen haastten zich naar de Broeren met hun wapens, voorzover zij die hadden.

De trommen werden geroerd en daarmee de schutters en wachtslieden opgekommandeerd. Harderwijk werd wakker gemaakt.

De drost wendde zijn hoofd in de richting van de stad. Wat was dat? Alarmklokken en tromgeroffel?

Een luide verwensing kwam over zijn lippen. Zijn handen balden zich tot vuisten. Hij begreep, dat men in de stad te weten was gekomen, wat er op het blokhuis werd uitgekuurd. Hoe dat mogelijk was bij deze duisternis en mist, begreep hij niet, maar wel, dat hun toeleg ontdekt was.

Nu was snel handelen geboden. Wachtte hij nog langer, dan zou de hele stad te hoop lopen. Hij had nóg het voordeel van de verrassing aan zijn kant, doch dan zou hij vlug moeten zijn.

Henrick Ligthert, zijn onderbevelhebber, kreeg opdracht, hem naar de stad te volgen, zodra de laatste soldaat uit de boot was. Toen stormde de drost aan het hoofd van de haakschutters de brug over, die naar de stad voerde. Langs de zoutketen ging het naar de Grote Oosterwijk, die vlak tegenover de toegang tot het blokhuis lag, in de richting van de Ossenmarkt. Daar stonden de kanonnen, die de burgers uit het blokhuis hadden gehaald. Hij moest, het koste wat het koste, zich daar allereerst van meester maken.

“Vernagel de kanonnen, mannen,”klok het door de mistige morgen.

Het bevel werd ogenblikkelijk opgevolgd. Nagels werden in de zundgaten geslagen, zodat de kanonnen voorlopig niet gebruikt konden worden.

Maar het lawaai maakte de mensen langs de markt wakker. Het was ook net op het nippertje, want er kwam reeds een groep burgers opzetten, onder leiding van vaandrig Gherryt van Cranenburgh. De Ossenmarkt was opeens veranderd in een slagveld.

“Te wapen! Valt aan!”riep de drost zijn mannen toe.

Haaksbussen en musketten knalden. Luide kreten klonken over en weer.

Pieter Tinnegieter slaakte een luide kreet en sloeg tegen de grond.

De eerste dode was gevallen voor de vrijheid van Harderwijk.

Vlak daarop klonk uit de mond van Gherryt van Cranenburgh een kreet van pijn, toen zijn wapen hem uit de hand werd geschoten. De kogel rukte twee van zijn vingers weg.

Het bleek nu, hoe goed Johan Voeth had gezien om een burgerwacht in het leven te roepen. De burgers waren geoefend in de wapenhandel. Met grote onstuimigheid drongen zij op de soldaten in. Het ging om het behoud van hun stad, van hun vrijheden, hun godsdienst.

Langzaam werden de soldaten naar het blokhuis teruggedrongen. De drost brieste van woede.

De secretaris Daniël Renssen was de vorige avond met zijn schoonzoon Camphuysen naar een fuif bij de familie Bentinck geweest. Daar had hij nogal veel gegeten en gedronken. Toen hij in de nacht weer thuiskwam, was hij als een blok in slaap gevallen. Hij hoorde de dreun van de Salvadorklok niet, hoewel die bijna boven zijn hoofd klonk, en vernam evenmin iets van de roep van de nachtwacht. Het geschreeuw in de Vrouwestraat op de vroege morgen drong al evenmin tot hem door.

De maarte, die al een paar keer op de deur van zijn slaapkamer had gebonsd, trok tenslotte de drieste schoenen aan en ging de kamer binnen. Ze was een potige meid en schudde hem wild heen en weer.

“Heer secretaris, er wordt gevochten. De vijand is in de stad.”

Hij was opeens klaar wakker. Toen het goed tot hem was doorgedrongen wat het meisje bedoelde, werkte hij zich snel in de kleren en verdween dan met het geweer naar het stadhuis.

“Voort, voort, lieve burgeren,”riep hij.

“Waar zijn die hondskonten van schepenen?” riep Gerrit Bosch, die de stad had gealarmeerd. Hij begreep, dat op dit kritieke moment mensen met gezag bekleed de leiding op zich moesten nemen.

“Volg me,”riep de secretaris.

Hij trok met een aantal burgers naar het Agnietenklooster en liet de klopper op de deur vallen.

De secretaris had weer eens een helder idee, iets, waar een ander niet direkt op gekomen zou zijn.

De portierster opende een luikje in de deur.

“Laat enigen van ons op de zolder,”zei Renssen. “Er zal u geen van allen leed geschieden, daarvoor geef ik mijn erewoord.”

De zuster herkende hem en overhandigde hem door het raampje de sleutels.

Of deze nu niet paste, of dat de zuster hem in de maling nam, wie zal het zeggen? Het slot ging niet open.

Toen trapten ze de deur in. Vanaf de zolder van het klooster had Renssen een goed overzicht over het noordelijke deel van de stad en over het rondeel van het blokhuis. Het gevecht was daar in volle gang. Wolf Klomp trok als een vaandeldrager voorop met een troep mannen langs de wallen in de richting van het blokhuis.

Vrouwen en kinderen waagden zich nu ook op straat, toen bekend werd, dat het gevecht naar het blokhuis was verplaatst. Maar bij het zien van de doden en talrijke gewonden, zetten de vrouwen het luid op een jammeren, want dat kon ook met hun man of zoon gebeuren, gewond raken of gedood worden. Kinderen volgden het voorbeeld van de moeders en huilden mee. De drost hoorde het en er kwam een triomfantelijke blik in zijn ogen.

“Ha, mannen, de borgers hebben onenigheid onder elkaar gekregen. Hoor het geschreeuw hunner wijven. Het spel is gewonnen! De stad is ons! Valt aan!”

De soldaten voelden zich door zijn enthousiasme meegesleurd en drongen met hernieuwde woede op de burgers in. Het geknal der musketten was niet van de lucht. Flitsende zwaarden blonken in het eerste licht van de nieuwe dag.

De burgers kregen het te zwaar en werden langzaam teruggedrongen, de Groet Oosterwijk in, terug naar de Ossenmarkt. Inmiddels hadden de schepenen de leiding in handn genomen. Nu begon er orde in het gevecht te komen. Zij gaven bevel, het blokhuis van drie zijden aan te vallen, vanaf de Grote Poort langs de wal, zo ook vanaf de Vispoort en van de markt.

Reyer Wolff,de schepen, lag met een verbeten trek om de mond ziek te bed. Hij hoorde het rumoer buiten en vernam van zijn huisgenoten wat er aan de hand was. Hoe gaarne zou hij hebben mee gevochten voor zij stad. Maar hij was machteloos aan zijn sponde gekluisterd.

De drost had zich vergist. De burgers van Harderwijk hadden geen onenigheid. Onder de plechtige eed hadden zij zich verbonden, samen te zullen leven of te sterven. Alles hadden zij over voor hun stad en hun geloof. Vooral om dat laatste ging het. Ze wisten, dat Ot van de Sande dat maar al te graag zou uitroeien.

Tegen die vastberaden mannen, die met ware doodsverachting steeds maar weer tot de aanval overgingen, konden de soldaten het op de duur toch niet bolwerken. Stap voor stap werden zij teruggedrongen door de Grote Oosterwijk. De burgers weken geen stap meer terug.

Gosen Zeegers en zijn vader vochten zij aan zij. Verbeten stonden hun gezichten. Een vastberaden trek lag om hun mond. Overal hoorden zij roepen, kreten van pijn, maar ook woorden van bemoediging.

Gosen zag plotseling een soldaat tegenover zich, die zijn hellebaard omhoog zwaaide om deze met een geweldige kracht omlaag te doen komen en zijn hoofd te klieven. Zijn vader zag het en schrok. Hij kon zijn zoon niet te hulp komen en vreesde het ergste.

Maar Gosen lachte de man in zijn gezicht uit. Was hij niet eenmaal de vechter van de straat genoemd? Zijn zwaard flitste omhoog en sloeg de man de hellebaard uit de handen. De soldaat sloeg tegen de grond. En voort sprong Gosen. Zijn wapen was steeds in de aanval.

“Voor de Heere en voor Diedel!”riep hij luid.

Het was het eerste wat hem op de tong lag. Zijn arm haalde uit en deed de soldaat afdeinzen. Onstuimig was hij in zijn opdringen.

Swedera Reyerse stond voor het raam in de Grote Oosterwijk naar het gevecht te kijken. Zij zag, dat de vijand steeds verder teruggedreven werd. Er kwam een felle blik in haar ogen, toen zij zich naar achter, naar de werkstoep haastte en met twee emmers terugkeerde. Ze rukte de voordeur open en slingerde de emmers de straat op,waar ze heen en weer rolden en dan bleven liggen, vlak achter de aftrekkende soldaten. Dezen hadden de gezichten naar de opdringende burgers gewend, om dezen van het lijf te houden. De een struikelde over een emmer, een tweede volgde. Er klonken kreten van schrik, als ze tegen de grond sloegen. Maar Swedera vocht mee, want haar man vocht ook.”Valt aan, mannen! Valt aan, voor ’t behoud van vrouw en kind en van onze stad!”

De roep van Gosen Zeegers daverde door de Oosterwijk.

Terug moesten de soldaten naar het blokhuis, er was geen helpen aan.

En daar kregen ze de schrik van hun leven.

Kogels gierden vanaf de zolder van het klooster in hun gelederen. De schrik was zoveel groter, omdat zij niet wisten, waar de verborgen vijand zich had opgesteld.

Wolf Klomp en zijn mannen lieten zich van de oostelijke muur op het rondeel zakken en toen zaten de soldaten van de stadhouder tussen twee vuren. Er was geen houden meer aan. De burgers woedend om het vuige verraad van de drost, sabelden alles neer wat hen voor het gezicht kwam. Zó fel was hun aanval, dat de soldaten door een wilde paniek werden aangegrepen. Er waren er, die de schrik zó te pakken hadden dat ze van de muur in zee sprongen en daar verdronken. Anderen zochten een goed heenkomen door het gat waardoor zij in het blokhuis gekomen waren en probeerden zo, de boten te bereiken. Het werd een algemene vlucht. Wie niet weg kon komen verschool zich in de kelders en hokken en waar maar een schuilhoek te vinden was. Wie er niet in slaagde weg te komen, wierp zijn wapens neer en smeekte om genade. Die werd hem geschonken.

De slag om Harderwijk was beëindigd. Het schieten hield plotseling op.

Een vreemde stilte daalde neer over de stad. Angstig werd er gefluisterd. Vrouwen luisterden gespannen. Was het einde van de strijd gekomen? En wie had er gewonnen?

Het grote nieuws was gauw genoeg bekend en er ging een zucht van verlichting op. In optocht trokken de vrouwen en kinderen door de stad om hun mannen en vaders te zoeken.

Het gelukte hen echter niet tot het blokhuis door te dringen. Het was daar nog druk en rumoerig. Al was het met het vechten gedaan, er heerste nog een groot tumult. De rust was nog niet teruggekeerd.

Acht en vijftig van de tachtig soldaten werden gevangen genomen. De rest was gedood of ontkomen.

Alleen, en dát was het grote raadsel, van de drost Ot van de Sande was geen spoor te ontdekken.

“Waar zit dat zwijnkot van een drost?”werd er geroepen.”Waar is die kerel, die onder ede beloofde, lijf ende goed van de stede van Harderwijk te zullen beschermen?”

Ze drongen zijn huis binnen en doorzochten het van de kelder tot nok. Maar de drost werd niet gevonden.

Toch moest hij ergens zijn. Zijn lichaam was niet bij de doden of gewonden en kortgeleden was hij nog gezien. Hem wilden de burgers in handen hebben, want per slot van rekening was het allemaal zijn werk. En hij had de eed geschonden.

Het blokhuis had talloze hoeken en gaten waar een man zich schuil zou kunnen houden en Gosen wist er wel zo ongeveer de weg. Als jongen hadden zij hier destijds gespeeld.

Er ging een gejuig op, toen de drost door Gosen uit een kippenhok werd gehaald en naar de wachtende menigte geduwd.

“Dood aan Ot van de Sande,”werd hier en daar geroepen. “Hang hem op! Hij is de schuld van de dood van Pieter Tinnegieter en de anderen. Spoel hem de voeten door het gat, dat hij in de muur liet maken!”

Ot van de Sande stond te trillen op zijn benen. Hij begreep, dat zijn leven geen duit waard was. De gezichten van de omstanders voorspelden niet veel goeds. Een paar schepenen echter staken een hand op en maanden de opgewonden menigte tot kalmte.

“Niet alzo, mannen. Dit is een dag van vreugde. Laten we God danken, maar niet een moord op onze gewetens laden. Wij zullen de drost in de Luttekepoort vastzetten.”

Gretige handen grepen de drost beet en niet bijster zacht. Hij moest maar weten, dat de greep van Geuzen een stevige greep was. Honderd jonggezellen, van het hoofd tot de voeten geharnast, namen hem in hun midden. Het leek wel een optocht. Dat was het.

Met pijpen en trommels en onder vliegend vaandel ging het de stad door, door de Grote Oosterwijk, over de Ossenmarkt, waar Ot van de Sande vanmorgen nog zijn bevelen had geroepen. Nu had hij niets te koop.

Steeds meer mensen sloten zich bij de stoet aan.

Arend de Wilde stond in de deur van zijn stalhouderij in de Schoenmakerstraat, toen de mensenmenigte voorbijkwam. Gosen Zeegers stak een hand naar hem op. Een brede glimlach verscheen op het gelaat van de stalhouder.

Vrouwen dromden aan de kant van de straat opeen en balden de vuisten tegen de drost, of ze jouwden hem uit.

Het gezicht van Ot van de Sande stond als een donderwolk. Woede trilde door hem heen. De aanslag was mislukt en tegenover de burgers van Harderwijk had hij zich belachelijk gemaakt. De stadhouder zou de mislukking van het plan aan hem wijten. Het was om woest te worden. O, hoe verlangde hij er naar, eenmaal de kans te zullen krijgen om wraak te nemen. Voor elk scheldwoord dat hem naar het hoofd werd geslingerd, zou hij hen laten betalen.

En die kans kwam. De stadhouder zou het er niet bij laten zitten. Zijn tijd zou komen en misschien eerder dan de Harderwijkers dachten.

In het kleine, koude torenkamertje van de Luttekepoort werd hij opgesloten en daar kon hij zich, zoals Wolf Klomp opmerkte “vermaecken met sparrebecken ende klappertanden”.

Het was december 1566.

Het was koud en Ot van der Sande rilde, maar niet van kou alleen.

De gevangenen waren opgeborgen en nu trok men naar de Vrouwekerk om met psalmgezang en gebed de Heere te danken voor Zijn genadige verlossing.

Ernst Brinck vertolkte de gevoelens van velen, toen men het kerkgebouw weer verliet.

Zijn woorden waren: “Zo is dan door de waakzaamheid en dapperheid der Harderwijkers het onheil afgewend en is onze stad de eerste welke in openlijk verzet tegen de koning en stadhouder is gekomen. Van Harderwijk begint de viktorie.”

Gosen en zijn vader hoorden het hem zeggen.

“Zeker, Ernst, maar: Soli Deo Gloria.”

Natuurlijk, Gerrit Zeegers, dat spraken wij toch af in de kerk?”

“Vader, ik ga ervandoor,”zei Gosen opeens. “Ik heb de hele morgen Andrys Roest niet gezien. Er klopt iets niet. Hij had er toch bij moeten zijn toen de stad werd aangevallen.”

“Misschien wás hij er wel bij.”

“Hé? Wat? Wat bedoeld u?”

“toen de schutters en de piekeniers van de stadhouder naar het blokhuis werden teruggedreven, zag ik een manspersoon met duizend haasten uit die richting komen en langs de kleine bruggepoort sluipen. Ik lette er weinig op, omdat mijn arm het zwaard moest hanteren. Maar nu je het er over hebt, ja, hij zou het kunnen zijn. Andrys Roest stond aan de verkeerde kant en toen de zaak scheef liep ging hij er als een lafaard vandoor.”

Gosen was al verdwenen.

“Ja,”zei Pelgrim Wullems, “de schout is tegen negenen naar Ermelo gegaan. Hij wilde hen daar waarschuwen en zo mogelijk hulp mee terug brengen. Ik vermoedde geen kwaad en liet hem door de poort. Nu echter weet ik, dat hij op de vlucht was, de verrader. Hij was het, die het plan aan de drost voorlegde om door een gat in de muur manschappen in het blokhuis te brengen. Hij heeft ook de soldaten in boten over de zee gebracht, hij en die zoon van hem. En Pelgrim Wullems is de grootste ezel die ooit op twee poten heeft rondgelopen en gebalkt, laat dat je gezegd zijn. Roest wás niet te vertrouwen, dat wisten we, na het gebeurde met Wege Elbertse. En geloof maar dat hij nu op weg is naar de stadhouder om die met een leger hierheen te krijgen.”

“Wel, laat hem gaan,”gromde Gosen en verdween dan door de Doelen. Het noemen van Wege Elbertse had opeens een plan in hem doen opkomen.

“Arent, ik moet de vos hebben. Ik ga Diedel terughalen.”

Het gezicht van de stalhouder was één brede grijns.

“Krijgt Arend de Wilde nog een uitnodiging voor de bruiloft?”

Slot.

 

Met dank aan:

B.V. Uitgeverij “De Banier” – Utrecht

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in 't Geuzenjonk van Harderwijck.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *