Een verstandshuwelijk tussen hertog en abt.

 

 

Een verstandshuwelijk tussen hertog en abt.

Over de aftakeling van het hofstelsel in de late middeleeuwen.

Peter Bijvank.

Artikel

Literatuurlijst

Bijlage 1, 2, en 3.

 

Op 25 mei 1457 sloten de abt van het klooster de Abdinghof te Paderborn, Hendrik d’Wrede, en de hertog van Gelre, Arnold van Egmond, een overeenkomst over de horige lieden en goederen van het klooster op de Veluwe. Er werd vastgelegd dat de hertog een derde deel van de geïnde boetes kreeg waarbij hij als tegenprestatie bijstand verleende bij het handhaven van de ( klooster) regels. Al ver voor het afsluiten van deze overeenkomst bemoeide de graaf en latere hertog van Gelre zich met de kloosterzaken van de abdij van Paderborn. In 1389 is zijn ambtenaar, Arent thoe Boecop richter van Veluwe, betrokken bij een puur interne kloosterzaak: het vastleggen van de keurmede van de horigen van twee Gervense boerderijen; Galgenwijk en Gerwerdingen. Wat was de reden van deze bemoeienis van het wereldrijk gezag bij deze ( kerkelijke) kloosterregels? In dit artikel de vroege gignalen van een opkomende landheer binnen een dan al eeuwenoud en op retour zijnde geestelijke machtsstructuur rond Nijkerk en Putten.

Oorkonde van Arent thoe Boecop over de keurmede van horige lieden van Gerven uit 1389.

 

In mijn zoektocht naar de geschiedenis van de middeleeuwse buurschap Gerwen bij Putten kwam ik de oorkonde uit 1389 tegen in het Gelders archief in Arnhem. Het papieren document met prachtige zegel trok mijn aandacht omdat het niet de abt of kellenaar ( rentmeester van het klooster) was die de oorkonde opstelde maar Arent thoe Boecop, de richter van Veluwe. ( Een richter was een rechter of jurist, de hulpofficier van de drost (rechter) van Veluwe, vertegenwoordiger van de landsheer. De werkzaamheden van de richter waren vooral van justitiële aard, hij voerde de bevelen van de drost uit tot handhaving van orde en veiligheid.) Deze bemoeienis van de “ambtluijden” van de hertog van Gelre was niet voor niks. De boeren van de kloostergoederen van de abdij de Abdinghof te Paderborn op de Veluwe waren in de loop van de veertiende eeuw in opstand gekomen tegen de abt en rentmeester omdat ze de regels van het klooster te dwingend vonden. Tijdens dit geschil stapte de hertog van Gelre naar voren om de rust te bewaren. De hertog eigende zich hierbij als wederdienst bepaalde rechten toe, zoals het meedelen in de door de abdij opgelegde boetes aan de boeren die de kloostergoederen bewoonden. Deze oorkonde markeert een omslagperiode in de lokale geschiedenis. Het markeert het definitieve einde van het eeuwenoude middeleeuwse hofstelsel dat op de Veluwe rond Nijkerk en Putten vanaf de vroege middeleeuwen bestond. Een stelsel van heer, de abt in dit geval, en “onvrije” boeren die de kloostergoederen bewoonden en bewerkten. Een stelsel van kloosterbezit dat enorme invloed heeft gehad op het uiterlijk van het landschap dat hier en daar rond Nijkerk en Putten nog zichtbaar is.

 

Kloosterbezit.

Het meest kenmerkende van de middeleeuwse geschiedenis van het landschap van Nijkerk en Putten is dus kloosterbezit. Het is nu moeilijk voor te stellen maar vrijwel elke boerderij in dit gebied op de noordwest Veluwe behoorde in de middeleeuwen en eeuwen daarna tot een klooster. In omringende gebieden was meer een mix van grondbezit aanwezig door wereldlijke heren (adel), bisschoppen, kloosters, kapittels en vrije boeren. Deze mix zorgde regelmatig voor verschuivingen en veranderingen van machtspatronen. Het feodale of hofstelsels van grondbezit van een drietal Duitse kloosters en hun hoven was rond Nijkerk en Putten een stabile factor gedurende de gehele middeleeuwen. (Als gevolg van schaarse geldmiddelen in de Karolingische tijd kwam de nadruk te liggen op Naturalwirtschaft. De grote vraag aan ruilmiddelen leidde tot agrarische centra ( de zogenaamde hoven of curtes) die het voor de heer mogelijk maakte om een betere controle uit te oefenen op de verplichte levering van landbouwproducten door horigen. Vgl. P.G. Aalbers 1979.)  De boeren van deze kloosterboerderijen waren zogenaamde hofhorigen of “onvrijen”en waren verbonden aan de grond van hun heer, in dit geval de abt of abdis. Deze horigen leefden in een hofverband, de zogenaamde familia en waren aan strikte regels, het hofrecht, gebonden. Door het bestaande erfrecht ( als onderdeel van het hofrecht) waarbij de eerstgeborene boerderij en landerijen als geheel ontving, vond geen opsplitsing van boerderijen plaats. Hierdoor raakte het landschap minder verdicht doordat niet ervende kinderen zich elders moesten vestigen. (Wanneer er voldoende ruimte was bleef een enkel niet ervend kind in de directe nabijheid wonen door een nieuw bedrijf te stichten. Deze nieuwe erven werden veelal met “klein” aangeduid. Het ouderlijk erf bleef echter even groot.) Dit landschap van op afstand van elkaar liggende boerderijen is kenmerkend voor de omgeving van Nijkerk en Putten en is een direct gevolg van het kloosterbezit en de kloosterregels. (Behalve het erfrecht is de bodemopbouw sterk bepalend geweest voor de spreiding van boerderijen in het landschap. Het voorkomen van hoge dekzandruggen ( voor de aanleg van akkers) was voor de zandboeren in de (late) middeleeuwen een belangrijke vestigingsvoorwaarde.)

Oude cultuurlandschap van Gerven met de boerderijen Groot Gerven (links), Groot Koestapel (midden) en Klein Koestapel (rechtsonder).

 

Oorsprong van het kloosterbezit.

De vroegst geschreven historische bronnen over het grondbezit op de Veluwe gaan terug tot de Karolingische tijd, aan het einde van de vroege middeleeuwen rond de negende en tiende eeuw. Delen van de Veluwe, waaronder het gebied rond Nijkerk en Putten, waren toen in het bezit van de Saksische graven van Hamaland, de Meginharden. Hamaland was een graafschap of gouw van het Karolingisch Rijk en lag aan beide zijden van de IJssel boven Arnhem. Deze gouw werd in de tiende eeuw bestuurd door graaf Wichman IV (ca.920-974) die zijn residentie bouwde op de Eltenberg. Na zijn overleiden schonk hij twee derde van zijn bezittingen ( o.a. Hamaland, Veluwe en het Gooi) aan zijn dochter Liutgard. Zij werd de eerste abdis van het door Wichman opgerichte Sint Vitusklooster op de Eltenberg. (Hij liet zijn burcht op de Eltenberg ombouwen tot een jufferen stift (klooster voor adelijke dames) nadat zijn zoontje Wichman op zeven jarige leeftijd was overleden.) Een derde deel van zijn bezit ging naar zijn andere dochter Adela. Over deze verdeling, oneerlijk in de ogen van Adela, ontstond een vete waarbij zelfs de Duitse keizer moest bemiddelen. (Vgl. H.P.H. Jansen 1982.)

afbeelding Eltenberg figuur 3

 

Uiteindelijk werd in het jaar 996 een oplossing gevonden en werden de goederen in o.a. Putte en Appelteruika ( Appel) half om tussen het Sint Vitusklooster en Adela verdeeld. ( In de buurtschap Gerven bij Putten lag de Paderbornse boerderij ( Middel) Gerven naast het Eltense erf Groot Gerven. Deze afwisseling van kloostergoederen is karakteristiek voor veel boerderijen in dit gebied en verwijst direct naar deze erfgoeddeling. Vgl. P.C. Bijvank 2012. Nadat de zoon van Adela, Meinwerk, in 1015 het Benedictijner klooster van st. Petrus en Paulus, ook wel de Abdinghof te Paderborn stichtte, kwam zijn erfdeel in dit klooster terecht. (Adela’s dochter Azela schonk haar deel, waaronder goederen in Appel, aan het Sint Vitusklooster te Elten waar zij zelfs als non intrad.) Vgl. J.van Doesburg en P.A.C. Schut 2010. Op deze wijze werden de vele goederen in het gebied rond Nijkerk en Putten van de Hamalandse graaf Wichman aan twee Duitse kloosters verbonden. Naast deze genoemde kloosters had de abdij van Werden al in 855 via een schenking bezittingen rond Nijkerk en Putten in handen gekregen, waaronder villa Rentilo ( waarschijnlijk boerderij Renselaar), Archi ( buurtschap Ark bij Nijkerk ) en Vunnilo ( Wullenhove bij Nijkerk) Vgl. W.J. Hagoort 1990. In de meer zuidelijke delen van de Gelderse Vallei, rond Barneveld en Scherpenzeel, had vooral de bisschop van Utrecht veel goederen in bezit.

Schavenou

 

Einde aan de uitbreidingen van het kloosterbezit.

De meeste domaniale ( grootgrondbezit van een bepaalde grondheer( in dit geval een abdij) dat bestond uit één of meer centrale hoven (curtes) en daarbij behorende boerderijen en landerijen ( domeinen) in de omgeving van deze hof.) ontginningen aan de noordwstzijde van de Veluwe vonden voor 1250 plaats. ( Ook in de eeuwen daarna vinden er nog wel uitbreidingen van het kloosterbezit plaats ( ontginning van bouw- en weidegronden en afsplitsingen van erven) maar ontstaan er nauwelijks nieuwe boerderijen. Vgl. Slicher van Bath 1964.) Het eigendomsrecht van de graaf op de nog woest liggende gronden ( het zogenaamde wildernisregaal) werd rond deze periode algemeen erkend en de kloosters konder daardoor de woeste gronden niet verder vrij zegel Otto IIontginnen ( alleen tegen betaling aan de graaf). De buurschappen ( en later maalschappen) kochten deze gronden van de graaf om ze woest te laten liggen als weide- en plaggengronden. Het landschap rond Nijkerk en Putten op de zandgronden bestond in deze periode uit los van elkaar liggende boerderijen ( zogenaamde Einzelhöfen) waarbij vanuit elke afzonderlijke boerderij een antal akkers werden ontgonnen op de hogere ( en drogere) dekzandruggen in het gebied. Deze zogenaamde kampontginningen lagen in bijvoorbeeld Appel, Slichtenhorst, Hell, Huinene en Gerven en bestonden uit meerdere kloosterboerderijen. Deze goederen werden beheerd door rentmeesters van de kloosterhoven in Appel ( de Kemna, de Eltense hof) en Putten ( de Kelnarij, de hof van de Abdinghof te Paderborn en de Schootmanshof, de hof van Werden).

kloostergoederen rond Nijkerk en Putten.

 

Opkomst van de graaf van Gelre.

De eerste graven van Gelre hadden naast bezittingen in hun machtscentrum rond de Duitse plaats Geldern, sinds de elfde eeuw ook rechten op ( delen van) de Veluwe. Deze grafelijke rechten waren afkomstig van de kerk van Utrecht en bestonden uit een bonte verzameling van juridisch grondbezit en voogdijschappen. De economische bloei in de twaalfde eeuw vergrootte de status en de macht van de graaf. In 1196 kreeg hij de landsheerlijke rechten (is het geheel aan overheidsrechten van een heer, inclusief het territorium waar deze rechten gelden, op grond waarvan deze heer soeverein is, dat wil zeggen aan geen hoger landrechtelijk gezag onderworpen). Van delen van de Veluwe, waaronder de Gelderse Vallei, van de Utrechtse bisschop in ( achter)leen en door de goede relaties met de Duitse keizer werd de Gelderse graaf Otto II in 1229 met veel rijksgoederen beleend. ( Vgl. W.Jansen 2003). Kortom, de machtspositie en het landsheerlijk gezag van Ruiterde graaf van Gelre werd groter. De hoven van de kloosters rond Nijkerk en Putten hadden uiteraard met deze groeiende wereldrijke macht te maken maar ze bleven zelf verantwoordelijk voor het toezicht op hun boerderijen, landerijen en hofhorigen. De kloosters hadden bij hun oprichting zogenaamde immuniteit verkregen. Dit betekende dat binnen de muren van de abdij en de hoven het kerkelijke recht van toepassing was. De wereldrijke machthebber, de hertog van Gelre ( Gelre werd in 1339 tot hertogdom verheven) of de plaatselijke schout, had binnen de kloostermuren geen macht. In de oorkonden van de jaren tachtig van de veertiende eeuw duiken echter ineens ambtenaren van de hertog van Gelre op. Oorkonden over dagelijkse kloosterzaken van bijvoorbeeld boerderijen op Gerven in Putten, die voorheen werden afgedaan door de rentmeester of kelner, werden rond 1390 door een jurist van de hertog opgesteld.

 

Oorkonde over een toezegging van keurmede uit 1389.

In het Gelders Archief in Arnhem bevindt zich zo’n oorkonde waarin twee boeren uit Gerven, Wouter van Neckevelde en waarschijnlijk zijn zoon Ricout Woutersoen van Neckevelde, aan de abt van de Abdinghof te Paderborn toezeggen om keurmede te betalen voor het erf Gagelwijc en Gerwerdingen. ( Zie bijlage 1 ) (Hiermee werd de latere volschuldig, hofhorige boerderij Middel Gerwerdingen ( of Gerven) bedoeld welke werd afgebroken aan het begin van de 19e eeuw. Vlg. P.C. Bijvank 2012.). Bij het overlijden van een horige was men gehouden om het beste stuk uit de nalatenschap aan de heer, in dit geval de abt, te geven. ( later( in de loop van de vijftiende eeuw) werd deze keurmede steeds vaker in een geldbedrag voldaan. Het was feitelijk een wederdienst aan de abt voor het bewonen en bewerken van het goed). Primair was deze betaling van de keurmede een interne aangelegenheid die werd afgehandeld door de rentmeester of kellenaar van de abdij en de horige boer, in lijn met de immuniteit van de abdij. Deze oorkonde is echter opgesteld door de richter van Veluwe, Arent thoe Boecop. Uit deze oorkonde blijkt dat de hertog van Gelre zich in toenemende mate met de interne zaken van het klooster bemoeiden door zijn ambtenaren afspraken te laten vastleggen. Waar kwam deze bemoeienis vandaan?

 

De broedertwist tussen Reinoud III en Eduard.

 

De veranderingen in de interne huishouding van de kelnarij in Putten hadden alles te maken met het politieke klimaat in het hertogdom Gelre in de veertiende eeuw. Toen hertog Reinoud III (1333 – 1371) het roer van zijn vader ( Reinoud II) in 1343 overnam was hij een tiener. Zijn vader was plotseling overleden en liet zijn minderjarige zoon een groot maar met schulden overladen hertogdom na. Toen de jonge Reinoud zijn buitenlandse politiek veranderde ( meer gericht op Frankrijk en Engeland) en daarnaast de Utrechtse bisschop Jan van Arkel, Salland en Twente weer opeiste, onstond er verzet van de adelijke stand in Gelre. (Utrecht had deze gebieden in tijden van geldnood laten belenen door Gelre en Jan van Arkel ( vermoedelijk 1314 – 1378) loste deze verpanding weer in). Zijn jongere broer Eduard ( 1336 – 1371) sloot zich bij dit verzet aan. Hij keerde zich van zijn broer af en eiste uiteindelijk de vorstelijke macht op. ( Vlg. I.A.Nijhoff 1833, W.Jappe Alberts 1966 en M.Böck en D. Geuenich 2003).

Hertog Reinoud III bevrijdde tijdens deze broedertwist talrijke horigen op de Veluwe. (dit betroffen horigen van de hertog zelf ( hun aantal bedroeg rond 1350 zo’n 800 tegen 350 horigen van andere geestelijke heren, waaronder die van de kloosters rond Nijkerk en Putten). In ruil voor deze vrijlating vroeg hij hun steun in zijn strijd tegen zijn broer. In 1354 kwam de onderlinge vete tot een ware veldslag bij Loenen op de Veluwe. De geschiedschrijver I.A. Nijhoff schreef hier, op basis van de oorspronkelijke kronieken, in 1833 het volgende over:

“Van alle kanten stroomde het landvolk toe, huis en akker verlatende, het slavenjuk en de boeijen der eigenhorigheid verbrekende, en, de wapenen opnemende, die de akkergereedschappen uitleverden, noemden zij bij voorraad zich zelve vrijen, de zaak, welke zij voorstonden, die der vrijheid, den oorlog, welken zij hielpen voeren, den Vrijen oorlog. In teugellooze woede zich op den zuidelijken boord der Veluwe uitstortende, bragten zij daar overal schrik en verwoesting, verbrandende de woningen der vrije landbouwers en de nevengebouwen van de sloten der edelen. In Arnhem zelfs moest men de poorten voor hen gesloten houden en zich op ernstige tegenweer voorbereiden: de regering der stad deed dondercruid en bussen, deels van Utrecht en Reenen aanvoeren, deels zelve vervaardigen, ook holle met lood gevulde steenen, tot afwering der aanvallers, in gereedheid brengen”. Vgl. I.A. Nijhoff ( 1833).

horigenopstand

 

Aan de voet van de Vrijenberg werden de boeren in deze “Vrije oorlog” echter verslagen door het beroepsleger van Eduard. Maar deze roep naar vrijheid door de hofhorige boeren bleef aanwezig en heeft ook onder de hofhorigen van de kloostergoederen van Nijkerk en Putten geklonken. De opgelegde verplichtingen en gevoelens van onvrijheid die voortkwamen uit het twaalfde – eeuwse hofrecht van de Abdinghof, werden ook de hofhorige boeren van buurtschappen als Gerven en Slichtenhorst te dwingend en ze kwamen in verzet tegen hun heer, de abt van Paderborn.

 

Akkoord tussen de horige lieden van de hof te Putten met de abt van Paderborn in 1396.

 

Dit verzet leidde tot een aanpassing en versoepeling van de regels voor de hofhorigen van de hof te Putten op 13 november 1396. Zo hoefden de horigen niet langer te betalen om te trouwen, hoefden ze niet meer geld voor de administratie van de hof in te brengen en werden de verplichtingen tot arbeid op de hof beperkt. Ook in deze akte trad Arent thoe Boecop op als richter van Veluwe, namens de hertog van Gelre. (De naam Ar(en)nt t(h)o(e) Bo(e)c(k)op wordt in historische bronnen op veel verschillende manieren geschreven. In dit artikel wordt de schrijfwijze Arent thoe Boecop aangehouden). De overeenkomst werd afgesloten tussen de horige boeren van de hof van Putten( de Kelnarij) en de abt van Paderborn, Conraet van Allenhusen. ( Zie bijlage 2 ) ( Conraet II van Allenhusen was abt van de Abdinghof te Paderborn van 1362 – 1405). Vgl. J.B. Greve ( 1894). In de inleiding van de overeenkomst ( een zogenaamd volledig hofrecht (een volledig hofrecht bevat bepalingen van verschillende zaken terwijl een onvolledig hofrecht uitvoerig ingaat op enkele verplichtingen. Van de Abdinghof zijn twee volledige hofrechten bekend( Vgl. Slicher van Bath 1964). Wordt verwezen naar de onrusten tussen de horigen en de abdij: “…went (=want) sy alle jaer voele (= vele) twistingen en schellingen ( = afstand van elkaar nemen) hadden myt den Abt voors van hoeren (= haren) rechten dat sy daer mede myt den selten ( = dezelfde) Abt mynliken (= minnelijk) end eyndeliken (= eendrachtelijk) sein averdraghen in manieren end voorworden alsoo heir nae beschreven seit”.

 

Hofrecht uit 1396 van de Abdinghof te Paderborn.

 

  1. De horigen ( zowel man als vrouw) waren hoofdelijk aansprakelijk voor het betalen van  tijns ( belasting) aan de abdij ( hoofdtijns) van twee penningen per jaar die voor24 juni (Sint Johannes) betaald moest worden. Inwonende kinderen waren uitgezonderd. Wanneer de horige in gebreke bleef werd zijn bezit verpand.
  2. Wanneer je een absgoed wilde bezitten moest je horig zijn aan de abdij ( door middel van rechten en plichten verbonden zijn aan land en abt) met instemming van de abt of kelner ( rentmeester).
  3. Een abtsgoed mocht niet zonder toestemming van de abt of kelner, worden opgesplitst.
  4. Een horige mocht niet zonder toestemming van de abt of kelner trouwen.
  5. De oudste zoon erfde het gehele bezit bij overlijden van de ouders. Bij ontbreken van een zoon erfde de oudste dochter. Op het moment van vererving betaalde de erfgenaam vijf schellingen ( 60 penningen) aan de abt of kelner.
  6. Bij overlijden van een horige moest een keur betaald worden “naar behoefte van de abt”. Een paard, een koe of een ander beest, een kledingstuk of een voorwerp van zilver of goud. Er werd nog niet gesproken over een geldbedrag ( afkopen van de keur) dat pas na 1400 de gewoonte werd.
  7. Men mocht niet het beste paard als keurmede gebruiken want deze moest gevorderd kunnen worden door de landsheer ( de hertog van Gelre).
  8. De horigen ( en hun nakomelingen) zijn, naast bovengenoemde verplichtingen, geen andere diensten schuldig aan de abt.

Uit dit hofrecht blijkt dat er aan het eind van de veertiende eeuw al geen sprake meer was van diensten die de horigen moesten leveren ( bijvoorbeeld het leveren van arbeid op het land rond de hof of zogenaamde tafeldiensten in de huishouding van de abdij of kelnarij). Deze diensten waren voor het grootste deel al in 1152 afgekocht. Vgl. G.A. van Schouwen ( 1909) en Slicher van Bath ( 1964).

 

Het feit dat dit nieuwe hofrecht in 1396 werd opgesteld onder toezicht van een ambtman van de hertog maakt duidelijk dat het hofstelsel “piepte en kraakte”. De onrusten op de Veluwe hadden een vuur aangewakkerd onder de horige boeren. De abt had vervolgens de hertog van Gelre en zijn ambtenaren nodig om binnen de muren van de abdij en hof rust te brengen. Maar ook dit nieuwe hofrecht bleek uiteindelijk onvoldoende om de orde werkelijk te handhaven.

 

Arent thoe Boecop.

De in de oorkonde genoemde ambtenaar, Arent thoe Boecop ( ca. 1335 – 1397 ) blijkt een bijzonder figuur die een aantal functies heeft vervuld voor de hertog van Gelre. De hertog gaf hem de titels Lieven cnape ende rait, vermoedelijk dus oude adel aangezien een knape soms een uitdrukking is voor “ridder”. De hertog heeft vertrouwen in Arent want hij ziet hem als zijn rait of raadsman. In diverse stukken komen we hem tegen als amptman ( soort rechter van de hertog) en richter van Veluwe, rentmeester en thesaurier – generaal van Gelderland ( hoofdschatbewaarder, te vergelijken met een huidige minister van financiën) en hij was burggraaf van Nijmegen ( oude functieaanduiding voor ambtman). De veelzijdigheid van Arent thoe Boecop blijkt vooral uit het feit dat hij in opdracht van hertog Willem van Gulick ( 1363 – 1402) de stad Elburg, die toen pal aan het water van de Zuiderzee lag en veel last had van overstromingen, meer landinwaarts liet herbouwen. Arent bouwde in vier jaar ( van 1392 – 1396) een volledig ommuurde stad met een rechthoekig stratenplan. In de stad liet hij een groot huis of stadskasteel bouwen voor zijn hertog. Volgens de overlevering schonk Willem van Gulick hem dit huis toen hij in 1388 de stad bezocht, vgl. toe Boecop ( 1862). Arent overleed in 1397 en werd in Elburg begraven. Het stadskasteel of “Arent thoe Boecophuis” werd in 1400 het stadhuis van Elburg en bleef dat tot 1954.

Arent thoe Boecophuis p8

 

Overeenkomst tussen de hertog van Gelre en abt van Paderborn in 1457.

 

Uiteindelijk had de abt van de Abdinghof, Henrick IV von Wrede, onvoldoende macht om zijn horige boeren tot gehoorzaamheid te dwingen. (Heinrick IV von Wrede was van 1454 – 1476 abt van het klooster Abdinghof te Paderborn, vgl. J.B. Greve 1894). Hij moest in 1457, noodgedwongen een samenwerking aangaan met de wereldlijke macht in de persoon van Arnold van Egmond ( 1410 – 1473). ( Arnold van Egmond volgde op 25 juni 1423 zijn oudoom van moederskant, Reinald IV, op als hertog van Gelre en graaf van Zutphen. Op 10 januari 1465 werd hij door zijn zoon Adolf gevangen genomen en afgezet, vgl. R.G. Jahn en J.M. van Winter 2003). Dit “verstandshuwelijk”leidde tot een overeenkomst: Littera de concordia facta inter Ducem Gelria et enum Abbatem paderbornensum de mancipijs et corum bonis. ( vertaald: brief waarin een overeenkomst wordt gemaakt tussen de Hertog van Gelre en de abt van het klooster Paderborn over de horigen en hun goederen( bron: Gelders Archief, Kelnarijarchief, inv.nr. 277)

overeenkomst hertog en abt

 

In de overeenkomst ( Zie bijlage 3 voor de volledige tekst) wordt aangegeven dat de goederen van het klooster aan hem, de hertog van Gelre, als “erfvoogd”zijn overgedragen. ( Erfvoogd( latijn: advocatus) bestuurde namens de heer ( in dit geval de abt van paderborn) een stad of streek of in dit geval de goederen van de abdij op de Veluwe). Hoewel het hofrecht van de abdij gewoon van kracht bleef, kreeg de hertog van Gelre met deze overeenkomst een positie in de bezitsverhoudingen; hij eigende zich hiermee rechten toe. Wanneer er problemen waren met bijvoorbeeld betalingen of opvolging van horigen, werd er voorheen door de abt of zijn rentmeester ( de kelner) recht gesproken tijdens de zogenaamde hofgerichten. Dit gebeurde meestal in de Kelnarij ( de hof) in Putten.

miniatuur Met deze overeenkomst werd afgesproken dat bij de hofgerichten “amptluijden”van beide zijden ( hertog en kelnarij) aanwezig zouden zijn. Maar het meest belangrijke was dat indien er boetes gevorderd moesten worden er bijstand werd verleend door de hertog en een derde deel van de geïnde boeters aan de hertog toekwam ( twee derde deel van de geïnde boetes waren voor de abdij). Deze verdeling gold ook voor boerderijen die verlaten werden en voor inkomsten aan tijnsen ( belasting), rechten en stedigheid ( inkomsten uit renten, tijnsen en erfpachten die aan de abdij betaald moesten worden).

Deze overeenkomst maakte een einde aan de immuniteit van het klooster en haar onafhankelijke positie ten aanzien van het landsgezag. Het was het definitieve einde van het hofstelsel dat met de aanpassingen van het hofrecht in 1152 en 1396 al in gang was gezet. (Door de toename van de geldeconomie ( en daarmee geringere afhankelijkheid van betalingen in natura) en de toenemende macht van de landsheer, verzwakte de positie van de grootgrondeigenaren al in de dertiende eeuw. Vgl. P.G. Aalbers 1979). Met deze overeenkomst kwam de rust wel weer terug. Uit de stukken van het kelnarijarchief in Arnhem blijkt dat in de loop van de vijftiende eeuw de oorkonden weer door de abt en rentmeester werden opgesteld. De ambtman van de hertog trad meer en meer op de achtergrond maar de wereldlijke invloed op het hofrecht bleef aanwezig en de gemaakte afspraken bleven gelden. (Het hofrecht uit 1396 en de aanvullingen in 1457 zijn de laatste aanpassingen van het hofrecht van de Abdinghof tot opheffing van het klooster in 1810). Doordat de landsheer, de hertog van Gelre, als voogd optrad over de horigen die aan de kloosters toebehoorden ( vastgelegd in de overeenkomst in 1457) konden deze verhoudingen lang standhouden, tot na de reformatie. Eeuwen later, in 1709, was de Benedictijner monnik Liborius Molitor kellenaar geworden te Putten. (Liborius Molitor was lector in de theologie, kellenaar van 1709 – 1714 en ging daarna naar Paderborn ( E.L. Steinmeijer, 2004). Zie voor zijn overzicht van inkomsten van de Abdinghof kelnarijarchief, inv. Nr. 39). Hij trof een verslonsde administratie aan die hij op orde probeerde te krijgen. Uit een archiefstuk uit 1713 (Gelders archief, kelnarijarchief, inv. Nr. 39 ), dat door Molitor is opgesteld, komt naar voren dat de kellenaar de eeuwenoude regels probeerde te handhaven maar hij had daar de grootste moeite mee. De tijden waren veranderd; de hofrechten waren nog wel van kracht maar nauwelijks meer handhaafbaar doordat ze sterk waren verouderd en niet meer werden geaccepteerd door de bewoners van de kloostergoederen.

 

Tot slot.

Vele boerderijen rond Nijkerk en Putten zijn tot in de negentiende eeuw kloosterbezit gebleven en de volschuldige hofhorige boeren of beleenden van deze boerderijen bleven formeel onder het hofrecht van de hoven vallen. Deze verbintenis aan het middeleeuwse kerkelijke recht was uiteindelijk slechts een vaag overblijfsel van het oorspronkelijke hofrecht. De boeren van de buurschappen rond Nijkerk en Putten kwamen eind veertiende eeuw in verzet tegen de te dwingende regels. Eeuwen later in 1713 had de dan vers aangetreden kellenaar van de hof in Putten, Liborius Molitor, zijn handen vol om de oude hofregels staande te houden. Het verzet was minder hevig maar het leek of niemand meer wist waar de oude termen als stedigheid en keurmede vandaan kwamen. De Benedictijner monnik Molitor bracht de administratie voor de laatste keer op orde maar hij leek vervreemd van zijn eigen familia.

Kelnarij Putten

 

XXX

 

Literatuur.

Aalbers, P.G., 1979. Het einde van de horigheid in Twente en Oost – Geldrland 1795 – 1850. Zutphen.

Becker, N., 2003. “De sociale verhoudingen op het platteland”, in: Het hertogdom Gelre. Utrecht.

Böck, M. en Geuenich, D., 2003. “ Het graafschap en het hertogdom Gelre en het Rijk tijdens de middeleeuwen”, in : Het hertogdom Gelre. Utrecht.

Boecop, A. toe, 1862. Uitreksel uit het dagboek van Arent toe Boecop volgens een handschrift van de 17e eeuw. Deventer.

Bijvank, P.C., 2012. De zoektocht naar boerderij Middel Gerven, over Eltens en Paderbornsgrondbezit. http://historischgeografischeartikelen.files.wordpress.com.

Doesburg, J. van en Schut, P.A.C., 2010. IJzer en aarde. Waarderend onderzoek naar een ringvormig aardwerk in Appel ( gemeente Nijkerk) in 2008. Amersfoort.

Greve, J.B., 1894. Geschichte der Benediktiner – abtei Abdinghof in Paderborn.

Hagoort, W.J., 1990. Werdense boerderijen in de gemeente Putten. Een reconstructie van een 9e eeuws boerderijenbezit. D.P. Blok. Red. J.B. Berns et al. Hilversum.

Jahn, R.G., en Winter, J.M. van, 2003. “De genealogie van de graven en hertogen van Gelre”, in Het hertogdom Gelre. Utrecht.

Jansen, H.P.H., 1982. “Adela van Hamaland”, in: Vrouwen in het landsbestuur. ‘s – Gravenhage.

Janssen, W., 2003. “De geschiedenis van Gelre tot het Tractaat van Venlo in 1543 – een overzicht”, in: Het hertogdom Gelre. Utrecht.

Jappe Alberts, W., 1966. Geschiedenis van Gelderland van de vroegst tijden tot het einde der middeleeuwen. ‘s – Gravenhage.

Kist, N.C., 1853. Het necrologium en het tynsboek van het Adellijk Jufferen – Stift te Hoog – Elten. Leyden.

Nijhoff, I.A., 1833. Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland door onuitgegeven oorkonden opgehelderd en bevestigd. Tweede deel, Reinald III en Eduard, hertogen van Gelre. Arnhem.

Schouwen, G.A., 1909, De Kelnarij van Putten. Arnhem.

Schrassert, J., 1740. Codex Gelro Zutphanicus, Harderwijck.

Slicher van Bath, B.H., 1964. Hoven op de Veluwe, Ceres en Clio. Zeven variaties op het thema landbouwgeschiedenis. Wageningen.

Slicher van Bath, B.H., 1952. Het archief van de Kelnarij van Putten. ‘s – Gravenhage.

Steinmeier, E.L., 2004. De Kelnarij van Putten, een geschiedenis van duizend jaar. Putten.

Vervloet, J.A.J., 1986. Inleiding tot de historische geografie van de Nederlandse cultuurlandschappen. Wageningen.

Wartena, R., 1968. Het archief van de Kelnarij van Putten, Supplement. Rijswijk.

Geraadpleegde archieven.

Gelders Archief, Kelnarijarchief, toegang nr. 0324

Inv. nr. 39 Lijsten van Leengoederen, volschuldige hofhorige abtsgoedern,

Gevrijde abtsgoederen, tynsgoederen, erfpachtgoederen,

pachtgoederen, broeklanden, hout, huizen, meenlanden, grote en

kleine tienden, opbrengsten van koren en kleinvee, renten, 1713 ( met

index).

Inv. nr.40a.  Transumptum primum et antiquum. Cartularium betreffende de

Goederen en rechten van de kelnarij van Putten en van de proosdij

van Werden, aangelegd ca. 1500 door notaris Johannes Pistoris.

Inv. nr. 264  Overeenkomsten, brieven en aantekeningen betreffende

Keurmedigheid, 1389 – 1694. Regestnr. 11a. 1389 December 3 ( op

Sente Barbaren avont virginis gloriose). Arnt the Boeckop, richter van

Veluwen, oorkondt, dat Wouter van Neckevelde een keur aan de abt

van Paderborn heeft toegezegd bij overlijden van zijn echtgenote voor

het erf Gagelwijc en dat Ricout Wouterssoen van Neckevelde beloofd

heeft een keur te zullen geven voor het goed Gerwerdinghen.

Inv. nr. 276  Accoord tussen de abt van Paderborn en de horige lieden te Putten

Betreffende de rechten der laatsten. Notariëel vidimus en een

afschrift. 1396.

Inv. nr. 277  Overeenkomst tussen de hertog van Gelre en de abt van Paderborn

Over de horige goederen. Afschrift 1457.

 

Bijlage 1.

“ Overeenkomsten, brieven en aantekeningen betreffende keurmedigheid, 1389 – 1694. Regestnr. 11a. 1389 December 3 ( op sente Barbaren avont virginis gloriose). Arnt the Boeckop, richter van Veluwen, oorkondt, dat Wouter van Neckevelde een keur aan de abt van Paderborn heeft toegezegd bij het overlijden van zijn echtgenote voor het erf Gagelwijc en dat Ricout Wouterssoen van Neckevelde beloofd heeft een keur te zullen geven voor het goed Gerwerdinghen”, ( Gelders Archief, Kelnarijarchief, invent. nr. 264).

 

Inleiding.

Het archiefstuk bestaat uit 1 document op papier met aanhangende zegel. In deze oorkonde geeft Arnt the Boeckop, richter van Veluwen, twee zaken aan:

  • Wouter van Neckevelde hheft een keur aan de abt van Paderborn toegezegd bij het overlijden van zijn echtgenote voor het erf Gagelwijc.
  • Ricout Wouterssoen van Neckevelde heeft beloofd een keur te geven voor het goed Gerwerdinghen.

 

Getranscribeerde tekst.

IkArnt the Boeckop Richter van Veluwen doe kont allen luden ende tuyge openbaerhe mit desen openen brieve dat voor my ende voor gherichte lude hijr na beschreive comen is yntgherichte Wouter van Neckvelde ende heeft mit sinen eigen wille verlyet en bekent dat hij horich is den abte van Paderborne voort nu heeft hij den abte onses enen koer ( keur, PB) verwilkert ( verwillekeurt, beloofd, toegezegd, PB) voor Wijchmoet sine wyve weert sake dat sijn soen hylicken ( trouwen, PB) an enen wyve die horich were inden erve tot Gagelwijc eer Wichmoet allinich were so soude die selve Wijchmoet quijt wesen vanden koer onses. Doe dit geschiet was is comen in dit schie gherichte Ricout Wouterssoen van Neckevelde. Ende heeft mit synen bryven wille den abte onses enen koer geweddt vanden guede tot Gerwerdinghen met weert dat hij een van sinen kijnder na den selve guede horich maecken so weer Ricout Wouterss quijt vanden koer onses alle argelist hijr ynne uijtgesteget. Dit geschiede tot Ermel daer over ende aen waren als gherichts lude her arnt vander lawic Ridder Arnt die haese Giesbert van Aller Reyner van Aller ende anders wel guder lude dyet mede zaghen ende hoerden. In orkonde sis briefs besegelt mit minen segel gegeve int jaer ons here dusent driehondert neghen entachtentich op sente barbaren avont ( 3 december, PB) virginis gloriose ( eervolle maagd, PB).

 

Bijlage 2.

“Accoord tussen de abt van Paderborn en de horige lieden te Putten betreffende de rechten der laatsten. Notariëel vidimus en een afschrift. 1396”. ( Gelders Archief, Kelnarijarchief, invent. nr. 276).

 

Inleiding.

In het kelnarijarchief is onder inv. nr. 40a, folio 2 een afschrift aanwezig op perkament van een brief van Art van Bocop, richter van Veluwen, waarin een accoord wordt gesloten tussen de “gemene luiden behorende tot de hof van Putten”en de abt van de Abdinghof, Conraet van Allenhusen. De oorkonde is van 1396 en onder inv. nr. 276 van het Kelnarijarchief is een 17e eeuws afschrift aanwezig die hieronder is getranscribeerd.

Het betreft een notariëel vidimus; een archiefterm voor een akte, waarbij degene die haar uitvaardigt, verklaart een zekere een zekere akte te hebben gezien en in zijn verklaring de tekst van die akte opneemt. Een vidimus kan dus beschouwd worden als een niet – geautoriseerd afschrift ( kopie). Een authentiek afschrift van een akte heet met een verouderde term transsumpt. (Bron: Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren ( www.dbnl.org)

    De tekst betreft een zgn. volledig hofrecht (Een volledig hofrecht bevat bepalingen van verschillende zaken terwijl een onvolledig hofrecht uitvoerig ingaat op enkele verplichtingen). uit 1396. Van de Abdinghof is nog een ouder volledig hofrecht bekend uit 1152 (B.H. Slicher van Bath, 1964. Agronomisch – historische bijdragen, Wageningen, pg.182). en een drietal onvolledige hofrechten ( 1334, 1358 en 1457). In het hofrecht van 1334 wordt uitvoerig op de rechten bij overlijden ingegeaan. Het onvolledig hofrecht uit 1358 betreft het leenmannenrecht. (G.A. van Schouwen, 1909. De kelnarij van Putten, onderzoek naar den rechtstoestand harer bezittingen. Arnhem, bijlage T).

 

Getranscribeerde tekst.

( De nummering van de artikelen komen niet in deze kopie voor en zijn overgenomen van de Codex Gelro Zutphanicus ( J. Schrassert, 1740).

Ich Art van Bocop Richter van Veluwen doe cond alen luiden end toge openbarlick met diesem openen brieffe dat veur mij end voor gerichtsluiden, die hiernae beschreven staen gekomen sint int gerichte die gemeine luide, die hoeren den erwerden in gode herren ( = heeren) Conraet van Allenhusen Abde van Paderborn in sinen hoff tot Putten gelegen in den lande van Veluwen ende hebben myt hoeren vrien ( = vrije) willen vorliet end bekant voor hem end hoeren erven, went ( = want) sy alle jaer voele ( = vele) twistingen end schellingen hadden myt den abt voorss van hoeren rechten dat sy daer mede myt den selten Abt mynliken ( = minnelijk) end eyndeliken ( = eendrachtelijk) sein averdraghen in manieren end voorworden alsoo heir nae beschreven seit.

Art van bocop richt zich in de aanhef tot de “gemeine luiden” van alle huizen van de abdij van Paderborn en zijn hof te Putten en draagt de rechten van de horigen over volgens de volgende “manieren en voorwaarden”. Hij doet dit omdat er al jaren sprake is van vele twisten en onenigheid tussen de horigen en de abt ( zonder verder uitleg).

  1. In den ersten soo sullen alle die ginne, manne end weiff, die tot den hove van Putten hoeren, geven end betaelen den Abt offte seynem Ambtman off hoeren gewaren ( = gezworen) Bodenn van hoeren hooffte op Sente Joannis avent Nativitatis tot mitsommer in den hoff tot Putten twe penningsen eynnes oulden groeten Connixgroot vur sestien penninken gereekent, uytgenoemen soen end dochteren, de under cost und bewaringe hoeren olderen, end niet myt hillick noch myt entfangenen erven van oire olderen huys gescheidenen syn de en solen in gheinen hoofttyns geven noch bethaelen also lange hy in sulcker maten syn,

Op 24 juli ( Sint Johannes) moeten diegene, zowel man als vrouw, die tot de hof van Putten behoren ( dat wil zeggen horig zijn aan de abdij) een hoofdtijns betalen van twee penningen ( uitgaande van een oude groot met een waarde van 16 penningen). De zoon en dochter hoeven geen hoofdtijns te betalen, zolang zij in de kost en onder toezicht van hun ouders zijn.

  1. Myt diesen voorworden, dat alle die gene de hoeren hoofttyns op den vurges Sente Joanis avent niet en bethaelen, die syn vervallen um eynen oulder groeten Conninxtein tot den hoofttyns voorgescheven, ende daer vur mach den Abt ende seyn Amptman offte hoeren ennycks geware ( = gezworen) Bode alle die gene doen penden myt eynem dachliksen Richter off pender also hen dat godelixte is gelyck ende in allen manieren dat seynen anderen erstyns uit mach doen penden, ende diese vorgess twe penninck voor den oulden koninxgrooten als die vervallen seyn, sall men boren ( = beuren) payment dat daer gueth vur is elcter tyt der bethalungs, end andersen sollen sy daer mede nicht van sinnen ( = niet verzuimen) in geinre weis off sy eren (= haren) hoofttyns nicht en bethalongen.

Wanneer de hoofdtijns niet op Sint Johannes wordt betaald mag de abt of de ambtman ( in dit geval de kellenaar) het bezit verpanden en moet de hoofdtijns alsnog betaald worden. Het afdwingen van de hoofdtijns blijkt ook in latere jaren lastig voor de Kelnarij. De hoofdtijns werd in veel gevallen op het moment dat de keurmede betaald moest worden ( dus veelal na de dood van de horige), vereffend.

  1. Item soo en sall nemandt des Abs horige gude besitten noch gebruiken he en sy off werde daer hoerich ende ledich nae offten sy myt willen ende consent des Abts off seynes Ampsman.

Wilde je een horig goed bezitten dan moest je horig worden aan de abdij en de abt of de kelner moest hier goedkeuring aan geven.

  1. Iten soo en sall me des Abt hoorige gude niet slieten noch deilen, tensy myt willen end consent des Abts off seynen Amptmans.

Het horig goed mocht zonder toestemming van de abt of kelner niet worden gedeeld.

  1. Item soo en sall nemandt van des Abts luiden voorss hillicken buten echt then sy myt willen ende consent des Abts off seynen Amptmans.

Met deze voorwaarde wordt bedoeld dat een horige, of zoals hier aangeduid “des abtsluiden”, niet zonder toestemming van de abt of kelner mocht trouwen “buiten echt”. Dit laatste wil zeggen met een niet horige ( geen familia). Hij mag dus wel binnen de echt trouwen zonder toestemming of betaling ( in de hofrecht van 1152 was ook bij trouwen “binnen echt”toestemming nodig. Vgl. G.A. van Schouwen, 1909. De kelnarij van Putten, onderzoek naar den rechtstoestand harer bezittingen. Arnhem, pg.35.

  1. Item soo sall de aldeste soen gearfft warden nae dode seynen oulderen, alsoo veere als daer een soen off en were daer gein soen soo sall de aldeste dochter gearfft wesenn. Ende de ouldeste, rd sy soen off dochter, die gearfft is, sall die allinge were ( = weer) myt allen horen tobehooringen besitten, end sall die andere Kindere daer afgoeden by den magen end vrienden.

De oudste zoon erft na het overlijden van zijn ouders het bezit en wanneer er geen zoon is erft de oudste dochter het bezit. Degene die erft zal het bezit in geheel bezitten ( “myt allen hoeren tobehooringen”). De erfgenaam zal de overige kinderen “afgoeden”( dwz. Een bepaald bedrag betalen).

  1. End waneer des Abtsluiden affteinick synt, soo sall die ginne, die gearfft worde den Abt offte seynen Amptman geven viff schillinge payments vorgess. ( = voorgeschreven) Dat is to verstaen xxx penninge nae dode des vaders ende xxxpenninge nae doet der moder. Ende daer myt sall den Abt of seyn Amptsmann hen dat goedt guetelicken belynen sonder wiederseggen, ende des gelixt ( = gelijk) sall men doen van allen anderen guederen ende erven, de den Abt tobehooren.

De erfgenaam betaalde de abt of kelner vervolgens vijf schellingen ( 60 penningen), 30 penningen na dood van de vader en 30 penningen na dood van moeder. De abt of kelner zal vervolgens de erfgenaam het goed belenen zonder dat hem dit recht kan worden opgezegd. Dit laatste was een belangrijke zekerheid voor een horige.

  1. Item soo is toloetten, dat alle die ginne, die hooren in den hoff to ( “Putten”, ontbreekt, PB) ceurme ( = keurmedig) syn, und eyn elck persohns dode sall des Abts Amptman thot behooff des Abts end seyner naecomelinge nemen eyne coer, dat is to verstaen eyn dat beste van Perden van Coyen off van andere beesten, off van cleideren, off dat in golde oder in silver gesynn worde, ende niet meer nah gewonthen de coeren, uytgenoemen soens undt dochteren de under cost ende bewaringe syn eren oulderen, end niet myt hillick noch myt entfangenen erve van hoeren oulderen huys gescheiden syn, die ginne die aldus in dieser mannieren sterven, daer aff en sall me geine coer nemen,

Diegene die tot de hof van Putten behoren zijn keurmedig. Iemand die overlijdt zal de kelner “tot behoefte van de abt” een keur nemen; het beste paard, de beste koe of een ander beest, of een kledingstuk, of iets van goud of zilver. Uitgezonderd zijn de zoons of dochters die inwonend zijn en onder toezicht staan van de ouders. Wanneer die sterven wordt er geen keur gevraagd. ( Wanneer de kinderen niet meer thuis woonden dienden voor hen bij overlijden ook keurmede te worden betaald aangezien zij uit een horige vrouw geboren kinderen waren en daarmee zelf ook horig ( ongeacht of ze zelf een absgoed bezaten of niet).

  1. Oock uytgenomen all sulcke perde als up des Abtsleuden end goede gesatt werden den herr van den Landt mede to dienen, de en sall me tot geyne coer nemen, meer een dat beste daer neestegelyck alse vurges( = voorgeschreven) is.

De paarden van de absgoederen die de heer van het land ( Graaf van Gelre) dienen zal men ook niet tot keur nemen maar het beste wat daar op volgt. Blijkbaar kon de landsheer de paarden van de abtsboerderijen vorderen ( bijv. in tijde van oorlog) en mochten deze paarden niet als keurmede worden betaald. Hiermee blijkt ook de invloed van de landsheer op de eigendommen van het klooster.

  1. Voortmeer soo en bekennen des Abtsluide vorgess ( = voorgeschreven ) den vurgsz Abt end syne naecomelingen anders geyn recht noch dat sy hem anders geyne deinst ( = dienst) schuldig en syn to doen in geynre weiss dan all sulcke puncte als vurgess staen. Behelteyeke den Abde vurgess end seynen naecomelinghen synen tyns, pacht, tynden end stedicheit, soo als he die van alder ( = ouds) gehatt heefft. Soo hebben diese vurgess leude hoerende to Putten in den hoff myt hoeren vrijen willen vorlyet bekandt end overgeven voor hem und voor hoeren Erven den Abde vurgess end seynen naecomelinghen alle diese vurgess puncten end vorwarden in allen mannieren alsoo des vurgess staet erstlick end ewelick vast, stede end onbroekelick to blijven alse ordel end gerichtsluide wisende dat alte diese vurgess puncten end vorwarden in allen mannieren alsoo die vurgess staen nae den Land recht vast, stede end onbroekelick ( = onverbrekelijk) blijven sullen sonder emans wieder seggen en sonder Arglist.

Met deze passage wordt aangegeven dat er naast bovenstaande voorwaarden geen andere diensten en rechten zijn waarop beroep kan worden gedaan. De voorwaarden staan voor eeuwig vast. M.n. het woord “diensten”is in deze zin belangrijk. De horigen hoefde dus geen diensten uit te voeren voor de Kelnarij of abt.

Hier waren over end aen alse gerichtsluide Willem van Doelre, Derick van Brynenn, Jans soen, Claes van Spelde, Wynandt van Appel Maes soen die hier sonderlyck to geropen waren en enthalt ( = onthaald) end anders veele guederleude die diet mede sagen end hoerden. In oierkunde dis breiffs besegelt myt meinen segell. Gegeven int jaer ons heeren Dusent dreihundert sess ende negentig feria secunda post diem Beati Martini hyemalis. ( Datering: 1396 november 13 [ feria secunda post diem beati Martini hyemalis].

 

Bijlage 3.

“Overeenkomst tussen de hertog van Gelre en de abt van Paderborn over de horige goedern. Afschrift 1457” ( Gelders Archief, Kelnarijarchief, invent. nr. 277).

 

Inleiding:

Betreft een papieren omslagmap ( titel: Mancipi bona) met daarin brieven. Daarnaast een papieren omslag met een stuk in Latijn ( papier sterk vergaan).

 

Getranscribeerde tekst.

Littera de concordia facta inter Ducem Gelria et enum Abbatem paderbornensum de mancipijs et corum bonis.

Brief waarin een overeenkomst wordt gemaakt tussen de leider? Hertog van Gelre en de abt van het klooster Paderborn over de horigen en hun goederen.

Wij Arnoldt vornden gnaden Godts Hertogs van Gelre end van Gulick end grave van Zutphen an die eene sijde, end ick Henricg d’Wrede Abtt tot Paderborn van wegen mijnes cloosters an d’andere sijde bekenne overmits desen brief dat van overmits onsen frunden te beiden sijden guidtlicken bekenne overmits desen brieff dat van overmits onsen frunden te beiden sijden guidlicken overdragen zijn van den hoorigen luiden en guideren gelegen in ons hartogen landt van Veluwen tho hoorende den selve clooster als Erfhoore d’welcke luyde en guide to sulcken reghten ende gehoorsamheit mon niet en hefft also dat van reght gebuirt end van alts gewoonlick is, als dat men dair aff ende hoffgerighte halden ende besitten sall bij onsen Amptluijden toe beiden sijden, ende wes da mit reght gevordert endt g ewonnen wordt na dat hoffgerights reght dair sollen wij hertogh sulcks hulpe ende bijstand tinne doen dat dat alsoo voltogen en geholden worde, ende was dair aff nehmen ende was dair dan van averth dat sall een derden deel tho behooren ons hertogen voorss ende d’andere twee deel den Abtt voorss, were ouck innieke luede doe d’horige guede lieten liggen en daer aff niet hoorich noch ledigh werden en voldaen, alsoo dat men die guede anfanen moeste, soo solde ouck dat derdedeel dair aff comen wij Hertogen als voorss en twee deel d’Abtt hebben, soo lange ende der tijt, dat d’reghte volgers dat winnen end worven, ende dair aff sollen wij als dan ouck een derdendeel,  end die Abtt twee deel hebben also van den andere vurgereth is, beholtelick in desen stucken den Abtt t’voorens sijnen thins, reghten, stedigheit end regthen onse so des tot diesen daghen toe, in besitt end gebruick is gewest.

Arnold van Egmond ( ca. 1410 – 1473){ volgde op 25 juni 1423 zijn oudoom van moederskant, Reinald IV, op als hertog van Gelre en graaf van Zutphen. Op 10 januari 1465 werd hij door zijn zoon Adolf gevangen genomen en afgezet. Bron: J.B. Greve: Geschichte der Benediktiner – abtei Abdinghof in Paderborn. Paderborn 1894}. En Henrick d’Wrede { Heinrick IV von Wrede was van 1454 – 1476 abt van het klooster Abdinghof te Paderborn. Bron: J.B. Greve: geschichte der Benediktiner – abtei Abdinghof in Paderborn. Padeborn 1894}  Komen overeen dat de horigen en goederen van de Veluwe, behorende bij het klooster ( de Abdinghof) en “ons als Erffvoiget”(..) “over(ge)dragen” zijn. Men zal vanaf dit moment hofgerichten of rechtzaken houden waarbij”Ambtluiden”van beide zijden aanwezig zullen zijn. Datgene wat volgens het ( hof) recht gevorderd moet worden zal met bijstand of hulp van de hertog geïnd worden. Vanaf dit moment zal een derde deel de hertog toebehoren en twee derde de abt. Wanneer de horige boerderijen verlaten worden zal de hertog een derdedeel krijgen en de abt twee derde deel. Dit geld ook voor de inkomsten aan tijnsen, rechten en stedigheid.

Oock is bedediggt dat off die Abtt off sijne leude van sijnre wegen mit diser verteringe van onreghten anfangen off sulckere der gelijcken in dieser saicken broeckten off misdeden, dair sal die Abtt ende d’sijne soo veele ons Hertogen voorss dat ontefden ( = ontriefden, PB) sonder broecken end onbelast mede wesen ende hier thoe hefft men ordonniert twee, alsoo van ons Hertogen vurss wegen Johan van Hulgo ende van wegen des Abtts Johan van Brinen van Harderwijck, alsoo dat die twee die ongehoorsame leude vurss alle tijt bij hen selffs nae hooren guidtduncken end bester wettenschap moge laten scheiden ende wes daraff com tan hoe behalden des dogh nijt t’over geven ten sij bij bevehle consent end todoen ons Hertogen end Abtt voorss sijden ende anders niet.

Ook is naar voren gebracht/ overeen gekomen dat de abt of zijn medewerkers beginnen met het aanpakken van overtreders ( zij die boetes moeten betalen of misdeden). De handhaving zal plaatsvinden door een ambtenaar van de hertog( op dat moment Johan van Hulgo) en de ambtman van de abt ( hier wordt de leken rentmeester genoemd Johan van Brinen genoemd. Johan van Brijnen was van 1455 – 1483 de leken rentmeester van de kelnarij. In 1489 werd de eerste monnik van de Abdinghof als kellenaar benoemd( bron: E.L. Steinmeijer) Men heeft verordineert dat deze twee ambtmannen de ongehoorzame lieden mogen “ laten scheiden”. Hiermee wordt bedoeld dat ze uit de boerderij worden gezet. Het erf viel daarmee vrij.

Ende d’selven twee voorss sullen ouck onderscheidelicken op wat dagh sij die luide laten scheiden end an we ( o )  voelt goedes sij die hebben laten winnen ende wat dair afgebuirt is end achterstedig stonde dat aff t’doen tot gesinnen onser t’beiden sijden guede bescheitelicken end bewistelicke reckeninge, ende wes alsus van hoorige lueden off gueden wider geworven wordt daer sulte wij Hartogh voorss onse vagedei an hebben and die Abtt sijn reght an behalden ende all sonder argelist.

De twee ambtenaren moeten aangeven op welke dag het erf ( of de erven) vrijvallen en welk bedrag aan stedigheid nog achterstallig betaald moet worden. Dit bedrag moest betaald worden en verdeeld over de rekening van hertog en abt ( waarschijnlijk volgens de verdeling een derde/ twee derde). De nieuwe horige lieden die gevonden ( “geworven” ) worden om het goed te bewonen zullen onder de voogdij van de hertog vallen en de abt zal ten aanzien van hen, zijn rechten behouden.

Hier zijn overgarest van wegen ons Hartogen vurss onse Vrunden van Raade Her Johan Haer tot Gemen Arnoldus van Geer onse overste Rentmeister ende Gerit Greve Vndt van wegen des Abtts bruder Herman Vrowijn kelner des cloosters van Paterborn ende Pastor tot Putten bruder Conradt Grevenstein pastor tot Voorthuisen Claes van Aller van Stomeborghe end Johan van Brijnen Amptman des Abtts voors mit meer guiden louden tot beiden sijden des tot oirkondt hebben wij Arnoldt Hertogh vurssonsen zegel voor an desen brieff doen hangen end ick Henricg Abtt voors want dese vurrs puncten mit mijnen willen aldus voor die geding sij soo hebbe ick mijn zegell voor mij end mijne cloister bruders an desen brieff mede gehangen end diser brive sijn twee gemaeckt all eens haldende der eyn wij Hertogh voors hebben end d’Abtt. Gegeven int iair ons Heeren duisent Vierhondert soeven ende vijftigh des saterdags nae sanct Urbanus dagh.

Zowel hertog Arnold van Gelre als abt Henrick d’Wrede hangen hun zegel aan deze brief op de zaterdag na St. Urbabusdag ( 25 mei) in 1457.

Historisch Geografische Artikelen.

Blog: Peter Bijvank,  may 3, 2013.

Waarvoor dank.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *