Vierholten (gem. Ermelo) en het Vierholter bosch.

 

 

hert-vierhouten

Vierholten (gemeente Ermelo) en het

Vierholter Bosch.

 

Wanneer men van Nunspeet in eene zuidoostelijke rigting den Zuiderzeeschen straatweg verlaat, en vervolgens den Centraal spoorweg, bij de stationsgebouwen, dwars overschrijdt, dan ziet men, zoo ver het oog reikt, niets dan duinheuvels met vale heide, hier en daar door zandvlakten en zandverstuivingen afgewisseld. Droevig en somber is de indruk, dien hier de natuur op u maakt, en ge zijt geneigd te gelooven, dat ze hier alle schoonheid heeft verloren en meent verder niets dan eene doodsche woestijn te aanschouwen. Ge gevoeld u dan ook aangenaam verrast, wanneer ge na een poos langs een nieuw aangelegden kunstweg, die deze eentoonige streek schier in eene regte lijn doorsnijdt, tegrafheuvel-vierhouten hebben voortgewandeld, eene bebouwde buurt nadert, waarvan de landerijen te zamen in een kringvormigen aarden wal liggen besloten. Buiten dien omtrek ontwaart ge eenige ronde heuveltjes (tumuli); verder liggen, onregelmatig verspreid, eenige schaapschotten met de daarbij behoorende hooischuren, beschermd door enkele schrale linden of eiken, en in het midden der buurschap Vierholten, een twintigtal eenvoudige boerenwoningen, waarvan de voorgevel veelal uit geele klinkersteenen bestaat en het achterhuis uit planken zamengesteld is. De bewoners dezer buurt hebben er zich op toegelegd om uit hunnen geboortegrond een zoo aangenaam mogelijk verblijf te scheppen. De bodem toch is alom binnen de omtrek bebouwd, alle akkers zijn netjes afgedeeld en maken in den zomer door bonte schakering van veldvruchten en granen een liefelijk geheel uit, terwijl hier boomgewas, daar een wijngaard, als ware het met smaak, de armoede bedekt, die in de schamele woning van den daglooner huist.

boerderij-vierhouten

    De vreemdeling moge zich bedroeven over een land, waar de schaarschheid der dorpen of buurschappen een bewijs is van de schraalheid van den grond, toch leeft hier de landman voor het grootste gedeelte op zijn eigen erf gelukkig en vergenoegd, ofschoon zijn rijkdom slechts in een luttel getal hoornbeesten – van een schraal soort – en eene kudde Veluwsche schapen bestaat. Elken morgen worden deze op de omliggende heidevelden uitgedreven en des avonds naar de stallen gebragt en daar, bij gebrek van rivier of beekwater, uit uitgeholde boomstammen, even als dakgoten, met putwater gevuld, gedrenkt. ’t Geluid der rinkelende belhamels doet ons eenen blik werpen op de heide, die de buurschap Vierholte omzoomt. Hier en daar ontmoet ons oog eene vreedzame voortweidende kudde; de herder heeft zich nêergezet op een heuvel of rust op een uit onderscheidene gekleurde lagen gevormden aardklomp, die zich even als een rots uit de geele zandzee verheft.

Hij overziet, terwijl zijn trouwe wachter, de hond, aan zijne voeten rust, of op zijn bevel de te ver afgedwaalde schapen bij elkâar drijft, met een zekeren trots zijne schaar, en bij dien aanblik herinneren wij ons de woorden van den dichter Wijsman:

Op het heiveld bij zijn kudde, voelt hij zich een vorst, een heer,

En ziet vrolijk op zijn schapen, als zijn onderdanen neêr.

Daar staat ook zijn vlugge Veldin, als minister aan zijn zij,

Waakt met hem getrouw voor ’t welzijn zijner kleine monarchij.

    Het scheren der schapen geeft hier eenmaal in het jaar aanleiding tot een landelijk feest. Door de boeren die ze houden, wordt dan bij die gelegenheid de zoogenaamde boerenleven-vierholtenschaapskermis gevierd. Alle overige volksvermaken zijn hier overigens geheel vreemd. Den Vierholter is wel het stijf eenvoudige van den boerenstand eigen, maar hij is daarbij vriendelijk en beschaafd. Vlijtig maakt hij gebruik van den Bijbel; in iedere woning vindt men dien op een soort van eikenhouten lessenaar liggen; hij maakt daar als het ware onder de meubels een hoofdvoorwerp uit. Over ’t algemeen godsdienstig, gaan de huisgezinnen des zondags met hunne met zilveren klampen gesloten bijbels en psalmboeken onder den arm, getrouw naar de kerk te Elspeet. Wel is deze een uur van hunne buurschap verwijderd, maar ze getroosten zich gaarne die moeite, voor hen zoo gering, nadat ze zich de vorige dagen der week met zwaren arbeid hebben afgesloofd.

Al heeft men hier geene kerk, men vindt er toch een geheel nieuw doelmatig schoolgebouw, in 1848 opgerigt, waarin de kinderen, ook uit de buurschap Gortel, onderwijs in het lezen, rekenen en schrijven ontvangen.

Onmiddellijk achter de landerijen der buurschap sluit zich het Vierholter Bosch aan.

Het Vierholter bosch mag nog slechts gedeeltelijk een natuurwoud heeten. Vroeger waren hier meer veenen, moerassen en waterplassen dan thans, en was hier eene gunstige gelegenheid voor de jagt, die geliefde uitspanning voor Gelder’s graven en edelen, wanneer de krijg of onderlinge veeten hen niet bezig hielden. Het jagtregt op de Veluwe behoorde reeds in de vroegste tijden uitsluitend aan de vorsten van Gelre, en geen ander mogt daar jagen zonder hunne toestemming. Er was geen soort van wild of het was hier te vinden, en geen plek in het schoone Gelderland was in staat den beminnaar der jagt zoo veel genot en weelde te schenken, als de wouden der Veluwe. Welk eene drukte, welk een gewoel kon in vroegere eeuwen de eenzaamheid van dit woud verlevendigen. Een prachtige stoet van jagers en jageressen, gezeten op statige rossen en vurige telgangers, den afgerigten sperwer of den vluggen valk op de hand houdende, doortrok toen meermalen deze bosschen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

De trein werd geopend door moedige en fraai gekleede edelknapen, aan lederen halsbanden de slanke hazewinden, brakken en speurhonden voorttrekkende, die zoo driftig en ongeduldig waren, dat hunne geleiders veel moeite hadden hen in hunne vaart te temmen. Dan weêrgalmde het anders zoo stille woud heinde en verre van hondgebas en hoorngeschal; de grond daverde van het getrappel der paarden, en onder dat alles mengde zich nog het geroep van mannen en jongens, die met stokken op het kreupelhout sloegen, om het wild uit zijne schuilplaats te verdrijven. Dan werd het majestueuse hert, dat nog in den morgen zijn dorst aan de bron gelescht, toen zijn fieren kop opgeheven en met een zekere trots het veld, dat met heuvelen en bosschen omringd, zich zoo aanlokkend voordeed, had overzien, – opgejaagd en vervolgd; zijn fijne reuk had hem reeds den naderenden vijand voorspeld; één oogenblik had het luisterend stilgestaan en was toen met bliksemsnelheid door het geboomte gevlogen; maar de nog snellere pijlen, soms afgeschoten door eene vorstelijke hand, bereikten het meestal, en stervend zonk het ter aarde, om straks door de bloeddorstige honden te worden afgemaakt.

Hartstogtelijk werd in de middeleeuwen de jagt bemind. De drift voor de valkenjagt was zoo groot, dat vorsten en edelen zich bijna uitsluitend daarmede bezig hielden. De valken werden in hooge bescherming genomen en genoten zelfs een bijzonder voorregt. De zegels der grafelijke wapens waren met valken versierd, en op een zegel van het jaar 1316 vertoont zich Hertog Reinald, ongewapend gezeten op een stappend paard, met een valk op de linkerhand. ( Edellieden van hooge geboorte mogten eerst nadat ze den ridderslag ontvingen, een zegel voeren, waarop ze op hun strijdros gewapend zijn afgebeeld.)

_jachtzegel-met-valk

Vaak verstrekten deze bosschen aan roovers en zwervende heidenen tot schuilplaats. Ook vonden de bewoners der omliggende dorpen bij oorlogsgevaar hier herhaaldelijk en op onderscheidene tijden een toevlugtoord. In die tijden toch waren de Vierholten schier geheel ontoegankelijk, waar alleen de jager de slingerpaden kende en slechts eene ruwe hut hier en daar verscholen, den verdwaalden wandelaar een herbergzaam verblijf verleende.

Volgens A. van Slichtenhorst “ had dit telkens plaats in het jaar 1202, toen de bisschoppelijke benden in de Veluwe gevallen, die aan alle kanten doorkruisten en buurschappen en hofsteden in de asch legden. Ook in de jaren 1251 en 1421 toen de Stichtschen het waagden in de Veluwe te moeskoppen. Voorts in 1427, toen zij op de Veluwe kloosters noch kerken, veel min wereldsche gestichten, ongeschonden lieten. Ook nog in 1496, toen een troep Hollanders te Spaarndam ingescheept, over de Zuiderzee op den zuidenlijken hoek der Over- Velywe ankerden, en aldaar schuren en stallen in brand staken en eene sterke drift beesten mede namen, waarna zij den roof, naar der krijgslieden gebruik, door het keelgat joegen ende als een hoop brooddronkene baksteenen eene wijl tijds herbergde.” Dan nog bij de gebeurtenissen van 1517, 1521, 1522, 1672 en eindelijk bij den terugtogt der Engelschen, waar op de mare van de aankomst der stroopende benden, de ongelukkige inwoners huis en hof hadden verlaten en met vrouw, kinderen, benevens hun vee en tilbare have hier de wijk namen, en op die wijze bescherming zochten en eene veilige schuilplaats vonden in groote vierkante uitgravingen in den grond, waarvan de sporen nog niet zijn uitgewischt. Aan het noordeinde van het Vierholter bosch ontwaart men ook nog eene langwerpig vierkante diepte, vrij aanzienlijk van omtrek; zij draagt den naam van de Bommelskuil.

Steil glooijend naar beneden loopend, is op den bodem eene put, die beschaduwd wordt door een groep zware beukenboomen, staande op den zuidelijken rand en waarvan de dikste bekend is onder den naam van Davidsboom, naar den laatsten der in den jare 1720, op de Veluwe uitgeroeide heidens, bij die gelegenheid tegen dezen boom gebonden en doodgeschoten. Deze kuil was, zoowel als de andere kuilen, in vroegeren tijd eene wijkplaats voor de omzwervende heidens, toen men ze uit Gelderland wilde verdrijven. Daartoe werden dikwijls vergeefsche pogingen in ’t werk gesteld. Zoo werd in 1712 eene gewapende magt, bestaande uit vijf en zeventig ruiters en voetknechten, op last van het hof, naar de bosschen onder de gemeente Epe gezonden, om zich van de daar verscholen heidens meester te maken. Ook in het jaar 1717 werden dusdanige maatregelen te baat genomen, doch eerst drie jaren later slaagde men er in, hen geheel van hier te verdrijven.

Verscheidene gedeelten van dit uitgestrekte bosch wekken door hunne namen de aandacht des wandelaars tot zich, als: ’t groote Laer, het Varen Laer, het Beertjes Laer, het harde gres Laer, het Uller-, het Gardebosch, de Kinderhegge, en de gemelde Bommelskuil.

Het Vierholter- bosch is als boschgewas de ziel en het leven van het landschap. Aan den rijkdom van opgaand hout ontleent dan ook vooral de nederige buurschap haar landelijk schoon, en haar voorkomen heeft daardoor iets van dat verhevene, dat indrukwekkende, dat de aanblik van eene stoute en schoone natuur in rijker bedeelde landen op het gemoed van den wandelaar achterlaat. En toch oordeelen zij, die de Veluwe doortrekken, meestal ongunstig over het natuurschoon dezer streken. Maar geen wonder, zij blijven de groote veld – en kunstwegen en ook den spoorweg volgen; zij zien slechts eene uitgebreide heidevlakte, waar zandduinen, heuvels, struiken en bosschen elkander afwisselen, doch het inwendige dezer belangrijke bosschen blijft hun onbekend, en de schoonste natuurtafereelen, die een weinig van den weg afliggen, worden hun niet ter aanschouwing gegeven. De maand Augustus biedt aan de meisjes en vrouwen, zelfs aan kinderen van zeer jeugdigen leeftijd, eene drukke bezigheid aan, in het verzamelen der in deze bosschen gerijpte boschbeziën of blaauwbessen – knapkorrels – vaecinia, baccae sive myrtillae – die met groote korven en manden naar de omliggende steden Harderwijk en Elburg, voorts over de Zuiderzee vervoerd en in Holland verkocht worden.

Het bestuur en opzigt over het kappen was vroeger onder denzelfde malenkeur als die van het Gorteler bosch, aan boschmalen opgedragen, die zich over ’t algemeen met zaakkennis van hunne taak kweten. Thans, nu deze geheele bezitting slechts aan éénen eigenaar bij aankoop is overgegaan, zijn deze maalschappen vervallen en wordt het beheer gevoerd door twee boschwachters.

Een tiental Vierholtensche daglooners vinden hier gedurende de winter aanhoudend werk, door het steken en verkoopen van schilturf, lange bezemheide en het vellen van brandhout.

Dit wordt, na in het bosch bewerkt te zijn, door de buurschap naar het zeestrand vervoerd; eene bezigheid die eenige levendigheid bijzet aan deze zoo eenzame landstreek.

  1. H.G. Haasloop Werner. 

 

Dit bericht was geplaatst in H.G. Haasloop Werner..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *