Verwikkelingen hoofdstuk 11

 

 

Hoofdstuk 11

Verwikkelingen

Er was geen windstilte op de storm gevolgd. Integendeel, overal gistte het. Bij gesprekken in werkplaatsen en op karwei, in huizen en taveernen was het goed te merken. Sommigen gaven openlijk hun afkeuring te kennen over het gebeurde. Ze waren verbitterd, gegriefd, andere bedroefd. Er waren er ook, die blij waren en er prat op gingen, dat dode beelden onder hun handen waren gesneefd.

Op de morgen, volgende op de nacht waarin de laatste vuysthamerslagh van Reyer van Speulde had geklonken, had de stad een geheel ander aanzien gekregen. Vijf kerkgebouwen waren van de versierselen binnen en buiten ontdaan. Het was geen kleinigheid. Geen beeld liet zich meer zien, geen kruis stond meer overeind op een van de kerkhoven.

Soms wierp een voorbijganger een schichtige blik naar een gehavend kerkgebouw. Haat brandde in de ogen, wanneer hij een der daders voorbijkwam. “Vervloekte geus,”mompelden de lippen, doch zo, dat het niet gehoord werd.

’s Avonds zaten de taveernen en het stadswijnhuis vol en druk werd gesproken over wat geweest en wat worden zou. Vooral dat laatste was belangrijk.

Nog vóór Jan Arentsz in Harderwijk kwam, had de raad een schrijven van de stadhouder ontvangen, waarin deze hem verweet, dat ze een ketters predikant hadden laten optreden. Hen werd gelast, de predikant de stad uit te zetten en te zorgen, dat hij niet terugkeerde. Verder beval hij, de brug naar het huis van de Koning weer te openen en de bewaking van het gebouw aan de drost over te laten.

Heren gezworenen hadden zich daar niet zo heel veel van aangetrokken. De stadhouder had een keurig schrijven terugontvangen. Ze ontkenden niet, dat er vreemde predikers in Harderwijk waren opgetreden, doch dat vond zijn oorzaak in het feit, dat twee jaar geleden de pastoor Rutger van Baer was ontslagen en de godsdiensten dienden toch plaats te vinden. En wat de brug naar het Huis van de Koning betrof, nu ja, men had die weggehaald om de stad te beveiligen. De stadhouder had hen destijds in Nijmegen daar zelf op gewezen en zij hadden zijn bevel naar hun beste weten en kunnen uitgevoerd.

Maar iedereen begreep, dat het daar niet bij zou blijven. De graaf van Megen zou woest zijn als hij van de Beeldenstorm hoorde. En dat zou hij te weten komen. Een snelle bode te paard was de Luttekepoort uitgerend. Hij had de Smedepoort gemeden, omdat hij voor Pelgrim Wullems niet wilde weten dat hij met een bepaalde bedoeling de stad verliet. Herman Leyendekker, de wachter van de Luttekepoort zou het wel voor zich houden. Maar anderen hadden hem ook zien gaan en ze hadden begrepen, dat hij op weg was naar Arnhem om de stadhouder te waarschuwen.

Johan Voeth, broer van de schepen Gerrit Voeth, schudde het hoofd,toen hij hoorde, dat Henrick Koick spoorslags de stad uitgereden was in de richting van de Deventerweg. Hij besefde best, dat de ruiter niet de weg naar het dorp Appeltorn zou inslaan, doch omzwenken naar de Arnhemse Karreweg. Hij waarschuwde zijn broer en kreeg de schepenbank er warm voor, de burgers te wapenen en in de wapenhandel te oefenen, om, wanneer de stadhouder een overval op de stad mocht beramen, zich tegen de vijand te kunnen verzetten.

Dus werd er een burgerwacht opgericht. Het volk van Harderwijk kon zien hoe op de Doelen de wapenhandel werd beoefend. De mannen moesten leren hoe om te gaan met haakbussen en vuurroeren, met Morgensterren en kaesbalgers, zelfs met hand – en voetboog.

Gerrit Zeegers en zijn zoon Gosen waren beiden van de partij en wanneer het tijd was om te oefenen, dan paradeerden zij onder bevel van hopman Johan Voeth en de kornet Gerrit van Cranenburgh door de straten der stad.

De drost Otto van de Sande keek grimmig, toen Andrys Roest het hem kwam vertellen.

“Wacht maar,”zei hij, terwijl zijn vuist zich balde boven het tafelblad. “Wacht maar. We zullen doen alsof we er niet vanweten. Maar geloof me, onze tijd komt ook. Ik zal persoonlijk naar de stadhouder gaan om met hem te overleggen, hoe wij dit zaakje moeten aanpakken. Is Hendrik Leyendekker nog iets te weten gekomen omtrent Wege Elbertse?”

De schout schudde het hoofd.

“Wege heeft met niemand in ’t bijzonder gesproken. Met deze of gene zo in’t voorbijgaan enkele woorden gewisseld, meer niet. Ik denk, dat het een vals spoor is geweest.”

Er lag een sluwe blik in de ogen van de drost, toen hij de schout aankeek.

“Misschien, maar ik weet het nog zo net niet. Ge zoudt de boer van Selhorst ergens binnen kunnen lokken en dan hebben wij wel de middelen om hem aan het spreken te krijgen.”

De twee samenzweerders staken de hoofden bij elkaar. Het gevaar voor Harderwijk dreigde van buiten en van binnen.

Pieter Wilhelms, de koster van de Vrouwekerk, die gisteren net zijn 47e verjaardag had gevierd, stond op dit ogenblik onder in de toren en schudde meewaardig het hoofd, terwijl hij zijn blikken over het inwendige van de kerk liet gaan. Dit deed hij dagelijks.

Maar alles was hem vreemd geworden.

Hij had niet meer dat rustige gevoel, dat de beelden van bovenaf vriendelijk op hem neerkeken. Een naargeestige stilte hing in de hoge ruimte. Naakt en kaal staarden de muren hem aan. Het sakramentshuis was verdwenen, geen altaar stond er meer en geen beeld. Niets was er meer, dat hij met een warme doek spiegelblank kon poetsen.

Hij schrok, toen hij opeens stappen achter zich hoorde. Toen hij zich omwendde, keek hij in het glunderende gezicht van Gosen Zeegers. Gosen had de torendeur zien openstaan en dat had zijn voeten hierheen getrokken.

“Morgen, Pieter Wilhelms.”

De koster gaf geen antwoord, knikte alleen maar.

“Nu, ze hebben hier goed huisgehouden. Ge kent de kerk niet terug.”

Dit zeggen was net even te veel voor de koster. Hij keek Gosen met een venijnige blik aan.

“Noem je dit huishouden? Ja, voor jullie, ketters, geuzengebroed. Maar het is heiligschennis en dát is het. Wat hebben die arme beeldekens jullie gedaan? En Ons Lieve Heer hebt ge te grabbel gegooid. Lijsbet Wege heeft het mij gezegd. Toen zij in de kerk kwam kijken, terwijl de onverlaten bezig waren, riepen Rickelt Diepen en Gelijs Rotgers haar: “Lijsbet, ge moet eens zien, er ligt nieuwe heiligdom in ’t sakrametshuis.”En Lijsbet ging kijken. Dat zou elke nieuwsgierige vrouw gedaan hebben. Ze trok de deurtjes van het sakramenthuis open en zag een dode kat liggen. Lijsbet was scheldende de kerk uitgelopen. En is dát geen heiligschennis?”

Gosen knikte en glimlachte hem toe.

“Maar ge kunt weten, Pieter Wilhelms, dat slechts een paar mannen hebben meegedaan, die gij voor ketters verslijt. Het merendeel hoorde bij het volk dat altijd nog bij Rutger van Baer of zijn kapalaan ter misse ging. Of niet soms? Noem slechts op en ge zult zien, dat het merendeels geen geuzen waren.”

De koster wond zich steeds meer op, want in zijn hart moest hij Gosen wel gelijk geven.

“Hinrich Hase is zeker geen geus?”snauwde hij.

Gosen besefte, dat hij nu moest oppassen. Nooit tegenover een ander je uitlaten, dat iemand geus was. De verrader sliep niet.

“Hinrich Hase is een van de weinigen, die gij voor geus uitmaakt, Pieter. Maar als er iemand is, die onze stad een goed hart toedraagt, als er iemand is, die zich het lot van een behoeftig mens aantrekt, als er iemand is, die de waarheid liefheeft, dan is dat Hinrich Hase wel. Ge weet dat, Pieter Wilhelms.”

“Maar hij hoeft de Lieve Vrouwekerk niet te havenen.”

“Beter een kerk gehavend dan het geloof verzaakt. En denk daar maar eens over na, koster van Onze Lieve vrouwe. Maar geloof me, morgen kunt ge hier weer preekhoren. De predikant is er al.”

Gosen verdween naar de Vrouwestraat.

De schepenen hadden begrepen, dat er iets gedaan moest worden. Het voornaamste was wel, dat er predikers kwamen. Zonder kerkgang was het leven leeg. Gods woord moest verkondigd worden. Zij hadden verschillende personen er op uit gezonden, die moesten trachten, een prediker mee terug te brengen.

Karel Cremer, de koopman, was het gelukt, in Deventer een zeker predikant Johan te vinden en deze was bereid, mee te gaan naar Harderwijk. Zijn komst bracht vreugde. Nu kon er tenminste weer in de Vrouwekerk gepreekt worden.

Deze Johan was een aanhanger van de Augsburgse Confessie, meer Luthers dus dan Calvinist. Maar in de Nederlanden was men bekend geraakt met de Heidelbergse Catechismus, die het Woord Gods zuiver weergaf. Daarom luisterde men wel naar deze Johan, maar het werd toch niet echt. Men miste iets in zijn prediking. Die was niet konkreet en soms kon men er alle kanten mee uit. Toen hij een paar weken in Harderwijk had gepreekt, was hij toch niet erg in trek. Het tekende de man ook, dat hij, na enkele weken bij Cremer te hebben gelogeerd, zijn intrek nam bij de roomse kastelijn Henrick van Sevener, dichtbij de Bruggepoort. Dat maakte de verhoudingen er niet beter op. Tenslotte verhuisde hij toch maar naar de taveerne van Hinrich Hase.

Beter maakte het een zekere leraar Gherryt. Hij was een reizend prediker en vertoefde enkele weken in Harderwijk. Bij zijn vertrek schonk de magistraat hem nog vijf daalders.

Daniël Renssen had goed succes gehad. Hij had een hele reis gemaakt, door Arnhem en Nijmegen en op weg naar Den Bosch was hij in Batenburg blijven hangen. Daar ontmoette hij Johan van de Linden, Roodbaard, de eerste die in Harderwijk had gepreekt. Roodbaard was bereid mee te gaan.

Het werd opnieuw een blijde inkomste, doch zo geheel anders dan op 15 september. Het volk was veel rustiger geworden en ernstiger.

Drie weken bleef Roodbaard, toen moest hij naar zijn broer in Embden. De burgermeester, Gerrit Maurissen,bracht hem tot Elburg, en nam vandaar Dr. Albertus Hardenberg mee terug nar Harderwijk.

Coert Hinrichs had in Woerden een zekere prediker gevonden, die destijds in Nijmegen de stoot had gegeven tot de Beeldenstorm. Beide predikanten logeerden bij Hinrich Hase.

Gosen Zeegers was daar iedere avond te vinden.

En steeds meer mensen kwamen preekhoren.

Maar Harderwijk lag niet in een uithoek. Alles werd aan de stadhouder overgebriefd en deze bracht de landvoogdes weer op de hoogte.

Op 22 september 1566 had zij hem op zijn schrijven over het laten optreden van vreemde predikers geantwoord, dat ten aanzien van Elburg en Harderwijk een afwachtende houding moest worden aangenomen.

Maar nu was de boot aan.

Een gepeperde brief ging via de stadhouder van Brussel naar Harderwijk. Het moest nu eens uit zijn met het toelaten van ketterse predikanten en het schenden van kerken. Verder had men van het Huis van de Koning weg te blijven. De verontschuldiging, die de Raad onlangs had aangeboden, werd door haar niet geaccepteerd. Zij gelaste, onmiddellijk de aangebrachte schade te herstellen.

Toen schepen en gemeenslieden dit schrijven voor zich hadden liggen, trokken er diepe rimpels over hun gezichten. Dit schrijven was niet mis. Maar de Heren wilden het in Harderwijk graag houden zoals het was.

Inmiddels was in Harderwijk verschenen Otto van Heteren. Hij zou de eerste predikant van Harderwijk worden. Het was een genot voor de Gereformeerden, dat ze weer geregeld naar de kerk konden gaan om Gods Woord te horen.

Ook de magistraat wilde graag, dat dit bestendig werd.

Burgermeesteren, schepen en raad, zonden op 22 oktober een brief aan de landvoogdes, ook weer via de stadhouder, waarin gevraagd werd, te willen bevorderen, dat de voorziening in de vacature, ontstaan door het vertrek van de pastoor Rutger va Baer, gehandhaafd bleef, omdat nu de rust in de stad was teruggekeerd, en dat de burgerij vrijheid van religie bekome, totdat zijne majesteit en de generale staten deze zaak hadden geregeld. Vervolgens vroegen zij vergiffenis voor het feit van de verwoesting en beroving van de Minrebroederkerk en het verwijderen van de beelden uit de grote kerk. Tenslotte vroegen zij, de wacht op het Huis van de Koning te mogen blijven houden, totdat deze gevaarlijke tijden voorbij zouden zijn.

Maar de inquisitie liet niet af.

Op de broeren kreeg Wege Elbertse de boodschap, om na de markt in het weeshuis te komen om te spreken over de levering van warmoes aan het huis. Hij vond dit een weinig vreemd, want het was hem nimmer gelukt aan het weeshuis ook maar een boon te slijten. Geert van Wyert had altijd de klandizie gehad. Geert en zijn vrouw Evermoet waren altijd goed rooms geweest. Wat kon hiervan de reden van zijn?

Niets kwaad vermoedend liet Wege de klopper op de deur vallen. Hij dacht niet aan wat Wolter Hubrechtse tegen hem had gezegd, dat hij op moest passen voor de schout, de weesvader en de poortwachter van de Luttekepoort. Argeloos als een schaap had hij de voet op de stoep van het weeshuis gezet. Diedel deed open.

Ze bloosde tot achter de oren, toen ze hem herkende en opeens stond er een wilde angst in haar ogen te lezen. Ze stak een hand op, alsof ze hem wilde tegenhouden.

“Nee, o nee!”

Wege Elbertse keek haar verwonderd aan. Wat was er toch?

Zijn mond plooide zich tot een glimlach, om haar gerust te stellen. Hij wilde net haar het doel van zijn komst zeggen, toen achterin de gang een deur openging en de weesvader naar voren slofte.

“Ga weg, snel,”waagde Diedel nog te fluisteren. Toen deed ze een stapje opzij en liet Wege passeren. Zij sloot de deur achter hem toe.

Het gezicht van de weesvader was een en al vriendelijkheid, toen hij Wege welkom heette en hem verzocht te volgen.

Diedel zag hem gaan. Alle kleur was uit haar gezicht verwenen. Haar ogen stonden wild van schrik. Ze stond te trillen op haar benen. Dit was het wat zij had gevreesd, waarvoor zij Gosen Zeegers had gewaarschuwd. Het heeft niet geholpen. Ze wist, dat Gosen het tegen Hinrich Hase en Wolter Hubrechtse had gezegd, en dat de laatste Wege zou waarschuwen. Er moet iets mis zijn gegaan. Ze hadden Wege toch in handen gekregen. En dat betekende ook gevaar voor anderen. Voor Gosen bijvoorbeeld.

Het was alsof het voor haar ogen begon te draaien. Ze voelde zich opeens duizelig worden en zocht steun tegen de koude muur.

“Diedel, waar blijf je?”hoorde zij roepen.Van heel ver weg hoorde zij de stem komen, een bevelende, snauwende stem. Maar deze bracht haar weer tot zichzelf en ze haastte zich naar de keuken. Ze mocht niets aan de huismoeder laten merken.

“Wat heb je toch altijd lang werk. Dat heerschap is al lang bij vader binnen en jij staat maar te treuzelen. Hier, pak aan.”

“Ik werd opeens zo duizelig, vrouwe.”

De weesmoeder wilde iets zeggen, maar toen zij het doodsbleke gezicht van Diedel zag, begreep ze, dat er iets aan de hand moest zijn.”O. Zo. Jawel. Je moet ook niet altijd zo gejaagd zijn. Je bent al overstuur wanneer er een heerschap de deur binnenkomt. Je moest je schamen.”

Diedel gaf geen antwoord. Het zou alles maar erger maken. En ze mocht niet de kans lopen, dat ze zich versprak. Als de vrouwe eens wat merkte?

Een storm van gedachten joeg door haar hoofd, toen ze na een uur Wege Elbertse nog niet had zien vertrekken.

Ze zorgde er voor, dat zij de hele verdere middag in de buurt van de gang haar werk had en luisterde naar elk geluid, dat zich voordeed, al was het ook nóg zo gering. Maar niemand verliet het weeshuis. En dat betekende, dat Wege Elbertse gevangen was. Zijn vrouw zou niet weten waar hij bleef.

Ze durfde nauwelijks op te kijken, toen de weesvader haar passeerde, bang, dat hij de achterdocht in haar ogen zou lezen. Ze moest zich dwingen, de aandacht bij het werk te houden. Moeilijk was dat, want ze bleef er maar over piekeren, hoe Wege Elbertse weer naar huis zou kunnen komen. Dat leek vrijwel onmogelijk. Wat de schout eenmaal in handen had, liet hij niet gemakkelijk weer gaan. Het meehelpen aan het doen verdwijnen van een Jezuïetenpater zou Wege als een doodzonde worden aangerekend door de inquisitie. Voor zijn vijanden zou het niet moeilijk zijn om hem ongezien buiten de stad te brengen en verder, naar Arnhem of Brussel. De inquisitie had lange armen en inde martelkamers waren middelen genoeg om haar slachtoffers tot spreken te brengen. Zij had er gruwelijke verhalen over gehoord.

Nog nooit was een middag haar zo lang gevallen. Af en toe meende ze, vaag en ver, iemand te horen roepen. Misschien was het de boer van Selhorst. Maar zij kon niets voor hem doen.

Was Gosen maar hier.

Maar Gosen was er niet, zou ook niet komen. Er was geen hulp te vinden, nergens. Langzaam begon er tenslotte in haar hoofd een plan te rijpen.

Wege Elbertse staarde in de duisternis om hem heen. Hij was er ingelopen en wist het. Hij had zich laten misleiden door de verraderlijke glimlach van de weesvader. De man had een deur geopend en hem verzocht,binnen te treden. Toen hij daaraan had gevolg gegeven werd de deur achter hem dichtgeworpen en een zware grendel er voor geschoven.

“Hé, wat doet ge? Laat me er uit!”

Maar de deur bleef gesloten. Aardedonker was het om hem heen. De bergplaats had geen enkel raam.

“Zo’n schobbejak,”gromde Wege in zichzelf, “mij met mooie praatjes in dit muffe hok te lokken. Maar ik zal hem krijgen. En Evertjen zal niet weten waar ik blijf. Dat is nog het ergste. Weesvader, laat mij eruit!”

Zijn vuisten bonkten op de zware deur, doch deze gaf niet mee en niemand antwoordde.

Toen de kinderen zaten te eten, stak af en toe een van hen het hoofd op en luisterde. Wat was dat voor gebonk in het huis? En vragend gingen de blikken naar de huisvader.

“Eet voort. Het is zo weer tijd om te werken,”gromde deze. Na het eten stak de weesvader de Donkerstraat over en haaste zich naar de Hoogstraat om Andrys Roest te waarschuwen, dat de prooi in de val was gelopen. Nu moest hij weten wat er verder gebeuren moest. Hij wist dat wel. Wege Elbertse moest gedurende de nacht naar het blokhuis gebracht worden. Daar zou hij dan door drost en schout aan de tand worden gevoeld. Zo’n onderhoud zou zijn geldje wel opbrengen, want daarna zouden zij de hand op meer ketters kunnen leggen. Het was alleen maar, wanneer het zou zijn en hoe.

“Als Herman Aeltsen Leyedekker, de nachtwacht, de roep van een heeft laten horen,”zo werd de afspraak. Dan zou de schout bij het weeshuis zijn. Zij zouden de boer van Selhorst binden en knevelen en hem samen naar het blokhuis brengen. Niemand zou er iets van merken. De mensen sliepen en het was donkere maan.

Maar met een boer kon zo maar niet van de markt verdwijnen. Wege Elberste had er steeds een gewoonte van gemaakt om te noene weer thuis te zijn. Evertjen had dan ook al een paar keer door het raam gekeken of ze hem nog niet zag komen. Het bevreemdde haar, want Wege was de stiptheid in persoon. Nog nimmer was hij van deze gewoonte afgeweken. Kon het zijn, dat een of andere koopman hem had meegenomen naar het wijnhuis? Het was nauwelijks te geloven.

Met het verstrijken van de tijd kwam er een vreemde onrust over haar. En toen schoot het haar opeens te binnen wat Wolter Hubrechtse enkele weken geleden had gezegd, dat de schout op hem loerde.

Nu, dat was gauw genoeg onderzocht. Wanneer deze hem voor een vermeend vergrijp had vastgezet, kon ze het hem gaan vragen. Ze ging. Zo alleen thuis had ze geen rust. Ze maakte zich zorgen over haar man.

De Broeren lagen verlaten onder de bleke herfstzon. Onder het voorbijgaan wierp ze een blik in het wijnhuis, doch daar was Wege niet. Ze zou verbaasd zijn geweest wanneer het wel zo was.

Nou, de schout wist niets van haar man af. Hij had hem ook niet op de markt gezien, doch daarom kon hij er wel zijn geweest. Hij beloofde haar, dat hij een onderzoek zou instellen en de roeddragers zeggen, dat ze naar hem moesten uitkijken.

De mannier waarop Andrys Roest sprak, deed onecht aan. Hij toonde zich al te ijverig, maar vroeg niet naar bijzonderheden over Wege. Dat was het eigenaardige.

E lag een frons over het voorhoofd van Evertjen, toen zij van de stoep stapte en het Heer Aeltzstraatje indraaide.

“Het was net of de schout er meer van wist,”ging het door haar heen. Toen ze het einde van de straat had bereikt, zwenkte zij de Bruggestraat in en zette er toen resoluut de pas in naar de Kleine Oosterwijk, naar het huis van Wolter Hubrechtse.

Wolter keek verbaasd, toen zij hem vertelde, dat Wege niet thuis was gekomen van de markt op de Broeren. Meteen was zijn achterdocht gewekt. Wege was een man van vaste gewoonten. Het kon bijna niet anders of de vijand moest hem eindelijk te pakken hebben gekregen. Dat zei hij ook tegen Evertjen.

“Ga maar naar huis, evertjen,”zo vervolgde hij, toen zij wat gekalmeerd was. “Blijf daar. Wij zullen Wege zoeken en het niet opgeven voor we hem gevonden hebben. Maak je niet ongerust. Het komt allemaal best in orde.”

“Wolter heeft goed praten,”zei Evertjen in zichzelf, toen ze weer buiten liep. “Maar Wege is zijn man niet.”

De stadsloper liet er geen gras over groeien. Zodra Evertjen verdwenen was, stapte hij naar de buren. Gosen was thuis.

Deze wist niet wat hij hoorde en staarde Wolter met open mond aan. Een bang vermoeden kwam bij hem op. Doch nee, dat was niet mogelijk. Wege was door Wolter gewaarschuwd en deze zou zich niet in een hinderlaag laten lokken. Aan de andere kant was het ook weer zo, dat de vijand tijd genoeg had gehad om een plan tot in de kleinste bijzonderheden voor te bereiden.

“Wege…”

Hij zweeg opeens en kreeg een kleur van opwinding.

“Luister, Wolter. Ik kwam te noene door de Kerksteeg en toen ik de hoek omsloeg, zag ik iemand in het weeshuis verdwijnen. Ik dacht, dat het de weesvader was en heb er niet verder bij stilgestaan. Wat zou ik ook? Maar nu ik er over nadenk, had die persoon wel iets weg van Wege Elbertse. Zijn postuur, bedoel ik. Ik verwachtte hem daar niet en lette er dus niet zo bijzonder op. Maar nu gaat het er toch op lijken,dat het de beide samenzweerders is gelukt, Wege in de val te lokken.”

Wolter liet deze woorden eens in zich omgaan.

“Zeker, maar wij kunnen niet naar het weeshuis gaan en vragen of Wege daar soms is. Wij kunnen het huis ook niet binnendringen en hem er uit halen, wanneer wij niet precies weten, waar hij opgesloten zit. In ieder geval kan dat niet bij daglicht worden gedaan. Onder dekking van de duisternis zou het misschien wel mogelijk zijn in het weeshuis te komen en Wege te zoeken. Daar moeten we het nog maar eens over hebben. Maar we moeten het huis wel in het oog houden. Wacht eens, wanneer een van ons bij de waag op de Broeren gaat staan, dan kan hij de Donkerstraat tot aan de kromming overzien en het weeshuis in het oog houden. Het is maar, dat we weten, wie daar binnengaat en wat er vandaan komt. Als jij dat eens deed? Jij zal daar minder opvallen. Jij bent jonger. Ik ga bij Hinrich Hase om met hem te overleggen. Zodra het donker is, kunnen we het huis van dichtbij in het oog houden.”

Gosen wist, dat er haast gemaakt moest worden. Wolter was dan ook nauwelijks uitgesproken of hij stond al buiten en haastte zich naar de Broeren. Het hart sloeg hem in de keel. Zij hadden de vijand onderschat. En het zou een hele toer worden om Wege weer onder de vrije hemel te krijgen. Ze wisten niet eens waar hij zich bevond.

Hij hoopte, dat hij Diedel zou zien verschijnen, als die een boodschap moest doen. Zij zou wel weten of Wege werkelijk binnen het weeshuis was.

Diedel zelf hoopte ook, dat zij een kans zou krijgen om buiten het weeshuis te komen. Dan zou zij de boodschap, boodschap laten, met de kans op straf, en Gosen of een ander waarschuwen. Zij had het plan zelfs in zich om laten gaan om de voordeur uit te vliegen en naar de Kleine Oosterwijk te gaan.

Ze kreeg de kans niet. De weesvader vond binnen telkens iets voor haar te doen en anders de weesmoeder wel.

Diedel had een kleur van ergernis en van spanning. Van angst ook. Bijna automatisch deed ze haar werk. Maar haar gedachten waren bij Wege Elbertse in het berghok,en hoe zij hem zou kunnen helpen. Maar wat kon zij doen? Zij kon niet naar het berghok gaan en de deur openmaken. De vader zou het haar beletten. Zij durfde ook niet. Het zou immers toch niet lukken.

Of…..

Als het nacht was?

Dan zou het nog moeilijker zijn. De kamer waar zij met de andere meisjes sliep, werd op de gang door een zware grendel gesloten als zij binnen waren. Zij kon de slaapzaal niet verlaten vóór morgenochtend,als zij geroepenwerd om het brood voor de anderen te snijden en te smeren.

Het leek allemaal hopeloos.

Maar opeens kwam er een schittering in haar ogen. Misscien zou dat kunnen.

Zou zij durven? Ze was nog nimmer bij donker buiten de slaapzaal geweest. Maar ze wilde het toch proberen. Het was de enige mogelijkheid. En het ging om het leven van een mens, van meerderen.

Achter op de poetsstraat stond een ijzeren staaf, dat wist ze. Ze repte zich er heen en verborg het stuk ijzer onder haar kleding. Toen vloog ze de trap op naar de slaapzaal. De stang paste net in de kram, die de bout van de grendel moest vasthouden, zodat de deur van binnenuit niet open was te krijgen. Toen begon Diedel te rukken en te wrikken.

Ze was jong en sterk. Maar de kram zat erg vast. Ze liet echter niet af en zette door. Het bange zweet brak haar uit. Weer wrikten de handen aan het harde ijzer, weer en weer. Opeens schoot de kram los en Diedel tuimelde de gang in. Ze wist zich nog net op de been te houden en wierp een snelle blik om zich heen. Onzin natuurlijk. Ze was hier helemaal alleen.

Voorzichtig duwde zij de punten van de kram weer in de gaten en drukte ze met het ijzer er vaster in. Zo zou de kram niet losschieten, als de grendel er door werd geschoven. Daarna zou zij wachten…

En dan..

Ze verborg het stuk ijzer in haar bed en haastte zich naar beneden naar haar werk, een kleur van opwinding op de wangen.

De duisternis daalde neer over de stad en de straten lagen verlaten. Wie niet beslist buiten moest zijn, hield zich binnen. In het donker van de Donkerstraat bewogen zich twee gestalten. Het waren niet meer dan schaduwen. Bijna geruisloos bewogen ze zich. Ze stopten tegen de muur van het weeshuis, aan weerskanten van de stoep.

“Blij, dat de maan verzit,”fluisterde Gosen Zeegers. Wolter Hubrechtse liet een zacht gegrinnik horen.

“Mijn vreugde ook. Denk er om, als er een flambouwdrager komt of iemand met een lantaren, dan duiken wij de steeg in. En dan doen we ook als de nachtwacht nadert. Die vent ruikt je gewoon.”

Langzaam gingen de uren om.

Ze hoorden de ratel van de nachtwacht, soms veraf, soms dichtbij.

Negen heit de klok,

De klok heit negen.

Aan Godses zegen

Is ’t al gelegen.

De op zangerige toon gesproken woorden verderop in de Donkerstraat. Toen Herman Aeltsen Leyderke het weeshuis passeerde, was er van de wachtende posten echter niets te zien.

De weesvader was naar bed gegaan om nog een paar uur te slapen. Wanneer de schout verscheen,kwam er van slapen niets meer, de hele nacht niet.

Diedel lag wakker in bed en staarde inde duisternis boven haar. Ze hoorde haar hart bonzen. Om haar heen werd gefluisterd, maar na verloop van tijd werd dat van lieverlede minder. De een na e ander viel in slaap.

Ze hoorde als in de verte de nachtwacht door de straat komen. Negen heit de klok. Nu zou het niet lang meer duren of de weesouders gingen ter kooie. Ze luisterde naar de ademhaling van de andere meisjes. Ze sliepen allen.

Behoedzaam liet ze zich over de beddeplank glijden. Haar handen grepen in de duisternis en vonden haar kleren. Het geritsel, dat ze maakte bij het aankleden, was nauwelijks te horen. Nu ging het gebeuren.

Met bonzend hart stond ze bij de deur en duwde de klink omhoog. Toen drukte ze haar sterke jonge lichaam tegen de deur en zette de voeten schrap tegen de houten vloer. Zo moest het lukken.

Waarom ging de deur nu niet open? Had zij de kram misschien toch te vast in de muur geslagen? Het angstzweet brak haar uit.

Toen wierp ze zich met een wanhopig gebaar met het volle gewicht tegen de deur.

Een luide bons, een harde smak, en de deur vloog open. Diedel Aeltsdochter buitelde er doorheen en lag het volgende ogenblik in de gang te spartelen.

Ze hoorde een verstrikte kreet van een der meisjes en sprong overeind om de deur te sluiten. Op de bovengang bleef ze staan en luisterde. Er waren echter geen andere geluiden dan die van jonge mensen, die in de slaap praatten. Soms klonk een gilletje er tussendoor,als er eentje droomde. Het klonk gedempt achter dikke muren. Behoedzaam sloop Diedel de trap af. Beneden bleef ze staan en luisterde.

Achter de deur van de woonkamer van de weesouders hoorde zij een zwaar geronk en gerustgesteld haastte ze zich naar het achtereinde van het huis. Snel waren haar bewegingen. Ze wist, dat er vlug gehandeld moest worden.

Wege Elbertse liet een gegrom horen, toen hij de grendel hoorde wegschuiven en hij sprong naar voren toen de deur openzwaaide. Met zijn sterke handen, die gewend waren schop en greep te hanteren, zou hij die weesvader voor eens en voor al afleren om een mens op te sluiten.

Hij schrok, toen hij een vrouw een gesmoorde kreet hoorde slaken.

“Wat? Wat? Wie ben jij?”

Diedel was wel geschrokken, doch herstelde zich snel.

“Sttil zijn, Wege Elbertse. Geef mij een hand. Ik ken de weg in donker. Pas op, dat ge nergens tegen aanstoot.”

Hoofdschuddend, maar met een glimlach op zijn gezicht, volgde Wege haar. Hij begreep het niet, doch dat was minder. De voordeur was van zware grendels voorzien, maar nu waren er mannenhanden om te helpen.

In de Donkerstraat maakten twee gestalten uit de nachtschaduwen los en posteerden zich bij de hoeken van de stoep, de handen gereed om toe te grijpen. Zij wisten, dat ze het voordeel van de verrassing hadden.

Toen klonk er opeens een gegrom in de nacht en mensen worstelden met elkaar. Gosen snapte er niets van. Hij dacht, een potige vent tegenover zich te hebben, maar deze verzette zich nauwelijks.

“Eindelijk,”gromde hij. “Daar hebben we de hele tijd op gewacht.”

Diedel herkende opeens de stem.

Het was bijna een juigkreet, die over haar lippen kwam. Zij had immers gedacht, dat het de schout was, die haar had aangegrepen.

“Gosen, ik ben het, Diedel. Ik heb Wege Elbertse meegebracht. Waarom grijpen jullie ons aan?”

Het gevecht was even snel beëindigd als het begonnen was en toen keken Gosen en Wolter Hubrechtse elkaar wat schaapachtig aan, hoewel ze elkaar nauwelijks konden zien.

Het verhaal van Diedel was gauw verteld. De hand van Gosen ging liefkozend over de hare. Ze was zo moedig, zijn Diedel. Wege Elbertse wilde meteen naar Evertjen, doch Wolter Hubrechtse hield hem tegen.

“Dat kunt ge niet doen, Wege. Ik zou alleen maar Evertjen laten weten, dat ge vrij zijt. Duik dan ergens onder, want ik vrees, dat de schout wel graag op je boerderij een kijkje zal willen nemen om naar jou te zoeken. Zorg, dat gij en Evertjen er beiden niet zijt. Wij zullen je stee dag en nacht laten bewaken, totdat we weten, dat het niet meer nodig is.”

“Je kunt de poort ook niet uit,”fluisterde Gosen. “Ga mee naar de Oosterwijk, dan vaar ik je naar huis, buiten de muur om.”

Toen zaten ze nog met Diedel.

Zij durfde niet terug naar het weeshuis.

“O, ze zullen best in de gaten hebben, dat ik het heb gedaan,”fluisterde ze. Ik kan de grendel niet meer voor de deur schuiven als ik in de slaapzaal ben. En dan sluit hij mij in het berghok en misschien nog erger.”

“Je hebt gelijk,”merkte Wolter op. “Wel, ga mee naar mijn huis. Wijmpien zal blij zijn met wat vrouwengezelschap, want die man van haar is bijna nooit thuis. En zij heeft ook nog wel andere kleding voor jou, zodat je niet zo direct op zult vallen buiten het weeshuis.”

Einde hoofdstuk 11

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in 't Geuzenjonk van Harderwijck.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *